Waar vandaan: Levensdromen > Hobby's > Boeken schrijven

Levensdroom: Boeken schrijven

Naar de hel van Breendonk

door

Ronita Yory

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RONITA YORY

 

Uitgave in eigen beheer

 

I.S.B.N. 804517

 

 

 

 Canadalaan 227 Bus 1 Antwerpen 2030 Tel: 03/542.35.98 Fax: 03/541.55.18

 

 

 

 

© Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door welke vorm dan ook zonder de schriftelijke toestemming van de auteur.

 

D 2005

 

Dit boek is te koop bij Standaard Boekhandel, Huidevetterstraat te Antwerpen en Standaard boekhandel en Standaard  Boekhandel Abdijstraat Antwerpen Kiel.

 

 

Rekeningnummer: 701-0127711-82 (van de schrijfster)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bladwijzer

1- Opgepakt

2 - De deportatie

3-  In quarantaine

         4-  Arbeidscommando SS Elrich

 5-  De executie

 6-  De luizenplaag

 7-  Naar Auschwitz

  8- De arbeid

  9-  De kinderen…

10-  De hygiëne

         11 - De geboorte van Kelly..

          12- De experimenten

          13-  De vlucht..

 14-  De bevrijding

  15- De brief...

  16- Naar Dachau

  17-  De Moorexpress

  18-  Het dagelijks leven

   19- Naar Neuengamme

   20- De Dodenmars

   21- Het Vrachtschip de "Athen"

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord

 

 

Rudy Verschuren, 38, fabrieksarbeider en gelukkig gehuwd, heeft twee dochters Ilse en Marijke. Op een zondag in 1941 wordt hij opgepakt door de nazi's' op verdenking van spionage. Hij wordt naar het concentratiekamp Breendonk gevoerd. Vervolgens brengt hij vier jaar in verscheidene kampen door, waar hij vernedert en gefolterd wordt. Als hij in het kamp Elrich is krijgt hij het slechte nieuws van zijn vrouw, Annie. Zij en de kinderen worden naar het concentratiekamp Auschwitz gebracht. Tijdens de bevrijding door de Russen op 17 januari 1945 wordt Marijke, de oudste dochter van Rudy door het Rode Kruis naar pleegouders gebracht. Ze schreef een brief aan haar moeder dat haar jongste zusje vergast is, maar…

Hoofdstuk 16 gaat verder over Rudy. Hij wordt naar Neuengamme gedeporteerd. Tijdens een vlucht wordt hij en zijn twee vrienden, Alex en Martin door zéér uitzonderlijke omstandigheden gered. De artiesten in het verhaal berusten op fantasie, maar de gebeurtenissen in dit boek zijn echt gebeurd. Dit mag nooit meer gebeuren, nooit meer!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Over de schrijfster

 

 

Ronita Yory (pseudoniem van Olga Janssens) is geboren te Deurne (Antwerpen) op 19 maart 1937.

 

Zij kreeg les aan de Lagere school te Deurne, aan de  Grijspeerstraat en het Instituut Calazans in de Coeveltstraat. Aan de avondschool van de Suddermanstraat studeerde zij Spaans en burotica.

 

Zij is auteur van nog 5 andere boeken: “Pedro de Puertoricaanse jongen”, “Mijn dagboek  uit mijn leven geschreven” Reisverhalen boek 1 , “Kinderverhalen”. “Gedichtenbundel”  “Naar de hel van Breendonk”  haar recentste werk.

 

Ze is ook een filmscenario aan het schrijven, getiteld: Het leven in de concentratiekampen tijdens de 2e Wereldoorlog”  ( Op thema van haar boek: Naar de hel van Breendonk”)

 

Er word ook nog een Stripverhaal gecréeerd. Getiteld: De miserie in de concentratiekampen 40-45

 

Er is nog een boek in wording getiteld: De Schuif…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1: Opgepakt

Tien mei 1940, om vier uur 's morgens... Duitsland viel België, Nederland en Luxemburg aan... Scholen sloten hun deuren, uit voorzorg. Mensen liepen angstig op straat en riepen: 't Is oorlog!" Eén jaar later, het geweld woedde in alle hevigheid. Die zondag Rudy die fabrieksarbeider was en gelukkig getrouwd, had twee kinderen:Ilse acht en Marijke tien. Plots werd er hard op de voordeur gebonkt. Annie, zijn vrouw opende met knikkende knieën en vroeg angstig: " Wie is dat?" " Laat ons binnen of wij beuken de deur in!" Na enige aarzeling opende ze de voordeur.

De SS-ers stormden als wilden naar binnen en grepen haar onzacht beet en snauwden: " Waar is Rudy verschuren?" " Da... daar in de woonkamer!" Met haar vinger de plaats aanwijzend. De SS-ers gingen woedend naar hem, één van hen vroeg nijdig: " Ben jij Rudy verschuren?" Jazeker!" Zonder een antwoord te geven sleurden ze hem van zijn stoel en zeiden woedend:" "Schnell mitkommmen, schnell, schnell!" Wat heb ik gedaan?" Vroeg hij geheel van zijn stuk. " Weet ge dat niet, wel ik zal je geheugen eens opfrissen!" De SS-er nam, terwijl hij grijnslachte, bij zijn hoofdharen en trok brutaal zijn hoofd achterover terwijl hij honend zei: " jij, jij bent een spion!"

" Je vergist je, ik ben geen spion, ikheb niets misdaan en laat mij los! Hij vocht uit alle macht, om uit de klauwen van de SS-ers te komen, maar niets mocht baten. Ze sleurden hem ondanks alles mee. Terwijl hij luid riep: " Ik ben geen spion en laat mij los!" De SS­ers duwden hem onzacht in de gereedstaande camion, waar nog zeven andere gevangenen zaten, die net als hij opgepakt waren. Annie liep vertwijfeld naar één van hen, trok aan zijn arm en smeekte: "Neem mijn man niet mee, hij heeft niets misdaan, laat hem bij ons blijven!" De SS-er schudde haar heftig dooreen terwijl hij met vlammende ogen zei: "Als je nog blijft janken nemen wij jou ook mee, begrepen?" Rudy die het lawaai hoorde, keek door een spleetje naar buiten, hij zag hoe zijn vrouw danig afgeranseld werd. Als een razende leeuw sloeg hij op de ijzeren wanden en riep woedend: "Laat mijn vrouw met rust of ik vermoord jullie!" Drie andere bewakers keken geamuseerd toe. Wat verder stonden de buren die angstig toekeken, ze durfden niet tussenbeide komen. De SS-ers hoorden Rudy roepen, één van hen ging naar hem en opende de zware ijzeren deur en bulderde: “Nog één woord en ik schiet je vrouw en je kinderen dood, begrepen?" Rudy voelde dat die SS-er zijn dreigement zou uitvoeren, daarom achtte hij het geraadzaam te zwijgen. Een andere bewaker gooide Annie op de grond en riep dreigend: "Als uw man en jij nog roept, dan schiet ik jou en de kinderen dood, begrepen?" Langzaam kroop ze angstig recht, ze durfde niets meer te zeggen. Toen de camion met haar man wegreed, riep ze snikkend: " Rudy, kom gauw terug, wij hebben je nodig, Rudy!" Ilse had de hele tijd angstig toegekeken. Marijke riep alsmaar wenend:"Papa kom terug, ik hou van jou!"

De gevangenen die geboeid waren vroegen zich ongerust af waarheen die SS-ers hen zouden brengen. Na enige tijd stopte het gevaarte voor een groot akelig gebouw. Plots werd de zware ijzeren deur van de truck met een smak opengegooid. De SS-ers riepen in het Duits: "Schnell, schnell, aufstehen!" Ze sleurden de gevangenen met hun hoofdharen eruit, totdat iedereen op de begane grond stond. Voor hen stond luitenant Prauss die hen verwelkomde met de eerste scheldwoorden. Met zijn benen wijdopen gespreid begon hij zijn toespraak: "Wij SS-ers zullen jullie leren wat discipline is in Breendonk. Iedere morgen moeten de bedden hoog opgemaakt worden, de nachtemmers leeggegooid en de kamers moeten met véél water gereinigd worden. Er is driemaal daags appél, wie ziek is wordt neergeschoten, begrepen?", terwijl hij dreigend met zijn zweep in het rond sloeg. De gevangenen werden in een lange gang gedreven, waar ze verplicht werden met hun gezicht tegen de muur te staan. "Zo blijven jullie staan tot ik het zeg!", riep Prauss op een autoritaire toon, “wie praat of zich afwend wordt met zijn hoofd tegen de muur geslagen!" Eén van de gevangenen luisterde niet en fluisterde de ander iets toe. Een bewaker had het gezien en liep woedend naar de man. "Is er niet gezegd geweest dat je niet mocht praten?" Bij deze woorden greep hij hem bij zijn hoofdharen en sloeg de arme man met zijn hoofd tegen de betonnen muur. De gevangenen bleven stokstijf staan. Totdat er één van hen naar de gewonde liep. Prauss riep nijdig: "Verzet één stap en je ondergaat hetzelfde lot, begrepen?" Hij vond het dus beter om terug bij de anderen te gaan staan. In deze houding, met hun gelaat tegen de muur, stonden ze reeds acht uur, de hele tijd hadden ze noch eten noch drinken gehad. Eindelijk riep een bewaker: “Schnell, schnell!", riep hij in het Duits," “allen in één rij gaan staan!" Ze werden in een lange gang gedreven, waar ze alles moesten afgeven. Rudy kon nog vlug zijn sigaretten verstoppen die in zijn broekzak zaten. Enkele dagen later... De deur van Rudy's slaapzaal vloog met een ruk open. Twee bewakers en luitenant Prauss stapten kordaat naar Rudy's bed en sleurden hem met zijn hoofdharen op de grond. Hij kroop langzaam recht en vroeg: "Wat gebeurt er?" "Durf je dat nog te vragen? waar zijn die sigaretten?" "Ik heb geen sigaretten!", antwoordde hij slaperig. "Wat? heb jij geen sigaretten? in de folterkamer zul je wel bekennen!", grijnslachte Prauss. "Breng hem weg!" De twee bewakers trokken hem met bruut geweld mee, terwijl ze hem stampten en sloegen. Toen ze in de folterkamer kwamen begon voor Rudy de hel. Hij zag een takel die aan de muur hing en een wichel die op de grond lag. Achteraan in de gruwelkamer stond een kachel met ernaast enkele stoofhaken.

Rudy huiverde toen hij de duimschroeven en de vingerpers en de met bloed besmeurde witte muren zag. Twee SS-ers duwden hem onzacht op een oude vuile stoel en staken vervolgens zijn vingers in de pers, terwijl de bewaker bars vroeg: " Waar zijn die sigaretten, vooruit zeg op!" "I...ik weet het niet...!" "Ha, ha, ge weet het niet he?" De beul draaide langzaam de vingerpers aan, Rudy's vingers werden zowaar plat geperst. Hij gilde het uit, de kreten klonken akelig door de lange schaars verlichte gang... De beulen martelden verder. Het bloed kwam onder zijn nagels te voorschijn en hingen in slierten aan zijn vingers. Na een lange tijd vreselijk gemarteld te zijn werd hij als een wrak naar de slaapzaal gebracht. 's Anderendaags ’s middags kregen ze een dunne soep waarin halfgare groenten zwommen. Doordat Rudy's vingers gekwetst waren kon hij de soepkom niet vastnemen. Zijn vriend Alex, die in dezelfde slaapzaal sliep, wilde hem helpen. Maar een bewaker riep: "Als je hem helpt, ga jij ook onder de pers, begrepen?" Rudy werd verplicht zijn soep op te slurpen zoals een dier. De bewaker die naar hem keek riep de andere SS-ers erbij en zei: "Kijk, dat murmel eet als een beest, ha, ha, ha!" De vier bewakers kwamen naderbij en brulden van het lachen, ze hadden plezier in het schouwspel. Na de karige maaltijd werden de gevangenen met bruut geweld naar buiten gedreven. Prauss riep: “Neem een schop en een houweel, schnell, schnell!" Nadien duwden de SS-ers hen onzacht voort, steeds roepend: "Vooruit luilakken, lopen!" Eén van de gevangenen struikelde en viel... Een bewaker riep woedend: "Sta op hoerenjong!" Bij deze woorden sloeg en stampte hij de arme man, waar hij hem raken kon. Toen het slachtoffer probeerde recht te komen duwde de SS-er hem lachend weer op de grond tot hij uitgeput bleef liggen. De andere gevangenen liepen moeizaam verder, ze probeerden nog een glimp op te vangen van hun vriend. De bewaker hield hen echter nauwlettend in de gaten. Toen de groep aan een reeks lorries kwam, stond luitenant Prauss hen reeds op te wachten. Hij keek aandachtig rond, na enkele seconden begon hij te spreken: "De kipwagentjes moeten goed hoog opgevuld, alsook de hoeken!" “De lorries moeten over een houten brug aan de buitenoever gebracht worden. Aan iedere kipwagen moeten vier gevangenen werken.” De bewakers hitsten de gevangenen zo op dat deze karwei voor hen zéér stresserend was. Bovendien was het werk zéér zwaar, omdat ze de lorrie een halve draai moesten geven, om de heuvel af te rijden. Met een stok werden de wielen tegengehouden om de vaart te minderen. Maar oh wee als de kipwagen van de rails schoof... Die dag, het kipwagentje schoof van de rails... Rudy's vingers waren nog niet genezen. Hij en de drie andere gevangenen probeerden zo goed als het kon het ding op zijn plaats te zetten. De bewaker donderde: "Zet die verdomde lorrie op zijn plaats, luilakken!" Aan de buitenoever moesten ze het ding omkantelen. Tijdens dit werk hoorden ze een nijdig geblaf... Instinctief keken ze naar hun vriend Roger die enkele meters verder werd gestampt en geslagen. De Duitse scheper was getraind om de gevangenen aan te vallen, als één van hen gestampt werd. De hond was de schrik van het kamp. Het dier viel de arme man als een razende aan... Prauss lachte bij dit schouwspel. De gevangenen keken ontdaan naar hun vriend die door het dier omzeggens verscheurd werd. De gevangenen keken ontdaan toe en hadden medelijden met Roger ie zwaar gewond op de grond lag. Prauss en de andere twee bewakers proestten het uit, ze hadden plezier in het schouwspel, toen ze zagen hoe de arme man de hond probeerde van zich af te duwen.

Het werd november 1942. Luitenant Prauss koos enkele mannen om de doodspalen te planten. Dezelfde dag werden ze gefusilleerd. De gevangenen waren sterk onder de indruk van het gebeurde. Rudy piekerde de ganse dag, hij hoorde zelfs de bewaker niet die riep: "Stoppen!" Als avondeten werd er 100 gram brood en twee kopjes zwart brouwsel van gebrande eikels geserveerd. Tijdens de uitdeling was het wachten geblazen, want er waren maar twintig lepels en dertig eetbakjes voor 48 gevangenen. Als de anderen gedaan hadden vlogen de nog wachtenden als wolven op het eten. Sommigen konden hun tijd niet afwachten en aten alles met hun handen. 's Avonds om 8 uur moest iedereen naar bed. Hier stond slechts één nachtemmer voor 48 gevangenen.

Rudy had een rusteloze nacht, hij kon de gedachte aan zijn gezin niet van zich afzetten. Pas na lange tijd viel hij in een diepe droomloze slaap. 's Morgens moesten ze zich wassen met ijskoud water in een zéér kille gang. Nadien in looppas terug naar de slaapzaal om aan het voeteinde van de Bettenbau's in geef-acht-houding te gaan staan. Wanneer de officier begon te tellen waren de gevangenen verplicht hun hoofden naar de deur te richten en hem te volgen met hun ogen. Zoniet kregen ze slaag. Enkele dagen later werd Rudy betrapt bij het praten tijdens het appél. Als straf moest hij een steile helling beklimmen. Moeizaam kroop hij naar boven, maar de SS-ers vonden het plezierig om hem steeds naar beneden te duwen. Deze pesterijen duurden tot hij vermoeid bleef liggen. Sinds zijn arrestatie was hij 30 kilo vermagerd. Toen woog hij 70 kilo. Enkele dagen nadien, Luitenant Prauss besliste om een galg te laten bouwen. Er moesten drie timmerlieden gevonden worden. Toen hij de drie uitgekozen had beval hij: "Bouw een galg die tegenover de doodspalen moet gebouwd worden, met een val van één meter diep en die in éénmaal kantelt. De drie gevangenen vroegen zich af of ze hetzelfde lot zouden moeten ondergaan als diegenen die de doodspalen gepland hadden. Twee maanden later... Rudy stond voor het grote raam, hij kon de martelplaats zien. De Wehrmachtoversten stapten voorbij, achter hem de oversten van het kamp, dan de drie gekozenen die de galg gebouwd hadden. Met hun handen op hun rug gebonden, gevolgd door een karretje, getrokken door enkele mannen en de Vlaamse SS. Rudy keek medelijdend naar het drietal die moesten sterven... Bevend bad hij: " Oh God, laat deze drie veroordeelden niet teveel lijden!" Enkele minuten later kwam de stoet terug met de lijken...

's Zondags was er toezicht, de bedden werden gecontroleerd... Opnieuw beginnen, weer opmaken, steeds opnieuw... De kamers schoonmaken, herbeginnen, steeds weer. Soms moesten de gevangenen uren naakt op appél buiten staan. Op een nacht rukten 2 bewakers Rudy's slaapzaal open. De 2 bewakers stapten nijdig naar Alex bed en brulden: "Meekomen, vooruit en vlug wat!" Alex schrok met een ruk wakker, verbaasd keek hij rond en vroeg: "Waarom moet ik meekomen? ik heb niets misdaan!" " Wat, heb jij niets misdaan, je hebt iets van je kamergenoten verzwegen en het is van belang dat wij dat weten, begrepen?", tierde de SS-er. "Maar ik heb niets verzwegen, ik weet niets!" "Jij verzwijgt iets en wij moeten weten wat dat is, begrepen?" En zij sleurden hem zonder pardon.

"In de folterkamer zul je wel bekennen!" De bewakers sloegen en stampten hem tot ze aan de gruwelkamer waren. Ze liepen door een lange gang die kil en zéér schaars verlicht was. Aangekomen bonden ze zijn handen op zijn rug, met een koord die aan een katrol en aan de muur bevestigd was. De SS-er trok er aan en hees Alex omhoog. Daarna sloegen ze met een zweep op zijn voetzolen. Vervolgens lieten ze de koord los, waardoor tiet slachtoffer met een plof op de houten wichel viel die op de grond lag. Bij deze val gilde hij het uit van pijn en smeekte: "Maak mij los, ik hou het niet meer uit!" "Zeg ons wat je weet en ik zal je uit deze pijnen verlossen.!" Uitgeput van de vele martelingen kon hij nog net fluisteren: "Maak mij alstublieft los, ik weet écht niets, genade!" Bij dit gezegde hesen de bewakers hem wéér omhoog. Ze hadden plezier in hun martelpraktijken. Alex hing reeds een hele tijd in de hoogte toen hij smekend vroeg: "Maak mij los, ik hou het niet meer uit!" Na enkele seconden viel hij bewusteloos. De SS-er gooide een emmer ijskoud water op Alex hoofd. Toen hij bijkwam lieten de bewakers andermaal de koord los. "Ga je nu eindelijk zeggen wat je weet?" Alex stem werd met de minuut zwakker en lispelde: "Ik weet niets!" Toen de bewakers hem losmaakten dacht hij opgelucht: "Eindelijk wordt ik naar mijn slaapplaats gebracht...” Maar tot zijn ontzetting werd hij ruw op een oud versleten krukje geduwd. De bewakers bonden zijn handen voor de tweede maal op zijn rug. Ze zwaaiden dreigend met een stuk prikkeldraad en bulderden: "Wanneer ga je nu eindelijk alles vertellen wat je weet?" Totaal uitgeput van de doorstane folteringen antwoordde hij fluisterend: Ik kan jullie niets vertellen, want ik weet niets!” Bij deze woorden werden de SS-ers woest en doorkerfden zijn rug tot het bloed uit de diepe wonden spoot... De witgekalkte muren kleurden zich rood... Alex pijnlijke uitroepen waren te horen tot in Rudy's slaapzaal. Rudy rilde bij deze martelingen.

Op zekere dag, het was 10 mei 1943, het regende pijpenstelen. Luitenant Prauss vond het amusant om de gevangenen in de gutsende regen te laten werken. De gevangenen hadden kaal-geschoren hoofden en hadden geen muts. Enkel een kamphemd vol gaten en een kakibroek. De modder kleefde op hun huid. Vooraleer naar binnen te mogen moesten ze eerst hollen, zich laten vallen, opstaan, enz... Ze hoorden urenlang: “Hinlegen, aufstehen!" Nadien in het gelid. Vervolgens schoppen en houwelen in het vuile water reinigen, geen greintje slijk mocht er nog te zien zijn. Zoniet kregen ze straf... Uitgeput door de vele pesterijen mochten ze eindelijk na een karige maaltijd naar bed.

Hoofdstuk 2: De deportatie

Een jaar later, 't was 7 mei 1944, omstreeks 17 uur. De gevangenen hadden net gedaan met hun zware werk toen Prauss kwam en nijdig riep: "Vlug naar de appélplaats luilakken, vlug, vlug!" De bewakers dreven de gevangenen met stampen en slaan naar de vergaderplaats. Wie viel werd afgeranseld. Prauss stond reeds gereed met zijn handen in zijn zijde met zijn benen wijdopen gespreid. Toen alle gevangen op hun plaats stonden, begon hij te spreken terwijl hij grimmig rondkeek: "Luister, jullie tijd is hier voorbij, morgen worden jullie naar Duitsland gedeporteerd, jullie kunnen uw burgerkleding gaan halen in de Stube (kamer) waar jullie bij uw aankomst hier in Breendonk ontvangen werden en maak nu maar dat jullie vlug wegkomen, schnell, schnell!" Rudy kon wel zingen van geluk toen hij het goede nieuws hoorde. Bij zijn aankomst zei hij fluisterend: "Zeg Alex, ik ben blij dat wij hier weggaan, ik vraag mij af waar wij naartoe worden gezonden, daar ergens in Duitsland!" "Als ik dàt wist zou ik het je zeggen!" Hij schudde met zijn hoofd en ging verder: " misschien worden wij wel naar Buchenwald of naar Auschwitz gestuurd, ik zie de toekomst somber in!" “Zeg Alex, sinds wanneer ligt Auschwitz in Duitsland, dat ligt toch in Polen?" "Och 't is al eender waar het ligt, ik ben bang dat een ander kamp nog véél slechter zal zijn!" "Ja maar véél slechter dan hier in Breendonk zal het toch niet zijn, denk ik!" Plots mengde zich iemand in het gesprek. Rudy hoorde een bekende stem en draaide zich om... “Hey Armand, hoe ben jij hier terecht gekomen?" “Och Rudy, dàt is een lang verhaal, toen jij opgepakt werd, jij zat net in die camion, je vrouw huilde en huilde en riep alsmaar: "Ik wil mijn man terug!” Greep die SS-er haar vast en sloeg haar waar hij haar raken kon!" Ik verdedigde haar uit alle macht en probeerde die SS-er van haar weg te trekken, terwijl ik nijdig riep: "Blijf van die vrouw, ze heeft niets misdaan, vuile Duitser!" Hierop kwamen nog twee bewakers die mij in de gereedstaande camion duwden. Ik verzette mij uit alle macht, maar uiteindelijk is het hen toch gelukt, mij in die wagon te krijgen!" "Maar Armand, dat wist ik niet, dan heb jij je vrijheid op het spel gezet voor ons en nu zit je zoals ik in hetzelfde schuitje!" Armand was een goede buur van Rudy en zijn vrouw Annie, ze hadden een goede verstandhouding.

Rudy, Alex en Armand praatten nog een tijdje verder. Toen kwam de bewaker en riep: "'t Is tijd, iedereen naar de slaapzaal, schnell, schnell!" Ze werden als vee uit de Stube gedreven. Bij hun aankomst moesten ze op vuile krukjes gaan zitten. Ze dronken gulzig de dunne soep, die geserveerd werd in ijzeren kommetjes. De slaapzalen waren ingedeeld met in elke rij vier stapelbedden. Waarin ze in elk eenpersoonsbed met z’n drieën sliepen. De witgekalkte muren, voor zover ze dat nog waren, waren zéér vuil. Toen het tijd werd moest iedereen naar bed.

Die nacht, Alex kon niet slapen, hij woelde en draaide van de ene zijde op de andere. Hij kon het enge voorgevoel niet van zich afzetten, hij dacht steeds aan de nieuwe bestemming. Na enige tijd kroop hij geruisloos uit het bed, de martelingen deden nog erg veel pijn. Hij liep naar de overzijde waar Rudy sliep. Heel stil fluisterde hij: "Rudy, ben je wakker, ik kan niet slapen!" Rudy keek verbaasd naar zijn vriend en vroeg terwijl hij zich strekte: "Wat is er, ik was juist ingeslapen!" Ik kan het voorgevoel over de nieuwe bestemming niet van mij afzetten, ik denk dat wij ergens gestuurd worden waar het nog strenger is dan hier!" "Zeg Alex, overdrijf je nu niet te veel, daar kan het toch niet erger zijn dan waar wij nu zijn, neen dàt kan ik mij niet voorstellen!" "Toch Rudy, ik kan dat gevoel niet kwijt!" Eén van de andere gevangenen hoorde een geluid en riep fluisterend: "Vlug Alex!", riep hij, "ga vlug in je bed, want ik hoor iemand!" Als de bliksem liep hij vlug naar zijn slaapplaats, trok de deken over zich heen en wachtte angstig af... Hij luisterde aandachtig naar de zware voetstappen die steeds dichterbij kwamen... maar de bewaker liep de slaapzaal voorbij. "Oef!" dacht hij, " het gevaar is geweken!"

Bij het ochtendgloren schudden de bewakers de gevangenen brutaal wakker. In een ijltempo moesten ze zoals iedere morgen de nachtemmers ledigen, de bedden opmaken, die zoals steeds grondig gecontroleerd werden. De slaapzaal moest met veel water gereinigd. Er was echter geen materiaal om dit werk behoorlijk te doen... Met hun zakdoek, of wat er nog van overbleef, reinigden ze de vloer. De gevangenen kregen nog een kop koffie, gemaakt van eikels. Enkelen hadden hem reeds leeggedronken, toen de bewaker kwam om hen naar de ingang van het fort te drijven.

Een enorme rij vrachtwagens stond reeds klaar. Prauss donderde: “Schnell, schnell, in de camions en op jullie knieën gaan zitten en stil zijn begrepen?" Ze reden over hobbelige wegen. Rudy kreeg krampen in zijn benen, zijn knieën deden vreselijk veel pijn. Toen ze in het station aankwamen liet hij een zucht van verlichting. “Eindelijk!", zei hij tot Alex, die naast hem zat, "we zijn er, ik voel mijn knieën niet meer, ik hoop nu maar dat de trein wat comfortabeler is!", terwijl hij met een pijnlijk gelaat over zijn benen streek. "Je zei toch comfortabeler, hé, misschien moeten wij daar ook op onze knieën zitten, de bewakers kennen geen respect in oorlogstijd!" “Ja, ja, wij zijn gevangenen, rust wordt ons niet gegund.” Hun gesprek werd onderbroken doordat één van de bewakers de ijzeren deur met een ruk opengooide. Gelukkig had hij die twee niet gezien..."Aufstehen, luilakken!", terwijl hij dreigend met zijn matrak zwaaide. De SS-ers sleurden de gevangenen met stampen en slaan uit de truck.

Een bewaker nam Rudy beet en sleurde hem zonder genade uit de camion, hierbij struikelde hij, toen hij recht kroop zag hij een reeks goederenwagons staan. Mijmerend stond hij er naar te kijken, toen hij plots een fikse slag op zijn achterhoofd kreeg. "Hey, droom als je tijd hebt, vooruit, instappen, schnell, schnell!", riep een bewaker woedend. Een oude man was niet goed te been en had moeilijkheden om in het hoge rijtuig te kruipen. De bewaker riep: "Kan dat niet wat vlugger, of moet ik je erin slaan?" Bij deze woorden liep de SS-er als razend naar de arme man en begon woedend op hem te stampen en te slaan. Als een wrak werd hij in de beestenwagon gesleurd. Per zestig werden de gevangenen er in geduwd. In de ruimte bevonden zich enkele emmers drinkwater, rechts stond een kube (een ijzeren vat) dat als toilet moest dienen. Er binnen was de stank ondraaglijk en het was er verschrikkelijk vuil. De grijze verf hing in slierten aan de wand. De buitenzijde gaf eveneens een akelig uitzicht, ook hier bengelde de verf aan de muur. Hoe langer ze reden des te benauwder het werd, want het was er vreselijk warm. Iedereen begon te zweten. Het kleine raampje, niet groter dan 25 cm doorsnee, was de enige verluchting. Rudy, die neergehurkt zat, kreeg het zweet van Louis op zijn lichaam. "Pff!", zei hij zuchtend, wat is het hier warm, ik word er misselijk van!" Terwijl hij sprak veegde hij de zweetdruppels van zijn gelaat, die op zijn gezicht parelden. "Dàt mag je wel zeggen, wij zitten net aan de evenaar.” Louis was zoals Rudy dezelfde dag opgepakt. Ze waren tijdens hun verblijf in Breendonk zéér goede vrienden geworden. Zo praatten ze nog een tijdje over koetjes en kalfjes toen plots de trein stopte. "Waar zijn we nu?", vroeg Rudy aan Alex die aan het kleine raampje stond. Alex kon op het grote bord lezen dat ze in Schaarbeek waren. Dààr werden nog eens krijgsgevangenen opgeladen. Eerst hadden de gevangenen nog een beetje plaats, nu plakten ze letterlijk en figuurlijk opeen. Rudy en de andere gevangenen hadden in Breendonk een potlood kunnen bemachtigen. Rudy nam het papiertje dat in zijn zak zat en schreef een briefje voor zijn vrouw Annie en zijn kinderen.

“Liefste Annie, Ilse en Marijke Ik hoop dat dit briefje je zal bereiken, ik heb het zéér vlug geschreven. Ik kon een potlood bemachtigen en ik laat jullie weten dat wij vandaag 8 mei 1944 gedeporteerd worden naar Duitsland. Ik sluit nu mijn briefje en hoop vlug terug bij jullie te zijn. Veel liefs van je man en vele kussen voor de kinderen!"

Onderaan van de brief schreef hij zijn thuisadres, vouwde het op en gaf het aan Alex, die het vervolgens door het kleine raampje gooide. De overige gevangenen deden hetzelfde en gooiden eveneens de briefjes door het raampje.

Toen de trein zich weer in beweging zette, liet iedereen een zucht van verlichting. Rudy zei: "Zeg Louis, ik hoop nu maar dat die briefjes terecht zullen komen!" " En ik hoop dat we vlug weer thuis zullen zijn!" “Vergeet dat maar en heel vlug, dàt zie ik voorlopig niet zitten!" “Hey!", riep één van de SS-ers, die op het dak van de beestenwagon zaten, "stilte, of ik schiet jullie koppen eraf, begrepen?" Bij deze woorden schoten de bewakers effectief door het dak van de goederenwagon. “Die SS-ers hangen mijn voeten uit, ik hoor de ganse dag: “stilte of ik schiet”, steeds maar opnieuw, “stilte!" ik word er gek van, ik wil naar huis!" "Ja je bent niet alleen, ik wil dat ook, maar in de nabije toekomst zie ik dat niet zitten!" Rudy wilde vluchten, maar de bewaking had overal ogen en oren...

De trein reed overal rond, omdat de sporen gesaboteerd of gebombardeerd waren. Eindelijk bereikte de trein bij valavond het Groot Hertogdom Luxemburg. De gevangenen hadden nog steeds niet gerust, er werd echter wel om beurten gewisseld, zodat degene die rechtstond ook eens kon neerhurken. ’t Was reeds acht uur in de avond, ze zaten reeds in de trein van zeven uur 's morgens en waren doodvermoeid. De gevangenen die rechtstonden moesten staande slapen, het zweet blonk op hun lichamen. Toen ze die morgen wakker werden stond de trein in Coblenz om een andere locomotief aan te koppelen. Nadien reed hij nog de ganse dag door Duitsland. In de late namiddag reed hij door Erfurt en in de late vooravond arriveerden ze in Weimar.

Rudy die intussen zijn plaats had gewisseld met een van de andere gevangenen keek door het raampje en zei: "Hier is niets te zien, hier zullen wij zeker niet moeten uitstappen!" "Zou het nog ver zijn?”, vroeg Louis, “want ik ben doodop!" De vraag van Louis was nog niet goed koud toen de trein zich weer in beweging zette. Rudy zei: "Zie je wel, hier moesten wij niet uitstappen, ik ga wat proberen te slapen, want misschien moeten wij een tweede nacht in deze rotwagon doorbrengen!" “Zeg dat het niet waar is!", mengde Alex zich in het gesprek, "niet nogmaals een nacht in deze stinkwagon, dan ben ik morgen kapot!" "Misschien komen wij wel binnen enkele uurtjes op onze bestemming aan!", probeerde Louis nog troostend te zeggen. Hun gesprek werd nogmaals onderbroken, omdat de trein wéér stopte. Rudy keek door het raampje en zag de SS-ers, die hen stonden op te wachten. Met een ruk werden de deuren opengegooid, één van hen riep dreigend: "Aufstehen, schnell, schnell!" Ze sloegen en stampten tot iedereen uitgestapt was. Wat verder werd er een man geslagen, omdat hij niet vlug genoeg was, bij zijn val brak hij zijn enkel, hij huilde van pijn. De bewaker riep nijdig in het Duits: "Sta op luilak, vooruit en gehoorzaam!" "Ik kan niet, mijn voet doet pijn!", riep de man, aan zijn voet wrijvend. De bewaker had er geen gehoor naar en sloeg hem met zijn matrak. Hij smeekte: "Laat mij hier alleen liggen, de pijn aan mijn voet is ondraaglijk, ik kan écht niet opstaan!" “Als je niet onmiddellijk rechtstaat dan sla ik je dood, begrepen?" Met zijn laatste krachten die hij nog had probeerde hij te gehoorzamen, maar hij viel huilend van pijn terug op de grond... De bewaker riep rood van woede: “Ik sla jou dood, ouwe zak!" Rudy werd boos en liep naar het slachtoffer zonder aan de straf te denken die hij zou oplopen. Eén van de bewakers riep: "Als je hem helpt, slaan wij jou verrot, begrepen?" De gevangenen die stonden toe te kijken hadden medelijden met hem. Een SS-er riep in het Duits: “Hey, wat valt er te zien?" "Jullie zijn hier niet op vakantie hoor, vlug, vlug in rijen van vijf!" Hij dreef hen met de nodige stampen en slaan door de Bloedstraat, dat het eerste gedeelte was naar de ingang van het kamp "Buchenwald".

De gevangenen waren net wrakken. De Caracho-weg was reeds in zicht... Dààr stonden andere bewakers hen op te wachten met hun gevaarlijke herdershonden... Wat verder struikelde één van de gevangenen. Eén van de dieren die hierop getraind was liep naar de arme man en verscheurde hem... De gevangenen mochten niet kijken, ze werden steeds voortgedreven door de bewakers, die alsmaar riepen: "Caracho!" wat een zéér vernederend woord was. Toen de stoet eindelijk aankwam werden ze ontvangen door de in het groen geklede Lagerschutsen, die eveneens gevangenen waren. Na die gruwelijke ontvangst met de gevaarlijke honden werden ze naar houten barakken gebracht: "Het Block"genoemd. Bij hun aankomst zei de bewaker: "Hier is jullie definitieve verblijfplaats, jullie moeten de bedden delen met nog negen andere gevangenen.”

Rudy keek ontdaan naar het bed dat amper plaats bood voor twee personen. Daarom vroeg hij: "Moeten wij dààrin met z’n tienen slapen?" "Jazeker, of denk je dat je hier op hotel bent?" Alex kneep in Rudy's hand, opdat hij zijn mond zou houden. Toen iedereen zich ter ruste legde was het nog even zoeken hoe ze het best zouden liggen om toch een béétje comfort te hebben... De ene sliep met zijn voeten in het gezicht van de andere en omgekeerd. Toen iedereen in bed lag werd het stil met de vlooien als gezelschap...

Hoofdstuk 3: In quarantaine

De volgende morgen, rond vijf uur, de bewaker kwam en riep: "Opstaan vlug, vlug” en hij floot zo hard hij kon op zijn vingers om de gevangenen te wekken. “De nieuwelingen moeten in rijen van vijf gaan staan, de oud-gevangenen doen zoals steeds hetzelfde! En vlug wat, wij gaan een kopje koffie drinken!", riep de bewaker luid. Alain die naast Rudy stond zei: "Wij krijgen kneip, ik lust hem niet, maar ik raad je toch aan het te drinken, wil je niet omkomen van de dorst!" "Mij hoef je dat niet te zeggen, toen ik in Breendonk was dronken wij koffie, gemaakt van eikels en dat smaakte zéér slecht!", zei Rudy terwijl beiden naar de eetzaal liepen. "Sorry hoor, maar mag ik weten hoe uw naam is?" "Alain!" " En jij?" "Rudy, maar hoe is de behandeling in dit kamp?" “Dat valt nogal mee!" "Is het hier ook zo streng en werd jij ook door die bloedhonden ontvangen toen je hier aankwam?" "Ja, ik heb toen de schrik van mijn leven beleefd, het verblijf in qaurantaine valt wel mee, je wordt ingespoten tegen alle mogelijke ziekten, de behandeling is hier goed; ik heb reeds kennis gemaakt met een zekere Armand, hij vertelde mij veel over Breendonk!" Alain keek spiedend rond terwijl hij sprak, hij was bang dat de bewakers hem zagen praten. "Ben je hier allang?" “Drie weken, kom Rudy we gaan vlug in de rij staan, anders krijgen wij niets!" " Ik heb van de andere gevangenen gehoord dat wij hier meer eten zullen krijgen dan in Breendonk, is dat waar?" " Dàt kan ik je niet zeggen, want ik ben er nooit geweest, wat ik je nog wilde zeggen, je krijgt nu enkel koffie!" "Krijgen wij enkel 's morgens koffie?", vroeg Rudy ontdaan. "Neen en zwijg nu!" Alain keek naar de bewaker die net hun kant opkwam. "Niet praten!", riep de bewaker in het Duits, "en blijf in de rij staan!" Rudy keek hem verbaasd na en vroeg: "Zeg Alain, krijgen wij geen straf of slaag?" "Neen, als wij maar niet te lang praten, anders wordt hij wél boos!"

Toen iedereen bediend was moesten ze in rijen van vijf gaan staan om naar een ander gebouw gebracht te worden. Bij hun aankomst riep een bewaker, hen eerst aandachtig bekijkend: "Kleden jullie zich uit en gooi uw burgerkleding hier voor mij op een hoop, alsook uw persoonlijke bezittingen!" Rudy keek naar een tafel waaraan een bewaker zat, voor hem lag een enorme hoop gele formulieren. Rudy en Alex kwamen als eersten aan de beurt. "Vul op dit papier uw naam, adres, geboortedatum, uw politieke overtuiging en uw beroepskennis in!" Als politieke overtuiging schreef Rudy: "Geen interesse" en als beroepskennis schreef hij: "fabrieksarbeider." Toen iedereen hiermee klaar was klonk het schrille fluitje. "Iedereen in rijen van vijf, wij gaan nu naar de kelder!" De kappers stonden reeds klaar om hen te scheren... Rudy werd als eerste behandeld. De bewaker zei nors: "Ga op deze houten bak liggen, schnell, schnell!" Rudy keek hem verwonderd aan en dacht: "Scheert men tegenwoordig al liggend?" Als eerste werk knipte de kapper Rudy's hoofdharen, daarna zijn baard, onder zijn oksels en als laatste zijn geslachtsdelen. Door het lange verblijf in Breendonk wist hij dat hij moest zwijgen of... "Allemaal in rijen van twee, schnell, schnell, ik heb niet de hele dag hoor!", riep de bewaker in het Duits. In een andere zaal aangekomen, zag Rudy een grote badkuip met water... De bewaker riep nijdig: "Iedereen in dat bad, schnell, schnell!" Aarzelend kroop hij in de stinkende massa. Hij dacht: "Oh, dat bad stinkt naar Kreoline!" In het water waakte hij ervoor dat zijn hoofd boven water bleef. Maar de bewaker duwde hem helemaal onder en zei: "Je moet zoals de anderen gans onder gaan, begrepen?" Rudy bekeek de SS-er met vlammende ogen. De Kreoline liep langs zijn mond ...Hij wist zich echter te beheersen... Zijn ogen prikten hevig. Hij had het gevoel dat ze aan het verbranden waren. Vlug zocht hij met zijn handen voor zijn ogen een handdoek of wat ervoor moest doorgaan om ze af te drogen. De pijn van het Kreoline-bad werd met de minuut heviger... Toen de laatste gevangene klaar was moesten ze naar de nabijgelegen zaal waar de douches waren.

Met een zucht van verlichting ging hij onder de waterstraal staan, waar eerst ijskoud water uitkwam. Rillend van de koude sprong hij uit de douche. De bewaker zag het en duwde hem er onzacht weer in. De bewakers hadden plezier in dit schouwspel, hun gelach klonk akelig... Na een zéér lange tijd koud water over zich heen te hebben gehad kwam er daarna zéér heet water over Rudy's lichaam. Geschrokken sprong hij er voor de tweede maal uit. Opnieuw sleurden de bewakers hem met zijn hoofdharen er weer in... Zijn lichaam deed overal pijn... De Kreoline brandde zijn huid helemaal kapot en het hete water deed de rest... Als de gevangenen zich gingen afdrogen moesten ze door een venster kruipen. De handdoek die daarvoor moest doorgaan was een vuile vieze vod. Toen ze het schrille fluitje hoorden, moesten de gevangenen terug in rijen van twee staan. De bewaker riep: "Iedereen de trap op, schnell,schnell!"

Toen ze in een grote zaal arriveerden zag Rudy enkele tafels waaraan bewakers zaten. De witgekalkte muren waren zéér vuil. "Hey jij daar!", riep een bewaker nijdig, "sta daar zo niet te gapen en kom naar hier, schnell, schnell!" Geschrokken keek Rudy naar de eerste tafel vanwaar hij het geluid gehoord had. Bij de bewaker gekomen kreeg hij plots een vuil stinkend hemd, besmeurd met drek en bloed naar zijn hoofd gesmeten. Wat waarschijnlijk van de vorige gevangene was geweest die een nekschot had gekregen of geëvacueerd werd... Hij keek met afkeer naar het vuile kledingstuk, maar hij bleef uiterst kalm. Bij de tweede tafel kreeg hij een vuile broek naar zijn hoofd geslingerd en bij de derde tafel kreeg hij een bijpassende vest met strepen, een paar kousen met veel gaten erin met lappen erop genaaid, een paar houtschoenen, die er als volgt uitzagen: een houten klomp met een eenvoudige zool en een lint dat aan de buitenkant werd vastgeknoopt. Ze waren de afgrijselijkste voorwerpen in het kamp. Ze sneden als messen in je enkels. De gevangen waren verplicht hun voeten hoog op te heffen. Dit was natuurlijk zéér moeilijk bij het stappen, ze waren bovendien zéér glad. In het kamp liep een weg met uitstekende stenen en om hierop te gaan, op rotsachtige bodem zakten ze diep in het slijk.

Bovengekomen moesten ze de medaille afgeven die ze bij hun aankomst in Buchenwald ontvangen hadden. De bewaker zei:"Hier zijn twee lapjes met uw zes kampnummers, één moet op uw linkerborst en het andere op uw rechterbroekspijp ter hoogte van uw hand!" Toen iedereen bediend was werden van hen een reeks foto`s genomen, waarop het kampnummer goed zichtbaar was. De gevangenen werden als boeven behandeld. Plots klonk uit de Chinese toren: "Aandacht, aandacht, iedere morgen moeten jullie de toiletbakken met twee naar de omliggende velden brengen, de bewakers kiezen de twee gevangenen uit die deze karwei moeten opknappen!" Het was reeds laat geworden, de gevangenen hadden honger, ze hadden die morgen nog niets gegeten. Diezelfde dag werden Armand en Rudy met de karwei belast om de zware bak met drek weg te brengen. Onderweg brubbelde de vuiligheid op hun gevangeniskleding. Rudy zei:" Wat een viezigheid, kijk mijn broek hangt vol drek, bah!" “Ik hoop maar!", antwoordde Armand, "dat we dit werk niet te veel moeten doen, ik stink zeven uren boven de wind!" Alex en Alain kregen de opdracht het betonijzer uit de naburige fabrieken te dragen, wat zéér zwaar werk was. Het beton sneed in hun handen en vertoonde na enige tijd enkel rauw vlees. De werktijden waren van vier uur ’s morgens tot zonsondergang. In het Lager van het kamp Buchenwald werden de gevangenen menselijker behandeld dan in Breendonk. ’s Morgens kregen ze brood met confituur, 's middags een dunne watersoep met een stokbrood van min of meer tweehonderddertig gram, 's avonds kregen ze dezelfde maaltijd zoals iedere morgen. De bedeling geschiedde per barak, het stokbrood woog tweehonderdvijftig gram, waarvan de helft diende bewaard te worden voor de volgende morgen. 's Anderendaags kregen Armand en Alex de opdracht om stenen uit de steengroeve te halen. Rudy verbleef reeds twee dagen in quarantaine (Lager Shutzen).

De dokter kwam hen bezoeken met een reeks spuiten bij zich. Hij vroeg vriendelijk: "Willen jullie zo goed zijn jullie te ontkleden, want ik moet jullie inspuiten tegen: Klem, Thyphus, pest en tuberculose!" Terwijl hij dit zei maakte hij de inspuiting klaar om te beginnen. Rudy keek argwanend en tegelijk angstig naar de dokter. De kampdokter zag het en zei: "Van mij hoef je geen schrik te hebben, wij zijn niet wreed, maar ginder, dààr is het anders...” “Worden wij na een tijdje erheen gestuurd?" "Ja, om in Buchenwald te blijven hangt af van je politieke overtuiging!" "Hoezo, dat hangt van je politieke overtuiging af, wat heeft dàt ermee te maken?" "Heel veel, wat heb je op het gele formulier ingevuld?" "Dat ik in politiek niet geïnteresseerd ben!" "En welk beroep heb je opgegeven?" "Fabrieksarbeider!" "Maar man!”, riep de dokter ontzet, "nu loop je kans om naar Dora of naar Elrich gestuurd te worden, het laatste kamp is bepaald geen lachertje om er als een gevangene te verblijven!" "Waarom moet ik liegen, ik heb écht geen interesse in de politiek en een beroep heb ik ook niet!" De dokter bekeek hem medelijdend en zei: "Je had dit beter niet geschreven, want als je opschrijft dat je geen interesse hebt en bovendien fabrieksarbeider bent dan moet ik je zeggen dat je toekomst er somber uitziet, ik weet dat Elrich gruwelijk is!" "lk kan mij niet voorstellen dat het in een ander kamp erger zou zijn dan in Breendonk!" "Dat denk je maar, ik kan je verzekeren dat Elrich dé hel is!" Rudy was nu toch erg ongerust geworden door de uitlatingen van de kampdokter, daarom vroeg hij angstig: “Hoelang kunnen wij hier nog blijven, voordat wij overgeplaatst worden?" "De gevangenen verblijven hier gewoonlijk een veertiental dagen, ik moet nu afscheid nemen, want als de bewakers mij hier zien praten dan zal het er stuiven, die mannen zijn niet mals hoor. Ik ga nu naar de andere barakken, binnen enkele dagen kom ik terug, dan zullen wij verder praten!" Toen de kampdokter weg was dacht Rudy nog lang na over het enge gesprek. "Wat staat ons ginder te wachten!"

Enkele dagen later... De kampdokter was reeds verscheidene keren geweest. Plots hoorde Rudy uit de pagode-toren roepen: “Iedereen naar het appél, schnell, schnell!" Hij dacht verbaasd: "Moeten wij nu wéér verzamelen, we zijn er pas over een uur geweest!" "Wat gebeurt er toch, worden wij op transport gezet?”, vroeg Alain een tikkeltje nerveus. "Kom jongens, we gaan vlug, anders krijgen die SS-ers nog een hartaanval van woede!" Toen iedereen op zijn plaats stond riep de bewaker: "Uw quarantainetijd is voorbij, sommigen van jullie worden op transport gezet! In Niedersachsenwerfen, zo'n honderd kilometer verder wordt er over uw lot beslist. Ga in rijen van vijf staan en loop naar de poort waar een goederentrein jullie opwacht!" De gevangenen werden per honderd onzacht in de beestenwagon geduwd. Zitten of neerhurken was onmogelijk, ze zaten letterlijk en figuurlijk opeengepakt, bovendien was er geen water of sanitair aanwezig... Iedereen had angst om naar Dora of naar Elrich gestuurd te worden. Na enkele uren arriveerde de trein. De bewakers donderden in het Duits:"Vooruit, vlug uitstappen luilakken!" Ze sleurden iedereen met hun hoofdharen uit de trein terwijl ze riepen: "Vlug in rijen van twee, vlug, vlug!" De bewakers dreven de gevangenen naar een nabijgelegen weide. Rudy genoot van de frisse buitenlucht en keek naar de vogels in de lucht. "Die zijn gelukkig, want die zijn vrij, wanneer is het voor ons zover?" Zo mijmerde hij nog een tijdje verder, tot hij plots werd opgeschrikt door een nijdige stem: "Hey, jij daar, wat sta je daar te dromen, maak dat je als de bliksem terug in de rij staat, dreckjude!" De gevangenen die geen beroep hadden werden rechts gezet, zoals, dokters, advocaten, fabrieksarbeiders, enz... Rudy, Alain, Alex en Armand stonden rechts, dus moesten ze allen op transsport naar een onbekende bestemming...

Hoofdstuk 4: Arbeidscommando SS-Elrich

In de muffe ruimte van de treinwagon werd het na een tijdje veel te warm. Rudy die een plaatsje bemachtigd had in een hoek zei tot Alex: "Ik hoop dat deze reis niet zolang duurt, dan toen wij vanuit Breendonk naar Buchenwald reden, dit zou ik niet overleven, we hadden eten noch drinken!" "Ik!, zei Alex, "zou het ook niet overleven, mijn keel was zo droog dat ik niet meer kon slikken!" De beide vrienden praatten nog lang na, tot de trein plots stilhield. De deuren werden met een ruk opengesmeten; een SS-er riep: "Aufstehen, schnell, schnell!" In rijen van vijf marcheerden de gevangenen naar een grijs akelig gebouw. Bij hun aankomst werd de blauwe gestreepte gevangeniskleding uitgedeeld. Daarna werden de gevangenen terug naar de trein gedreven en wéér was de bestemming onbekend...

De Luftwaffe die bewakers waren, gedroegen zich zéér gemoedelijk terwijl ze erop toezagen dat niemand vluchtte ... De reis naar Niedersachsenwerfen verliep zeer vlot. Toen het gevaarte hier halt hield moesten ze uitstappen. Rudy snoof met volle teugen de frisse lucht op. Terwijl hij rondkeek bemerkte hij tussen de beboste heuvels talrijke gipsfabrieken die waarschijnlijk in vroegere tijden de voornaamste bedrijvigheid van deze streek moet geweest zijn. Veel van deze firma’s lagen reeds lange tijd stil. Terwijl hij naar deze gebouwen stond te kijken vroeg hij zich af waar ze zich bevonden, daarom ging hij naar de bewaker die wat verder stond en vroeg: "Mag ik eens iets vragen, alstublieft?" De bewaker keek verwonderd naar hem en zei op zijn beurt: ".Jazeker, wat is er?" "Zijn wij hier in het Harzgebied?" “Jazeker!", antwoordde hij geamuseerd, "waarom vraag je dat?" "Oh, zomaar!". Rudy probeerde zo onverschillig mogelijk te spreken, hij wist dat het concentratiekamp Dora in dit gebied lag. Alex keek naar Rudy, die zag dat hij met een bewaker aan het spreken was, hij ging dichterbij staan om het gesprek op te vangen. Toen hij van de bewaker wegging liep Alex zo vlug mogelijk naar Rudy en zei bezorgd: "Rud, wij staan er niet goed voor, want wij zijn hier in het Harzgebied, dat betekent dat het concentratiekamp Dora zich hier ergens moet bevinden, dat betekent voor ons dé hel!" "De hel, hier?", zei Rudy ongelovig, “en dat het hier nog gruwelijker is dan in Breendonk, neen dàt kan ik mij niet voorstellen!" "Dààr in België hebben wij zowaar de hel meegemaakt!", zei Alex met bedrukte stem, "hier zou het nog erger zijn dan in Breendonk, dàt was maar een voorsmaakje van wat ons hier te wachten staat, heeft een ex­gevangene mij verteld!" "Als ik aan Dora denk, dan krijg ik kippenvel, brrr..” Rudy zei: "Zie je die duif, die is vrij, wanneer zullen wij naar huis mogen en wat staat ons hier te wachten?" De twee vrienden stonden reeds een hele tijd te praten toen de bewaker riep: "Hey, jullie praten maar als er tijd is en kom hier bij de groep en vlug!" Bij deze woorden richtte hij zich naar de andere gevangenen en riep: "Vooruit in rijen van twee, wij gaan jullie verdelen!" De gevangenen die voor Elrich bestemd waren moesten links gaan staan en die voor Dora rechts. De gevangenen vroegen zich af wat deze verdeling te betekenen had. Toen de bewaker druk doende de groep verder splitste, fluisterde Alex: "Waarom moeten wij links en die anderen rechts, wat zou dàt te betekenen hebben?" "Als ik dat wist, zou ik het jou zeggen en zwijg nu, want de bewaker kijkt naar ons!" De beide vrienden stonden stokstijf toen de SS-er nogmaals naar hen keek. Na enkele minuten kwamen de gevangenen in het kamp aan en werden ze naar de barakken gebracht. De verse strozakken waren een weldaad na de vlooienplaag in het kamp Buchenwald. De dag na hun aankomst werden ze direct aan het werk gezet. In het midden van het domein werd een zwembad gebouwd. De gevangenen moesten de uitgestoken graszoden en aardkluiten in hun handen wegdragen. Alex fluisterde: "Zeg Rudy, ik vind dit werk maar niks, het kon ook met een machien gedaan worden, ik ga er niet al te veel ijver aan toe leggen, vindt jij ook niet?” "Dat kan je wel zeggen, met een machien zou het veel vlugger gedaan zijn, maar ja zoiets kennen ze hier blijkbaar niet, ik ga mij ook niet vermoeien, hoor!"

Enkele minuten later brak de hel los... Een aantal zigeunerknapen tussen de veertien en de achttien jaar met knuppels en eveneens gevangenen sloegen hen duchtig. Rudy keek voorzichtig naar een oude man die enkele meters voor hem liep en niet meer zo goed te been was. Eén van de zigeuners riep woedend: (in het Duits) "Vooruit luilak, loop wat vlugger of moet ik je verrot slaan?" "Heb medelijden, ik kan niet meer zo vlug lopen, ik ben een oude man!" Maar de zestienjarige zigeuner had hier geen oren naar en riep nogmaals nijdig: "Wel, komt er nog wat van?" Toen hij zag dat de man traag blééf lopen, sloeg hij hem waar hij hem raken kon, steeds tierend: "Loop wat vlugger, rotzak, of moet ik je doodslaan?" "Neen ik zal mijn best doen!" De jonge zigeuner vond er plezier in de oude man te pesten en sloeg hem tot hij niet meer bewoog. De gemoedelijke militaire Luftwaffe keken toe maar deden niets... Ze wilden dat de opgelegde discipline werd nageleefd... Deze gruwelijke hel duurde drie dagen. De weldaden van deze wapenstilstand was echter niet van lange duur. Enkele dagen later werden er een paar honderd gevangenen, waaronder Rudy en Alex naar Dora weggevoerd. Een oud fabrieksgebouw langs de spoorweg bood onderdak. Het had die dag fel geregend, de gevangenen zakten tijdens hun weg volledig in het slijk.

Op een dag, Rudy en Alex waren zich aan het scheren toen drie bewakers het waslokaal binnenvielen. Eén van hen zei: "Geef dat toiletgerief, schnell, schnell en ook uw rookgerei!" Aarzelend overhandigden Rudy en Alex alles aan de Kapo's. Ze durfden niet klagen uit angst voor de straf, ze vonden het geraadzamer te zwijgen. Het kampleven was zéér zwaar, iedere morgen moesten ze om half vier uit de veren. De slaapbakken waren drie bedden boven elkaar. De zoldering van de slaapzaal was zo laag dat degene die boven sliep niet kon rechtzitten, wat ook het geval was voor degenen die onderaan sliepen. De bedsteden stonden dicht bijeen in lange rijen. Hiertussen was de doorgang amper een schouderbreedte. In deze toestand moesten ze zich aan-of ontkleden in liggende houding. De elektrische lampen verspreidden een karig licht. De bakstenen muren vertoonden ziltige plekken. De zwarte plaveien vertoonden sleet. De zware houten balken die rechtop stonden geplaatst, dienden om de lage zoldering te ondersteunen. Een steil laddertrapje leidde naar de bovenste beddenbak. De slaapzaal was zéér vuil.

's Morgens werden ze naar de wasplaats gedreven. Rudy was nog vermoeid van het zware werk van de dag tevoren en liep er wat loom bij. Eén van de Kapo’s zag het en bulderde: "Hey, jij daar, kun je niet vlugger lopen? ’t is hier geen liefdadigheidsinstelling hoor!" Bij deze woorden liep hij naar Rudy en sloeg en stampte hem. Rudy besloot te blijven liggen zodat de kapo dacht dat hij bewusteloos was. De wasruimte bestond uit enkele kraantjes boven een houten bak. In het vertrek was het zéér vuil. Zeep en een handrek was er niet. Nadat iedereen zijn bagagezakken in bewaring had gegeven bij de Stubendienst was het tijd voor het appél. Als de gevangenen hun Block verlieten mocht er niets op de bedden blijven liggen. Tijdens deze bijeenkomst werden ze steeds opnieuw geteld. Het aantal klopte zogezegd niet. Er werd streng op toegezien of hun honderd gevangenen wel aanwezig waren. Achter het gebouw lag een rotsachtige heuvelkam begroeid met enkele donkere pijnbomen. Links en rechts verhieven zich oude fabrieksgebouwen, waaraan veranderingswerken werden uitgevoerd. De toegangen waren dijkpoelen waarin de schoeisels van de gevangenen bleven steken. Rudy moest telkens door de modder tot aan de spoorweg waar hij zijn dwangarbeid verrichtte. Enkele dagen later werden tachtig gevangenen, waaronder Rudy en Alex, onzacht in een treinwagon geduwd, er was in de ruimte geen plaats om neer te hurken. De gevangenen zaten letterlijk en figuurlijk opeen geplakt. Bij hun aankomst, zo’n zes kilometer verder, werden ze met een onvoorstelbare brutaliteit uit de treinwagon gesleurd. Een oude man die niet zo goed meer ter been was, kreeg het hard te verduren. Hij werd gestampt en geslagen tot hij kermend neerviel. De SS-er riep nijdig: "Schnell, schnell, judebrut, aufstehen!" Met zijn laatste krachten deed hij toch zijn best om de bewaker te gehoorzamen, maar een stekende pijn in zijn heup belette hem dat. "Heb toch medelijden, alstublieft!", smeekte Bernard. "Medelijden, medelijden, wie denk je wel dat je bent? Ik hanteer hier de regels en iedereen moet hier luisteren, begrepen?" "Ik wil wel, maar mijn ledematen doen zo'n pijn, ik kàn niet rechtstaan!" "Wat, wil je niet gehoorzamen? Sluit hem op!" De twee bewakers trokken hem onzacht met zich mee. Huilend van pijn riep hij: "Genade laat mij hier maar liggen, ik houd deze marteling niet vol!" Maar de bewakers luisterden niet naar de jammerkreten van hun slachtoffer en trokken hem zonder pardon mee. De gevangenen keken meewarig naar de arme man. Niemand mocht hem helpen. Rudy poogde nog een laatste maal om te kijken, maar de gevangen werden verder gedreven, ze strompelden door de Dorpstraat waar oude en nieuwe Saksische huizen stonden. De gevels waren gebouwd uit zichtbare gekruiste houten balken en bepleisterde baksteen. In de tussenruimten waren hoge balken en wisselden af met zwarte leien overkappingen. De voortuintjes gaven een gezellige indruk. De vrouwen en de kinderen keken naar de vele magere gestalten.

Na vijftien minuten bereikte de stoet een grote door prikkeldraad afgesloten werf die gelegen was naast de spoorbaan. Hier stopten eveneens een aantal vrachtwagens uit het kamp van Harzungen. Enkele burgers die rondliepen met een Feldwebel, wat wil zeggen dat ze Kapo's waren met grote dikke knuppels in hun handen, wachtten ze op. Ze werden in groepjes opgesteld, geteld en herteld. Bij elk groepje voegde zich één of twee burgers die in verschillende richtingen gingen.

De werkplaats bevond zich aan de voet van de hoogste heuvel in de omgeving van de "Himmelsberg." De gevangenen moesten de spoorweg zo nauwkeurig mogelijk maken. Om zes uur 's morgens gingen vijftien gevangenen aan het werk. Rudy, die naast Rene stond, fluisterde: "Ik ga wat trager werken, doe jij dat ook en zeg het voort!" Dit werd doorverteld van gevangene tot gevangene. Hierdoor vorderde het werk niet. Meester Kruger die een zéér streng uiterlijk had en zéér agressief riep woedend: "Hey, jullie doen hier geen vakantiewerk hoor, vooruit werken of moet ik jullie verrot slaan?" Hij zwaaide lenig met zijn zweep in het rond, waardoor enkele gevangenen er van langs kregen. Tussen twaalf en één uur 's middags kregen ze rust. Het eten bestond uit een dikke brij met gerst en kleine stukjes vlees zonder groenten en één liter soep die amper voldoening bood.

Niettegenstaande dit, was het eten er niet slecht. Het kamp had geen refter of een schuilplaats, zodat iedereen in weer en wind buiten moesten eten. De arbeid viel doorgaans mee, de Meister die de leiding had zei niet zoveel als de gevangenen wat trager werkten. Toen het zeven uur was, werd alles opgeborgen. Daarna was het tijd voor het appél. Eén uur later werden ze naar de trein gedreven die die avond rond acht uur aankwam. Dààr kreeg iedereen een portie brood van zeshonderd gram en een stukje worst. Dit rantsoen diende voor het avondmaal en het ontbijt. De tweede dag in Elrich verliep even kalm als de eerste. De derde dag zagen de gevangenen voor het eerst een lange magere man met scherpe trekken op zijn gelaat en spiedende ogen. De Pruis was een genadeloze commandant. Toen iedereen op appél voor het Block stond klonk plots een nijdige stem: "Warten sie meine herren, sie sollen erst was beleben!" Dit zeggende liep hij langs de gevangenen en bekeek hen met een blik die niets goeds voorspelde...

Rudy fluisterde vlug tot Rene die naast hem stond: "Ik denk dat wij hier wat gaan meemaken, let op mijn woorden!" "Zo te zien ziet hij er geen gemakkelijk heerschap uit!" Commandant Ritz had het pratende stel in het oog. Als een razende leeuw liep hij naar Rene en riep: "Wat had je verdomme te vertellen tegen hem, naast jou? Zeg het en vlug wat!" "I...i...ik heb euh niets gezegd!", antwoordde Rene geschrokken. "Wat!", riep Ritz, "durf je zeggen dat je niets gezegd hebt, als je het niet zegt gaan wij jou martelen, begrepen?" "Ik zei niets!", hield Rene vol. "Breng hem weg en doe met hem wat jullie willen!", beval hij aan de twee bewakers die dichtbij hem stonden. Ze brachten hem naar een donkere vuile cel, openden de zware ijzeren deur en gooiden hem in een donkere hoek terwijl ze riepen: "Nu ga je het ons vertellen, anders...!" Ze sloegen, stampten in Renes maag, op zijn neus die door de vuistslag brak. "Genade!", riep hij plots, “sla mij niet meer, ik heb écht niets gezegd!" “Neen, heb jij niets gezegd? De Commandant heeft jou nochtans zien praten!" Eén van de bewakers greep zijn arm, draaide hem om waardoor deze begon te kraken... Rene riep: "Hou op, ik hou deze martelingen niet meer uit!" "Zeg het ons en wij laten je met rust, in het andere geval breek ik je arm en je polsen, begrepen?" "Ik heb niets gezegd:" "En wij moeten dat geloven? zeggen zul je het, begrepen?" Na een uur brachten de bewakers hun slachtoffer terug naar zijn slaapplaats en gooiden hem bruut op zijn bed, waardoor hij het uitschreeuwde. Hij kon zich haast niet bewegen, zijn gezicht en zijn neus waren gezwollen en de vele blauwe plekken deden hem overal pijn.

Toen Rudy die avond in het Block kwam, schrok hij bij het zien van het gelaat van Rene. Ontzet vroeg hij: "Hey Rene, hoe zie jij eruit, wat hebben die rot-SS-ers jou aangedaan?" "Die Ritz wilde toch weten wat wij gezegd hadden, maar ik zweeg als een graf!" Terwijl hij dit zei, deed hij enkele bewegingen met zijn rechterarm waardoor hij een stekende pijn voelde. Beide vrienden praatte nog een tijdje verder toen Alfons, die reeds acht maanden in Elrich was zei: "Die Ritz is niet tevreden met zo’n honderd doden per dag, wees zéér voorzichtig, want zijn terreur berust op spionage, er zitten overal spionnen, het zijn vertrouwelingen, ze moeten iedereen afluisteren, wees op uw hoede; ik verwittig jullie!” "Goed dat je het zegt!", zei Rudy, ”want dan moet ik goed uit mijn doppen kijken!" Terwijl hij angstig rondkeek of hij niets opmerkte. "Voor je iets zegt moet je eerst rondkijken, want de muren hebben oren. "Dàt heb ik ondervonden,” mengde Rene zich in het gesprek, "die SS-ers hebben mij bijna doodgeslagen, in de toekomst zal ik dubbel voorzichtig zijn, dààr kan je van op aan!"

Rene was juist uitgepraat toen de deur van hun Block met een ruk openvloog. Twee bewakers stormden binnen en riepen: "Het is tijd om naar bed te gaan!" Een bejaarde man, zijn handen waren krom van de reuma, probeerde op het steile trapje te klauteren dat aan het stapelbed hing, maar hij kon zich er met moeite aan vasthouden... De bewakers stampten en sloegen hem met hun matrak, waardoor hij zijn evenwicht verloor. Met een plof viel hij op de grond. De bewakers riepen nijdig: "Ga je nu eindelijk in je bed kruipen, stommerik!" De oude man riep smekend met bebloed gelaat: "Sla mij niet meer, ik heb reuma, heb medelijden, alstublieft!" De bewakers keken geamuseerd, ze schaterden het uit bij het zien hoe hun slachtoffer strompelend zijn bovenste slaapplaats probeerde te bereiken. Maar hij viel voor de tweede maal en bleef ditmaal onbeweeglijk liggen. Toen ze zagen dat hij niet meer bewoog verlieten ze het Block. Toen de kust veilig was zei Rene met een zucht: "Ik ben blij dat die smeerlappen weg zijn, kom we gaan eens kijken of die man nog leeft!" Rudy legde zijn oor op zijn borst en zei: "Hij ademt zeer zwak!" "Ik zal hem op mijn bed leggen!", zei Rene medelijdend, “ik slaap wel in zijn bed!" Maar Rudy riep ontzet: “Doe dat niet, hij is zwaargewond, laat hem liggen anders sterft hij!"

Rudy kon die nacht niet slapen en woelde heen en weer, hij had nachtmerries die hem achtervolgden. Enkele uren later ging hij kijken hoe het met de oude man was. Maar hij ontdekte dat hij overleden was. Vlug kroop hij terug in zijn slaapplaats. Toen hij die morgen ontwaakte had hij hevige hoofdpijn.

Het werk in Wolfleben werd steeds moeilijker. De Meister bulderde: "Moeten jullie niet voortdoen? vooruit, werk wat vlugger, dreckhunden!" De bewakers liepen woedend naar Rene, omdat hij zijn rug strekte. Ze trokken hem bij zijn hoofdharen en tierden: "Wie heeft er jou gezegd op te houden met werken?" "Ik heb enkel mijn rug gestrekt, omdat ik moe was!" "Och, mijnheer was moe, wel, wel”. Woedend greep de bewaker hem vast bij zijn arm en zei dreigend: "Nog eenmaal zoiets doen, en ik ga je martelen, begrepen?" De bewakers verlieten hem na een tijdje. Toen ze uit zijn gezichtsveld verdwenen waren, probeerde hij moeizaam recht te staan, hen met een alles vernietigende blik nakijkend. Woedend stak hij zijn vuist omhoog. De gevangenen beseften dat hun mooie leventje voorbij was. In de Himmelsberg werden tunnels geboord waarin later de oorlogsindustrie moest ondergebracht worden. Rond de heuvel werkten de gevangenen aan de wegen, spoorwegen, een kanaal, gebouwen voor werkhuizen, bruggen, elektrische leidingen enz... Iedere gevangene had zijn eigen taak. De bewakers letten er niet op of iemand vakkennis had of niet. Een kolonel moest in de tuin werken. In de keuken een landbouwer, een handelaar hielp spoorwegen bouwen. Uitgestrekte terreinen waren aan de landbouw ontrokken. De gevangenen spitten in een veld waar het graangewas vroegtijdig sneuvelde. Op een andere plaats verrezen steeds nieuwe houten barakken die voor de huisvesting van civiele meester, arbeiders, meestal Duitsers en Polen, de SS en de Luftwaffe waren. Vroeger moest dit een bloeiend bouwbedrijf geweest zijn, daarvan getuigde een hofstede; gebouwd voor de administratie en de keuken voor de gevangenen.

De SS-ers liepen terwijl ze een oogje in het zeil hielden met hun knuppels vastgeklemd. Ze controleerden het werk van de gevangenen, de prestaties van de meesters, ingenieurs, bouwleiding, enz... Ze hadden maar één doel voor ogen, het tempo opdrijven zodat de ondergrondse fabrieken vlug klaar zouden zijn. De bouwleiding, de ingenieurs en de meesters werden dagelijks door hen op hun plaats gezet. De SS was dikwijls woedend om hun onkunde. "Vooruit!", riep de bewaker, “kunt gij niet vlugger aan dat fabrieksplan werken en sta daar niet zo te gapen, varken!" "Ik ben een landbouwer, hiervoor heb ik niet geleerd!" "Wat?", riep de bewaker, "kunt gij dat plan niet tekenen, wel ik zal het je leren!" Hij begon de man te stampen en te slaan, terwijl hij alsmaar riep:"Gij zult dat plan tekenen of je gaat wat beleven, begrepen?" "Genade, ik zal doen wat je zegt, maar sla mij niet meer!" Toen zijn werk klaar was moest hij het afgeven aan Commandant Ritz.

De volgende dag, Rudy probeerde een krant te bemachtigen om te weten te komen hoe de oorlog evolueerde. Enkele weken later kwam een bewaker in Rudy's Block en vroeg: "Is hier iemand die een radio kan repareren?" Ik!", zei Rene, “ik ben radiotechnieker!" "Ja? dat valt goed mee, hier, en zorg dat hij terug functioneert!" Toen hij weg was zei Rene lachend: "Ik ben geen technieker hoor, maar ik ken er wel wat van!" "'t Is maar goed dat je dat niet gezegd hebt, op deze wijze kunnen wij wat meer over de oorlog te weten komen, als hij klaar is!", zei Rudy lachend. Na de zware arbeid die ze overdag moesten verrichten, werkte Rene er iedere avond aan. Drie dagen later zei Rene: "Vanavond als wij van onze zware arbeid terugkeren kunnen wij naar de nieuwsberichten luisteren, maar wees zéér stil, want de bewakers mogen ons niet horen!" Tijdens de uitzending luisterden de gevangenen gespannen naar de berichten, ze hadden hem zéér zachtjes gezet. Na afloop had Rene hem uit voorzichtigheid onder zijn bed gezet. Plots vloog met een ruk de ijzeren deur van hun Block open. De Kapo's riepen: "Iedereen op appél, vlug, vlug!" Rudy die naast Alex liep zei: "Wat een geluk dat die bewaker niet gezien heeft waar Rene de radio heeft verstopt!" "Gelukkig maar, hij heeft hem niet gezien!" De gevangenen moesten soms om een niemendal op appél, wat menige keer zéér vermoeiend was.

Enkele dagen later... Rudy had een plaatsje gevonden dichtbij, waar de bewakers en Commandant Ritz bijeenkwamen om het een en ander te bespreken. Die avond, Rudy hield zich schuil en hoorde Commandant Ritz zeggen: "Ik heb een brief uit Berlijn ontvangen, ze schreven mij dat de gevangenen niet als dieren maar als mensen moeten behandeld worden. Wie hiervoor verantwoordelijk is, begraaf ik levend!", bulderde Ritz woedend. Hij en zijn companen hadden hierover een lange discussie. Eén van de gevangen Kapo's had gesignaleerd dat de gevangenen hun soep in weer en wind moesten eten. Rudy wist genoeg en verliet voorzichtig zijn schuilplaats, behoedzaam kroop hij voort tot hij zijn Block bereikte. Hiervoor moest hij een omweg maken. Toen hij er aankwam riep hij stilletjes: "Kom, kom, ik heb jullie iets te vertellen, waarvan jullie zullen opkijken!" Alex vroeg nieuwsgierig: “Wat heb je ons te zeggen?" “Zoals ik reeds zei, iets dat jullie zal verbazen.” Rudy wachtte tot iedereen rond hem neergehurkt zat, toen begon hij: "Ik heb een geheime schuilplaats gevonden, hierdoor heb ik een belangrijk gesprek tussen de bewakers en Commandant Ritz gehoord!" "Een belangrijk gesprek, over wat ging het?", vroeg Rene benieuwd. De andere gevangenen keken vol verwachting naar hem. "Wel beste vrienden, zoals ik reeds zei, ik heb een geheime schuilplaats gevonden, waar ik een belangrijk gesprek heb afgeluisterd, er is een brief uit Berlijn voor Commandant Ritz aangekomen!" "Welke brief?", mengde Christian zich. "Val mij nu niet meer in de rede, als er een bewaker komt kan ik het niet meer vertellen!” “Ja, dat is ook weer waar, vooruit zeg op!", zei Christian die een lange blonde man was, met ingevallen wangen en zo mager als een graat. "ik zal je niet meer onderbreken!" "Ik veronderstel dat het schrijven van hogere instanties kwam, want Ritz en de bewakers waren behoorlijk zenuwachtig. Voor zover ik kon verstaan stond er in de brief dat de gevangenen niet als dieren maar als mensen dienden behandeld te worden, wat inhoud dat er iemand in het kamp verraden heeft dat wij onze soep in weer en wind moeten eten. Dit beste vrienden speelt in ons voordeel, nu zullen wij in de toekomst in betere omstandigheden mogen eten!" "Ja, ik denk nu wel dat Ritz verplicht is om een Block bij te bouwen!", zei Alex verheugd. "Mannen, maar ook méér werk, houden jullie zich maar al klaar!", zei Martin.

Enkele minuten later ging het sein om naar het appél te gaan. Ritz stond reeds gereed met zijn handen in zijn heupen. Hij keek hen streng aan. Na enkele seconden riep hij met hoog opgeheven hoofd: "De bewakers zullen tien gevangenen uitzoeken die apart moeten staan!" De gevangenen keken angstig naar hem, terwijl ze zich afvroegen wat er met hen zou gebeuren indien ze uitgekozen werden. De bewakers keken aandachtig rond. De gevangenen hielden bevend hun adem in... Als eerste koos de bewaker Rudy, Alex, Christian, Martin, Alfonso die een Spanjaard was, vervolgens Frans, Willy, Mark, Guido en Peter. De gevangenen werden zoals steeds geteld en herteld.

De volgende dag werd er gestart met het ombouwen van enkele barakken tot refter. Ze moesten niet meer in weer en wind buiten eten. Het kampleven was hierdoor wat draaglijker geworden. Die morgen, het regende pijpenstelen, de felle wind drong door de kleding van de gevangenen, het water en de modder omringde het Block. Toen de gevangenen moesten aantreden voor het appél zonken ze diep met hun schoeisels in het slijk. Zware wolken hingen laag, en wéér moesten ze in dit barre weer voortmarcheren. Na enige uren mochten ze doorweekt terug naar het block. Toen ze er terug aankwamen besloot Rudy zijn bevuilde kleding uit te trekken om te drogen. Bevend van koude nam hij een deken van zijn bed en hing ze over zijn schouders. Zo zat hij tot het tijd werd om te eten.

Het kamp bezat de associatie van vijf verschillende firma's zoals: Gran & Bilfingen, Carl Plotner, Muller & Alvatter, Philips, Holzman en Hochtief. Aan het hoofd stond Herr Brunk, hij was veertig en breedgeschouderd en voerde met sterke hand het bevel. Hij bemoeide zich met alles, zoals ontwerpen van de zogenaamde ingenieurs, de taak van de bouwmeesters en de werkleider. De civiele arbeiders. En inspecteerde nauwkeurig de schoeisels van de gevangenen. Die morgen kwam Herr Brunk zoals steeds de schoeisels van de gevangenen inspecteren. Die dag had hij echter geen tijd, de gevangenen moesten zo vlug mogelijk aan het werk. Hij liep door de rijen, hier en daar noteerde hij het nummer van degene wiens schoeisels die uit zeildoek gemaakt waren en aan flarden hingen. Op de werf of in zijn bureau kregen de Kapo’s zéér strenge instructies zoals hoe ze de gevangenen moesten onderwerpen aan hun wil. Er werd besloten dat er nieuwe zouden uitgereikt worden, maar er waren er helaas niet genoeg. Die van Rudy waren tot op de draad versleten, zijn tenen staken erdoor. Hij besloot naar de Kapo te gaan en vroeg: "Zou het mogelijk zijn om mij te ontslaan van het werk in het kanaal, want kijk deze dingen zijn versleten!" "Wat, jou ontslaan? ben je gek geworden? denk je dat je wat meer bent dan de anderen? ik ontsla jou niet, vooruit, aan het werk!" Terwijl de Kapo dit zei, stampte en sloeg hij Rudy en dreef hem terug naar zijn plaats. Het kanaal werd in de helling aangelegd, een uiteinde stond onder water, daarin moesten de gevangenen de graafwerken verrichten. Rudy die naast Gerrit stond zei: "Wij moeten hier werken in mensonterende omstandigheden met deze vodden aan onze voeten die niet veel bescherming bieden. Mijn tenen steken erdoor. Vooraleer Gerrit antwoordde keek hij eerst naar de Kapo die met Commandant Ritz stond te praten. Fluisterend antwoordde hij: "De Gummilaarzen zijn voor de Duitse arbeiders, dàt krijgen wij als gevangenen niet!" Rudy en Gerrit stonden tot hun knieën in het water. In deze omstandigheden werkten ze de ganse dag, en dit op een diepte van acht meter. Rudy, Gerrit en Alex liepen na hun dagtaak traag naar het kamp terug. Bij hun aankomst in het Block zei Rudy tot Alex: "Ik zal eens bij Herr Brunk gaan om te klagen over onze werkomstandigheden!" "Ja doe dat, want ik ben versteven van de koude!", antwoordde Alex, terwijl hij de deken die hij als eerste bemachtigd had over zijn schouders trok. Erik die het gesprek had gehoord zei lachend: "En jij denkt dat die Brunk jou nieuwe schoeisels zal geven, laat mij niet lachen!" "t Is in ieder geval het proberen waard! Toen ze dit hoorden zeggen zweeg iedereen, want ze kenden Rudy, als die iets in zijn hoofd haalde kon je beter niet meer uitpraten. De volgende morgen zag hij hem tijdens het werk. Hij ging er naartoe en vroeg: "Mijnheer Brunk, wij moeten hier werken met deze versleten schoeisels, dat is mensonterend. Zouden wij rubberen laarzen kunnen krijgen, zodat wij minder in het water zullen staan?" Brunk wist niet wat hij hoorde en bekeek hem met vlammende ogen en tierde: "Wie denk je wel wie je bent? maak dat ge wegkomt, vooruit en vlug wat, luilak!" Brunk knuppelde er op los, steeds roepend: "Waar haal je het lef vandaan om mij zoiets te vragen!" Na ongeveer een kwartier staakte hij de afranseling. Daarna ging hij op een verhoog staan en riep: "Aandacht, aandacht, aufpassen meine herren.”, zei hij, terwijl hij dreigend met zijn knuppel zwaaide: "Iedereen is verplicht om te arbeiden, dit wil zeggen dat er niet gezeurd wordt over het werk, in welke omstandigheden dan ook. Indien er nogmaals geklaagd wordt, zullen er zware straffen volgen!"

Er kwam meer en méér werk, waardoor de gevangenen steeds in een ijltempo moesten werken. De meesters maakten ruzie, omdat ze elkaars gevangenen wilden ontfutselen. Herr Brunk liep de hele dag rond om de gevangenen aan te zetten om vlugger te zijn. Als iemand even zijn rug strekte liep hij als een briesende leeuw naar het slachtoffer en sloeg hij hem tot het bleef liggen. Die dag, Alex had reeds uren gebogen gestaan. Hij stond tot aan zijn enkels in het water. Zijn rug deed vreselijk pijn. Even strekte hij zich en zei tot zichzelf: "Oh wat doet dat goed!" Herr Brunk die dit gezien had liep nijdig naar hem en bulderde: "Wie heeft jou gezegd op te houden met werken? vooruit doe voort, luiaard!" Bij deze woorden stampte hij hem, steeds roepend: "Werken zul je en niet ophouden, begrepen?"

Die dag, het regende pijpenstelen, Rudy werkte met tegenzin. In een versneld tempo werkten de gevangenen verder. Rudy vocht tegen de ijzige koude, de zeildoeken schoeisels brachten hem geen bescherming. Een schuilplaats zoeken dat mocht niet. Dit voorrecht was voor de Kapo's, die enkele keren met veel vertoon te voorschijn kwamen als de SS-controle naderde. Het eten in het Block werd afgeschaft en wéér moesten de gevangenen buiten in weer en wind eten. Rudy hoorde plots een luid gebulder. Brunk riep nijdig tot de bewakers terwijl hij naar zijn polshorloge keek: "Wie heeft er gezegd dat de gevangenen vijf minuten vroeger mochten eten, het is vijf voor twaalf, ik beslis wanneer er gegeten wordt, begrepen?" De hete soep deed goed, want door die hevige regenbui waren Rudy's kleren druipnat. Na de middag maakte de regen plaats voor de zon. De zonnestralen deden hem goed op zijn doornatte kleding. 's Avonds was er appél er werd er zoals altijd geteld en herteld. De controle duurde drie uren. Na deze zenuwslopende bijeenkomst was er geen trein meer naar Elrich. Nogmaals riep Brunk de gevangenen toe. "Aandacht, aandacht, wij gaan te voet naar het kamp, binnen een uur arriveren wij er! Ga in rijen van vijf staan zodat wij vlug kunnen vertrekken!" Maar voor ze op stap gingen keken de bewakers de zakken van de gevangenen na. Dit om na te gaan of er eventueel gestolen werd. Bij hun aankomst hadden de gevangenen een razende honger. 't Was reeds elf uur die avond. Er stond voor Rudy een lange rij die eveneens op hun dagelijks rantsoen stonden te wachten. Het zou nog wel een tijdje duren voordat hij aan de beurt kwam. De Blockaltester, een grote breedgeschouderde man, liep rond om de orde te handhaven. "Hey!", riep de bewaker plots, "wat staan jullie daar te fluisteren? zwijgen of ik sla jullie dood, ik eis stilte begrepen?" Gerrit en Fernando, een Italiaan, waren aan het praten toen de bewaker hen betrapte. "Wat heb je tegen die ander gezegd, zeg op en vlug wat!", bulderde hij tegen Gerrit. "Ik zei dat ik honger had!" "Jij hebt honger, wel beste vriend, omdat je gepraat hebt mogen jullie uit de rij gaan staan, want jullie krijgen niets. Ga daar tegen de muur staan!" Gerrits maag gromde, hij had het eten van de anderen wel kunnen afnemen.

Toen het twaalf uur middernacht werd moesten de gevangenen naar bed. Rudy kon die nacht niet slapen. Met wijdopen ogen lag hij voor zich uit te staren. Plots zag hij schimmen die zich voortbewogen, die voorbij zijn bed wandelden. Vlug controleerde hij of alles er nog was, zoals zijn broek, hemd en vest. Gerustgesteld viel hij na een poosje in slaap. Opeens schrok hij wakker door een oorverdovend lawaai. De bewaker riep: "Aufstehen schnell, schnell!" 't Was vier uur die morgen. Rudy was van vermoeidheid na enkele seconden terug in slaap gevallen... De Blockaltester keek grimmig rond en controleerde of iedereen naast zijn bed stond... Toen hij bij zijn bed kwam riep hij nijdig: "Hey jij, slaap als je tijd hebt, luiaard, met jou heb ik altijd last!" En wéér regende het stampen en slaan, terwijl hij alsmaar riep: "Je zult luisteren, want de volgende keer laat ik je hangen, begrepen?" Rudy zocht zijn broek en zijn brood dat hij voor de volgende morgen bewaard had. Eén van de gevangenen hoorde Rudy roepen: "Waar is mijn broek en mijn portie brood dat ik voor deze morgen bewaard had?” "Let wat beter op je spullen dan zul je ze niet kwijtraken!", riep de bewaker grimmig. Iedereen zocht ijverig mee. Toen de bewaker weg was zei hij nerveus tot Alex: "'t Is altijd hetzelfde; het zullen weer die Russen zijn die met mijn broek en mijn brood gaan lopen zijn, die rotzakken!" "Ga met de Stubendienst praten en leg je geval uit, dat is het beste wat je kunt doen!" "Ja dat is een gedacht, ik ga er direct heen!" Hij vertelde het hele voorval, de verantwoordelijke was zéér vriendelijk en zei: "Ik zal eens informeren waar uw broek is!” Rudy ging daarna terug naar zijn Block om nog eens zijn kledingstuk te zoeken. Na ongeveer vijf minuten vond hij ze, de zakken waren leeggemaakt, de brief van zijn vrouw Annie was eveneens weg. Een lange tijd zat hij op de grond met zijn hoofd in zijn handen, hij wilde hem bewaren. "Waarom doen ze dat toch?", vroeg hij zich af. Plots realiseerde hij zich dat hij alleen was. Vlug spoedde hij zich naar het waslokaal waar hij zich moest behelpen met een vuile handdoek, een washandje dat was er niet... Dan zich maar wassen met zijn handen. De bewaker riep plots: "Iedereen in rijen van twee, wij gaan naar jullie werkplaats!" Zo kon het slavenwerk weer beginnen...

Hoofdstuk 5: De executie

Rudy en Alex verbleven reeds vijf maanden in Elrich. Met de dag werd de discipline steeds strenger. Op het appél eisten de SS-ers een onberispelijke rang en houding. De bewakers sloegen en stampten steeds nijdiger. Op een avond in begin juni 1941 was er beroering in Wolfleben. Op het appél zag Rudy dat er twee gevangenen apart stonden, omringd door SS-ers en Kapo's. Toen hij ze zag vroeg hij zich af wat die twee zouden gedaan hebben. Hij keek eerst schichtig rond om te zien of niemand naar hem zag en fluisterde tot Erik die naast hem stond: "Zeg Erik, weet jij wat die twee daar misdaan hebben, waarom staan ze apart?" Erik, een middelgrote man met een zwarte haardos haalde zijn schouders op en zei: "Ik weet het niet!" Commandant Ritz riep: "Hey jij daar, kom eens hier!" Rudy schrok en dacht: "Zou hij gezien hebben dat ik met Erik stond te praten?" Met knikkende knieën kwam hij naar voor. De Commandant keek hem een lange tijd zéér streng aan, eindelijk zei hij: "Ga naar die bewaker daar links van jou, hij zal je een hamer en twee grote krammen geven!" Onderweg dacht hij: "Wat moet ik hiermee doen, die twee zullen toch niet gehangen worden zeker?" Toen hij terug voor de Commandant stond zei hij: “Zie je deze muurbalk?" "Ja!" “Wel daar moeten die krammen die je in je hand hebt, vast inslaan.” Met een niet te beschrijven afkeer begaf hij zich op de ladder. Tijdens dit werk dacht hij medelijdend aan die twee arme stakkerds, die straks gehangen werden. Toen hij terug op de begane grond stond zei Ritz met een stem die geen tegenspraak duldde: "Ga naar je plaats terug!"

Ritz beklom een klein podium om een toespraak te houden. Met een grimmige trek op zijn gelaat, zijn uniform rechttrekkend en zijn haren gladstrijkend begon hij na een lange tijd zijn toespraak: "Deze twee gevangenen worden gehangen, omdat ze probeerden te vluchten, ik stel dit als voorbeeld, zodat dit niet meer gebeurt! Iedereen is verplicht naar de executie te kijken, wie zijn hoofd afwendt of zijn ogen sluit word ook gehangen, begrepen?" Na deze woorden gaf Ritz de beulen het teken om het vonnis uit te voeren. De beul, een groot en sterk man, nam één van de gevangenen die reeds de strop om zijn hals had, zijn handen waren op zijn rug geboeid en zijn voeten bijeen gebonden. De beul sloeg de koord om de kram en maakte ze stevig vast. Rudy keek met afschuw naar het lichaam dat tegen de muur botste, de gehangene gaf nog een laatste stuiptrekking, met zijn tong uit zijn mond bleef hij na enkele seconden bewegingloos hangen. Nadien ging de beul naar de tweede gevangene en zei: "Kom kerel, nu is het jouw beurt!" Met wijd opengesperde ogen riep hij angstig: "Neen alstublieft, laat mij leven, ik heb een vrouw en drie kinderen!" Maar zijn smeekbeden mochten niet baten. "Jij had maar niet moeten vluchten, wie niet horen wil moet het maar voelen!" Bij deze woorden nam hij de jammerende man op zijn schouder en besteeg voor de tweede maal de ladder. Tijdens zijn tocht smeekte hij: "Laat mij toch alstublieft leven, ik wil niet sterven, alstublieft!" Zonder pardon beklom hij de ladder... Traag wendden de lichamen zich heen en weer in hun doodstrijd. Hun samengebonden voeten zochten tevergeefs steun, ze schraapten tegen de muur. Zware schokken gingen door hun lichamen, hun gezichten krampten samen, met uitgestoken tong, de angst stond op hun gezichten te lezen. Langzaam werden hun benen onbeweeglijk, de dood was ingetreden. De gevangenen waren onder de indruk Ze hadden het gevoel dat een sluipende ziekte hun leven bedreigde.

Toen Rudy en zijn medegevangenen in het Block kwamen wachtte hen een verrassing... Ze kregen als extra, brood en gesuikerde havermoutpap. Tijdens het eten zei Rudy tot Alex: "Ik dacht dat mijn maag en darmen uit mijn lichaam zouden springen toen ik die twee arme stakkerds daar zag hangen, dit beeld vergeet ik nooit meer!" "Och Rudy, ik ben er ook het hart van in, ik zou zoals jij ook kunnen kotsen!" "Vergeet nooit, Alex dat wij de moed niet mogen verliezen, wij moeten kost wat kost onze waardigheid behouden, opdat wij later, nadat deze rotoorlog voorbij is, moeten kunnen vertellen wat die SS-ers met ons gedaan hebben!" Gerrit had zich tijdens het gesprek van Rudy en Alex niet gemengd. Hij wist dat Rudy gelijk had. De zware arbeid met een nachtrust van vier à vijf uren verliep zoals iedere dag. De gevangenen verlieten het kamp rond vijf uur ’s morgens en keerden terug 's avonds rond acht uur. Alleen ’s zondags eindigde het werk om één uur 's middags. Die dag werd de soep om drie uur geserveerd. Na de middag kregen de gevangenen hun welverdiende zondagsrust. Die ze dan gebruikten om hun kleding en hun schoeisels te repareren.

Na enkele maanden werd de stilte anders geregeld. Om de twee weken kregen ze een zondag vrij om te rusten. Nadat iedereen gegeten had waren de gevangenen verplicht een pauze te nemen. Rudy had die zondag pech. De Blockaltester kwam met twee opzichters binnen. Met spiedende ogen zochten ze tien mannen uit om te werken in Wolfleben, een karwei dat wellicht niet kon wachten tot maandag. Gewoonlijk moesten er wagons gelost worden. Eén week later, het was wéér weekend, Rudy hoopte dat hij die dag vrij zou zijn, maar het was alsof de Blockaltester het er voor deed. Steeds riep hij Rudy, Alex, Christiaan, Martin, Peter, Guido, François, Willy, Mark en Gerrit uit om de karwei op te knappen. Toen het gezelschap onderweg naar de werkplaats was zei Rudy: "Het is mij al een paar keer opgevallen dat die Blockaltester die vuile Russen met rust laat, ik denk dat hij bang voor hen is, voor hun eeuwige grimmigheid!" “Ja!", antwoordde Alex, dat heb ik ook gezien, zou hij bang voor hen zijn?" "Je zou het zeggen!", mengde François zich in het gesprek, want die moeten nooit iets doen!" "Als wij protesteren staan de bewakers reeds klaar met hun matrak, die smeerlappen mogen alles, vindt jij dat niet oneerlijk?" "Zwijg, de bewaker kijkt naar ons!", zei Rudy, zijn hoofd zover mogelijk naar beneden houdend, zodat de bewaker niet kon zien dat hij aan het praten was. Toen het gezelschap bij de werkplaats aankwam werden ze aan de Kapo afgeleverd.

Zo gingen twee maanden voorbij. Doordat de gevangenen te weinig nachtrust kregen raakten deze vlug oververmoeid, zodat ze tijdens hun terugreis in de trein in slaap vielen. Ze vermagerden zienderogen en hadden ingevallen wangen, hun ogen zaten diep in hun kassen. Hun rantsoen verminderde stelselmatig, het brood van zeshonderd gram werd gebracht op vierhonderd gram. De soep werd dunner geserveerd, de gerst werd vervangen door kool of koolraap. Na enkele weken kreeg Rudy diarree en oedeembenen. Toen hij ontwaakte was zijn gezicht gezwollen. En er was geen dokter aanwezig, enkel verplegers. Indien er in het kamp Elrich doden geconstateerd werden, werden deze naar Dora overgebracht, daar was een crematorium. Rudy vroeg zich steeds af hoe het kwam dat die Russen nooit ziek werden. Ze dronken bezoedeld beekwater, aten allerlei afval en met hen gebeurde er nooit iets. Bovendien misprezen ze de Belgen, Fransen, Nederlanders en de Spanjaarden om hun geringe weerstand. Door de buikloop kreeg Rudy een ondraaglijke dorst. In de keuken van Wolfleben waren flesjes mineraal water verkrijgbaar. De gevangenen mochten gebruik maken van dit voorrecht. Die avond, na de zware dagtaak, kon Rudy niet meer recht, hij was totaal verzwakt. Zijn ogen brandden in zijn fel vermagerd gezicht. Toen hij die avond gedaan had met het zware werk vroeg Alex: "Kom Rudy, je bent te zwak om te lopen, wilt ge op mijn schouders rusten?" "Oh ja Alex, je zou mij hier veel plezier mee doen, ik kan niet meer op mijn benen staan!" Martin die dit gehoord had zei: "Leun maar op mijn andere schouder, want ik zie het, je kunt bijna niet vooruit!" 's Anderendaags verscheen Rudy niet op de arbeidscolonne. In het Block zong hij met de andere gevangenen het lied van Breendonk. Het interesseerde de Duitsers niet wat ze er uitkraamden, ze verstonden de woorden toch niet.

De verzorging was ver te zoeken: de gevangenen die bloed verloren bij hun stoelgang werden naar Hartzungen gezonden, waar een ziekenafdeling was. Na enkele weken kwam er eindelijk een Revier (ziekenkamer). De ruimte was spoedig overvol. Er kwamen constant steeds zieken bij. De prikkeldraadversperring werd keer op keer verschoven. Nieuwe Blokken werden in gereedheid gebracht. Goed ingerichte wasplaatsen kwamen er in alle gebouwen, maar er was meestal geen water. Er werd hard gewerkt aan een reusachtige keuken. Het complex moest in een ijltempo afgemaakt worden. Rudy kreeg etterende wonden door gebrek aan verzorging. Zijn zeildoeken schoeisels met houtzolen die niet meeplooiden wreven aan zijn voeten en enkels. Er was geen verband, de papieren windels waren na enige tijd stukgelopen. Op deze manier was het niet mogelijk de wonden zuiver te houden. Veel gevangenen werden na onderzoek naar het Revier gestuurd. Toen Rudy er zich aanmeldde was er geen plaats meer voor hem. De ziekenkamer werd te klein, hij werd overgebracht naar een groter lokaal. De gevangenen, die meestal hiervoor niet gestudeerd hadden, werden belast met de verzorging van de zieken. Wat zeker niet van een leien dakje verliep. Zo ging iedere dag voorbij, zonder hoop, zonder een lach, alleen hun wanhoop bleef.

Op de rustzondagen waren er telkens lijkwagens te zien bedekt met een zeil. Een gevangene moest de wacht houden. Uit het Revier werden steeds nieuwe lijken op draagberries aangebracht. Deze dingen werden omgekeerd, zodat ze op de grond vielen en tegen elkaar getrapt. De laatst aangevoerde doden werden er bovenop gegooid, als waren ze nutteloze afval. Nadat de lading vol was vertrok het konvooi naar Dora waar het crematorium hen opwachtte... De bewakers waren zelf gevangenen die zo onmenselijk hun dode vrienden behandelden. Het kampleven had hen hard gemaakt. Elrich raakte overbelast. In alle kampen steeg het sterftecijfer. Enkele weken later werd in het kamp tussen het Revier en de heuveltop achter het kamp aan de voet van de zwarte pijnbomen een crematorium gebouwd. In afwachting van de oven werden de lijken die tussen de stapels houtblokken lagen, besproeid met brandstof, op deze wijze zouden ze vlugger verbranden... Dit bracht een ondraaglijke geur met zich mee die enkele weken bleef hangen. Eindelijk was het crematorium gebouwd, het werd bediend door zigeuners. Voor dit werk kregen ze dan dubbel rantsoen, zoals één liter melk, zeshonderd gram brood enz... Ze deden alles als er voordeel te halen was, ze waren tot alles in staat... Het Revier en het Schonungenblock leverden méér doden, hier verbleven gevangenen die in het Revier niet konden opgenomen worden, omdat er geen plaats was. In de meeste gevallen ging het om uitgemergelden die erkend werden, omdat ze te zwak waren om te werken. Dit was echter een zeldzaamheid, want zij die verbleven in het Schonungenblock waren ten dode opgeschreven. De rantsoenen werden tot de helft teruggebracht. De zieke gevangenen lagen naakt in bed, met enkel een deken over zich, wachtend op hun einde... Ze hadden niemand om hen bij te staan, hun laatste woorden te horen of om een ultieme boodschap te ontvangen, bestemd voor ouders, zijn vrouw en zijn kinderen. Geen vriendschappelijke hand om te drukken, geen vriendelijke blik, niets: ze waren alleen... Kan er iets ergers bestaan, beste lezers?" Enkel hun laatste visioen van de matrak of de verdeling van de buit, zoals een ring, een mooie lepel of het pakket van het Rode Kruis. De uitgemergelde schimmen dwaalden rond in het Schonungenblock, waarvan men hun ribben kon tellen. Onder hen bevond zich ook Rudy. Als bij wonder was hij weer aan de beterhand. Doordat Martin in de keuken werd tewerkgesteld kon hij stiekem wat eten naar hem brengen. De bewakers hebben hier gelukkig nooit iets van gemerkt. De nog gezondere gevangenen noemden hen Muzelmannen.

Tot driemaal daags vertrok een konvooi met de zieken. De bewaker zei hen steeds: "Jullie gaan naar een Sanatorium in Nordhausen, maken jullie maar klaar, want wij vertrekken!"

Op zekere dag Rudy hoorde een gesprek tussen Ritz en een Bewaker. Wat hij hoorde deed zijn haren ten berge rijzen. "Die stomme gevangenen denken dat ze naar een sanatorium in Nordhausen gaan, maar ik weet wel beter, ze worden er vergast, ha, ha, ha!" Zo vlug hij kon liep hij naar enkele gevangenen die er aan het rondlopen waren en zei: "Nu moet je eens goed luisteren, ik heb een gesprek afgeluisterd tussen een bewaker en Ritz, ze zeiden dat de zieken naar een sanatorium in Nordhausen gaan, maar wij worden in werkelijkheid vergast!" "Wat, worden wij vergast, heb je dat wel goed gehoord?" "Ja, ik raad jullie aan om het werk terug te hervatten, anders...!" "Ik voel mij nu al veel beter na dit vreselijke nieuws, ik ga werken, ik wil kost wat kost blijven leven, ik wil, nadat die rotoorlog voorbij is kunnen vertellen welke taferelen zich hier afgespeeld hebben!", zei Erik geschrokken. De andere twee gevangenen zeiden als in koor: “Ja dan ga ik liever werken, hoe moeilijk het ook is en hoe zwak ik mij ook voel, ik wil blijven leven!" De meeste gevangenen gingen met bronchitis werken, ze vertikten het om een onderzoek te laten doen in het Revier. Er waren geen geneesmiddelen en zeker niet voor Bronchitis. Als de gevangenen niet ernstig ziek waren mochten ze er niet binnen. In het Schonungenblock wilden de gevangenen in geen geval terechtkomen, want hier wachtte hen een zekere dood. Er bestond geen andere mogelijkheid dan te rekenen op zijn eigen weerstandsvermogen. Ze moesten kost wat kost vechten tegen de dood.

Het eten verminderde dagelijks, de honger knaagde als nooit tevoren. Kannibalisme begon in het kamp hoogtij te vieren. De Blockaltester riep de gevangenen voor het Block bijeen en riep: "Ik heb ondervonden dat er tussen jullie kannibalen zijn, wie van jullie snijdt vlees uit een zieke dode?" Zijn blik richtte zich naar Rudy, die intussen ontslagen was uit het Revier. "Heb jij dat gedaan, ja, dàt moest ik eigenlijk niet vragen he, je bent altijd haantje de voorste geweest of niet soms?" Bij deze woorden greep hij Rudy bij zijn hoofdharen, trok zijn hoofd achterover en gaf hem een flinke vuistslag in zijn gezicht, waarop hij hevig begon te bloeden. De bewaker stampte en sloeg hem waar hij hem raken kon terwijl hij alsmaar riep: "Heb jij stukken vlees uit een dode gesneden, het zou mij anders niet verwonderen dat jij de dader was!" "Ik heb niets misdaan, zoiets doe ik niet, de doden waren mijn vrienden!" "Ha, ha,ha, dat waren je vrienden, jij moet dat juist zeggen, je eet ze op!" "Dat is niet waar!" "Oh neen? hoe komt het dan dat je genezen bent, je was toch ernstig ziek, vertel mij dàt eens!" "Ik heb stiekem de afval van de keuken gegeten!" " En ik moet dat geloven? je was nog te zwak om rond te lopen!" Rudy had deze leugen gezegd om zijn vriend Martin niet te moeten verraden. Hij had hem steeds het beste uit de keuken gebracht tijdens zijn ziekte. "Wat? heb jij afval gegeten toen je in het Schonungenblock zat, ben je niet aan het liegen?" Knarsetandend vervolgde de SS­er: "Ga je nu eindelijk bekennen?" "Neen, want ik heb het niet gedaan!" Woedend geworden riep de bewaker: "Jij wilt niet bekennen, je zult bekennen of ik sla je verrot, begrepen?" "Ik heb het niet gedaan!", hield Rudy vol.

Na een tijdje begon de Blockaltester te beseffen dat hij niets uit Rudy zou krijgen, daarom zei hij enkel: "Ik krijg je nog wel, Judebrut!" Toen hij het block verliet riep hij nog over zijn schouder: "Indien er nogmaals kannibalen proberen menselijk vlees te eten zullen wij het hele Lager uitroeien met onze mitrailletten. Voortaan zal ik de discipline opdrijven, begrepen?" “Discipline, discipline, die rot-SS-er denkt dat ik mensenvlees eet, ik heb nog respect voor de doden hoor!" Beide vrienden praatten nog even verder, tot het tijd werd om te eten. Het kamp Elrich telde negenduizend gevangenen die aan het geweld gewend waren geraakt.

Enkele dagen later vond een bewaker een dode waarvan de dij en de kruisspieren onder de huid een holte vertoonden waar het vlees was weggesneden. Ritz en zijn companen besloten om de dader in een hinderlaag te lokken. Die avond gingen de gevangenen zoals gewoonlijk om acht uur slapen. Enkele uren later, precies om vier uur 's morgens sprong een gedaante op de lijkenhoop. Zenuwachtig sneed hij het vlees uit de dode. De Kapo die achter een hoop vuilnis stond liep vlug naar hem en riep: "Ha ha, nu heb ik je, ik hou je gevangen tot de SS komt!" Bij het signaal van het schrille fluitje verschenen twee bewakers. De schuldige was een student in medicijnen met lichtelijk schuine ogen die een half Mongoolse uitdrukking gaven. "Toon mij eens hoe je tewerk gaat, mijn jongen!", vroeg de bewaker vriendelijk. Zonder aarzelen nam de Rus zijn mes en sneed het vlees uit de kuit en zijn dij, dat hij vervolgens met veel smaak op at. De SS-ers waren niet tevreden met dit buitengewone schouwspel. Eén van hen vroeg nieuwsgierig: "Zijn er nog van die lekkere hapjes?", terwijl hij naar de geslachtsdelen van de dode wees. "Jazeker, dat is het beste wat er is!" "Wil je zout en peper?" "Oh ja, dat zou mij wel smaken!" De bewaker haalde vlug het gevraagde uit de keuken alsook een stuk brood. De Rus zette zich vergenoegd aan de tafel en begon smakelijk aan zijn buitengewone maaltijd. Toen het avond werd, werd de dader op het appél uitgeleverd aan een groep andere Russen. De executie was kort maar barbaars. De schuldige werd hoog in de lucht geworpen om daarna met een smak op de stenen neer te vallen. Enkele mannen vertrappelden daarna de Rus. Zijn nek was door de zware klap op de grond gebroken, zijn hoofd was geknakt op zijn borst. Deze of andere executies, soms werden ze gehangen en soms zoals deze... De SS-ers waren dé beulen van het concentratiekamp Elrich, ze waren wreed en sadistisch.

Hoofdstuk 6: De luizenplaag

In het kamp Elrich werden méér en méér gevangenen binnengebracht. Een eindje verder van het kamp was een gebouwencomplex dat eveneens ingelijfd werd met de naam "Lager 2"; er werd een nieuwe prikkeldraad gelegd en nieuwe wachttorens alsook barakken gebouwd. Er stonden een reeks stapelbedden elk van vier verdiepingen, waarin in ieder bed tien gevangenen sliepen. De gevangenen waren verplicht in omgekeerde richting te slapen. Door deze ongemakkelijke houding kon niemand de slaap vatten. Om de appélplaats en de toegangen beter begaanbaar te maken moesten de gevangenen de rotsstenen in kapwagentjes over een Decauvillespoor aanvoeren om daarna op de wegen en de koer te worden uitgestort. Volgens de SS-ers vlotte het werk niet vlug genoeg.

In een eindeloze rij stapte Rudy onder zware bewaking naar de steengroeven die buiten het kamp lagen. Eén reusachtige zware SS-officier verplichtte iedereen twee lichtere stenen te dragen. Rudy bukte zich om een steen op te rapen, de bewaker riep: "Jos schnell, schnell, verdammte hunde!" Hij begon Rudy te slaan met zijn gummiknuppel terwijl hij alsmaar riep: "Werk wat vlugger, luiaard!" Rudy kon het echter niet laten te antwoorden: " Ik doe toch mijn best, ik kan niet vlugger zijn dan nu!" "Wat, durf je mij tegenspreken? ik zal jou leren!" Nijdig nam hij Rudy beet en sleurde hem naar het cachot (ook wel de Bunker genoemd). Toen Rudy opgesloten was keek hij rond in het schaarse licht dat door een klein raampje naar binnen scheen. Er stond geen bed, de grond was zéér vuil, de muren waren in ruwe barsten opgetrokken. Een stoel of sanitair was eveneens nergens te bespeuren. "Hoelang zal ik hier moeten blijven? Moet ik het op de grond doen en dan in mijn eigen vuiligheid slapen?" Alex fluisterde tot Martin: "Omdat Rudy tegengesproken heeft is hij in het cachot gevlogen, ik vind dat erg voor hem!" "Jamaar, je weet dat ge niets moogt zeggen tegen die vuile SS-ers, zij zijn dé baas!"

"Wat weegt die steen zwaar, als ik dat een week doe dan ben ik kapot!", zei Alex met een zucht." “Dàt mag je wel zeggen, wij zijn hier in de hel beland, oei zwijg, de bewaker komt!" De SS-er liep woedend naar Alex en riep nijdig: "Wie heeft jullie gezegd dat jullie mochten praten? Onze discipline hebben jullie twee overtreden!" De bewaker deed teken naar twee andere bewakers en beval: "Breng deze twee lastkoppen naar het cachot!" Alex en Martin werden ruw in de Bunker geduwd. Rudy, die ineengedoken zat, keek verrast op toen Alex en Martin erbinnen gegooid werden." “Hé, wat krijgen wij nou? hebben jullie ook volgens de SS-ers te traag gewerkt?" "Neen, wij waren aan het praten!", zei Alex, "en je weet dat dàt niet mag!" “ Ik zal blij zijn dat de oorlog voorbij zal zijn!" De drie vrienden praatten zo nog een tijdje verder tot Martin zich op de grond neerlegde en zei: "Ik ga proberen wat te slapen, slaapwel!"

Rudy, Alex en Martin moesten als gestraften de zwaarste arbeid verrichten. Een jonge zigeuner-kapo die zeer breedgeschouderd was, met zwart krulhaar, zijn ogen stonden diep in hun kassen en ongeveer een meter zeventig groot. De kapo voerde met ijzeren hand het bevel. Hij sloeg de gestraften met een sadistische ongenadigheid. Op deze manier hoopte hij dat de SS-meesters tevreden waren.

Die zondag Rudy en zijn twee vrienden hadden er drie dagen cachot opzitten. Rudy’s lichaam deed overal pijn. De koude vloer had hem geen deugd gedaan. Rudy werkte traag. Plots hoorde hij een nijdige stem: "Hé jij, wees wat vlugger of...!" Voor Rudy besefte wat er gebeurde kreeg hij een steen naar zijn hoofd. Rudy zag in een flits hoe iets hem rakelings voorbij scheerde. Totaal verbluft keek hij naar de grote steen terwijl hij dacht: "Amaai, dit ding had mij kunnen knock-out slaan!" De zigeuner liep woedend naar Rudy en sloeg hem met zijn matrak waar hij hem raken kon.

De gevangenen moesten gewoonlijk werken tot één uur 's middags. Na het karige middagmaal moesten de gevangenen verplicht naar bed. Tijdens deze rustpauze spraken de gevangenen over hun vrouw en kinderen. Alex, Rudy en Martin wilden alléén maar slapen, hun doodvermoeide lichamen verlangden rust. Het drietal had drie dagen en drie nachten in het cachot doorgebracht. Er werden uit België pakjes met levensmiddelen opgestuurd door het Rode Kruis. Deze zendingen werden voor tweederde geplunderd door de Groene Driehoeken. Als er rookgerei aankwam ontvingen de gevangenen dit hij uitzondering. Van de massa’s kleergoed die de gevangenen kregen gaven de bewakers hen enkel een hemd en een handdoek. De dekens, pull-overs, schoenen en ondergoed gingen verloren. De gevangenen beleefden geen plezier in de pakjes die voor hen bestemd waren, ze voelden zich bijgevolg bestolen. De Russen ontvingen niets, want hun land was niet aangesloten bij het internationale Rode Kruis. De gevangenen leerden vlug dat ze niet alléén een pakket moesten ophalen, ze gingen steeds met z'n vieren. Indien iemand zijn bedstede bereikt had waren de gevangenen niet veilig. Op een nacht werd Rudy met een ruk wakker, bovenop hem zat een Rus met opgeheven mes en riep dreigend in het Duits: "Ik dood je als je niet zegt waar het pakje van de dode Belg is of wil je het voor jou alleen?" "Waarom zou ik het moeten zeggen? en ik weet tevens niet waar het is, en als ik het wist zou ik het niet aan je neus hangen!" " Oh neen, jij weet waar het is en jij gaat het mij zeggen of ik vermoord jou, begrepen?" "Ga je mij vermoorden? wie ga je hiervoor meebrengen?" Bij deze woorden riep de Rus buiten zichzelf: "Ik vermoord jou!" Rudy was op de aanval van de Rus voorbereid, zo vlug hij kon gaf hij de Rus een flinke rechtse vuistslag en met zijn linkse gaf hij een forse stomp in zijn maag. De Rus viel kermend op de grond terwijl hij zijn wapen liet vallen. Buiten zichzelf vocht Rudy met zijn aanvaller tot beiden vechtend op de grond vielen. De Rus probeerde het mes te grijpen dat amper tien centimeter van hem verwijderd was, maar Rudy trapte zo vlug hij kon op zijn hand, hij drukte zo hard tot de vingers van de Rus braken. De Oekraïner riep smekend: "Au, doe uw voet van mijn hand, ik hou het niet meer uit, genade!" Rudy trok hem woedend recht en zei dreigend: "Als ik jou of één van de andere Russen hier nog zie dan breek ik je ribben, begrepen?" Na deze woorden gaf hij de Oekraïner een fikse duw, zodat hij met een smak op zijn gebroken vingers viel. De Rus voelde dat er met Rudy niet te sollen viel, angstig kroop hij verder van Rudy weg en smeekte: "Laat mij alstublieft met rust!" "Wel heb je van mijn leven, mijnheer moet gerust gelaten worden, jij bent begonnen en jij wilde mij vermoorden en nu moet ik dat heerschap met rust laten!" Bij deze woorden sprong hij naar de Rus en sloeg en stampte hem waar hij hem raken kon. Plots mengde Alex zich en zei op gemoedelijke toon tot Rudy: "Kom Rudy, die Rus zal nu wel zijn lesje geleerd hebben, hij en zijn companen zullen je nu wel met rust laten!" Ik vermoord hem als hij nog in de buurt komt!" "Ja, ja 't is al goed, kalmeer nu maar, want als de Stubendienst je op heterdaad betrapt vlieg je weer in het cachot!"

De woorden van Alex waren nog niet goed koud toen de Stubendienst binnenstormde en riep: "Wat betekent dat lawaai hier?" "Oh niets, ik was iets aan het vertellen over een film van vroeger!" "Wil je mij iets op de mouw spelden?" De bewaker keek rond en riep: “Wel, wat heeft dat te betekenen? jij bent helemaal bebloed, heb je gevochten?" "Ja, ik lag in mijn bed en werd wakker met hem bovenop mij met een mes in zijn hand!" Rudy wees terwijl hij sprak naar de Rus die nog steeds kreunend neerlag. "Hij wilde dat ik hem vertelde waar het pakket van de dode Belg was!" “En daarom heb je gevochten?" "Ik moest mij toch verdedigen?" "Waar is dat pakket?" "Dat weet ik niet!" Bij deze woorden ging hij naar de Rus stampte hem in zijn maag en vroeg: "Wat doe jij hier eigenlijk? als je niet maakt dat je wegkomt laat ik je levend begraven, begrepen?" Maar de Rus had zoveel pijn, omdat zijn vingers gebroken waren kon hij niet vlug genoeg recht komen. Hij probeerde met zijn goede hand de arm van één van de gevangenen te grijpen, maar hij werd door hem terug met een smak op de grond geduwd. Deze pesterijen duurden zo nog vijftien minuten, tot de Oekraïner buiten adem op de grond bleef liggen! De bewaker zei op zeker ogenblik: "Breng hem naar zijn block!" En zich tot de Rus wendend zei hij: "Haal het niet meer in je hoofd je hier nog te vertonen of... begrepen?" De Rus antwoordde niet. De bewaker riep woedend: "Heb je niet gehoord wat ik gezegd heb?" "Ja ik heb het gehoord, ik zal hier buiten blijven!", antwoordde de Rus moeizaam. "Goed zo, maar onthoud wat ik je gezegd heb, anders... Breng hem nu maar weg!" Gerrit en Alex brachten hem naar zijn block. Onderweg trok Gerrit aan zijn hoofdharen terwijl Alex zijn arm omdraaide en sissend zei: "Waag het niet mijn vriend Rudy nog eens te bedreigen, want dan vermoord ik je eigenhandig, rotzak!" Toen Alex en Gerrit aankwamen zei Gerrit nijdig: "Hier is je plaats en nergens anders, begrepen?"

De winter stond voor de deur, 't was acht uur ’s avonds, de gevangenen lagen reeds in bed, plots zei Rudy: "Als ik weer thuis ben dan vraag ik aan mijn vrouw om fritten met beefsteak te bakken!" "Oh ja, dààr verlang ik naar: een witte boterham met peperkoek, gerookt vlees of rijstpap met bruine suiker!", antwoordde Gerrit dromerig. "En ik droom van een goede koude schotel met koude kip of konijn klaargemaakt met pruimen, trappistenbier, hmm lekker, het sap komt al uit mijn mond!" “Ik word al hongerig als ik aan al die lekkere dingen denk!", zei Gerrit nog. "Ja, dat mag je wel zeggen, ik zal ook blij zijn als die oorlog gedaan is, ik ben het hier kotsbeu!" De drie vrienden praatten nog een tijdje verder tot Rudy zei: "Zeg dromen jullie maar van al dat eten, maar ik ga slapen, ik word moe!" Meteen draaide hij zich om en zei: " Slaapwel!" "Als jij gaat slapen dan ik ook, wel te rusten!", zei Gerrit, terwijl hij zich uitstrekte. Alex volgde het voorbeeld van Rudy en Gerrit, wenste hen goede nacht en ging eveneens slapen!

Enkele weken later organiseerde de Lageraltester een groots feest, de SS-Luftwaffe, kapo’s en Rijksduitsers waren uitgenodigd. Het orkest werd opgeluisterd door de gevangenen. Ook goochelaars ontbraken niet. Het hoogtepunt was de speech die gegeven werd door de Lageraltester die kampoverste was sinds Rudy en Alex in Elrich waren. Er werd gedanst, de bewakers amuseerden zich uitstekend. Het feest duurde tot in de vroege uurtjes. Tijdens dit festival werden twee driehoeken verwijderd wegens diefstal. Eén van hen was een schraal ventje, zijn gezicht gaf een uitdrukking van een boef, zijn gluiperige troebele ogen stonden scheef vertrokken, zijn mond zei méér dan zijn driehoek. Op een dag, het was appél, het schrale ventje zei tot de bewakers: "Ik maak van dit kamp een modelkamp, er zijn hier niet alleen gevangenen die de vijand zijn van de nieuwe wereldorde, kanaliseer de goede wil van velen naar de verwezenlijking van een groot ideaal: Das grosse Deutsche Reich!" Iedere Rijksduitser moet meewerken, wie weigert krijgt de vele voordelen niet meer zoals goede degelijke kleding, beter eten dan de gevangenen, bovendien degene die weigert, zal kennis maken met de Bunker!" De gevangenen wisten wat dit te betekenen had, sinds het strafregime werd verscherpt. Niet lang nadien verdween ook de Lageraltester, hij had het eten van de SS en de gevangenen verkocht. In de plaats van de Lageraltester kwamen er twee andere groenhoeken: Lageraltester I en Lageraltester II. De gevangenen dachten dat het nu wel beter zou gaan, maar er was aan alles nood, zoals schoenen, kleren en ondergoed. Begin augustus ontvingen de gevangenen een hemd en een onderbroek die ververst werden begin januari... In het kamp was geen wasgelegenheid, dus konden de gevangenen zich niet wassen.

Op een zondag die normaal een rustdag was, was er geen water en op de weekdagen was er geen tijd. Hoe moesten de gevangenen het trouwens droog krijgen? "Enkele weken geleden hing in alle lokalen een groot bord met de Duitse tekst: " Ein Laus, dein Tot" Met ernaast een reusachtige luis. Op deze manier trachtten de Duitsers te wijzen op het gevaar van vlektyphus. Na enkele weken verdwenen de borden en van de luizencontrole was geen sprake meer. De luizen zaten in het linnen, op Rudy’s lichaam, in het bed. 't Was een nutteloze strijd, het gebroed was onverwoestbaar. Eindelijk na een lange tijd arriveerde een wagen met een ontsmettingsmachien, een stoomketel en een aanhangsel met de eigenlijke hygiënische ruimte waarin de dekens en het linnen gedurende een uur of twee uitgestoomd werden.

In de namiddag van een rustzondag was het de beurt aan Rudy's block. De gevangenen moesten zich uitkleden en hun spullen samenbinden, hun schoenen of wat er nog van overbleef mochten ze behouden. Rudy had het verschrikkelijk koud, omdat het block niet verwarmd was, hij nam een deken en gooide het over zijn koude lichaam. De gevangenen werkten reeds een hele tijd aan de centrale verwarming, de leidingen liepen door acht blokken. De reiniging verliep zéér traag. Huiverend stonden de gevangenen te wachten op hun kleding, ze stonden dicht bij elkaar. Na ongeveer twee uur konden ze hun kleding weer aandoen. Het deed de gevangenen goed de warme kleding aan te trekken, maar niettegenstaande dàt was het nog vuil. "Oef!", zei Rudy tot Alex, “voortaan zijn wij van dat ongedierte vanaf." “Ja, dat kun je wel zeggen, 't was een ware plaag. Ik vraag mij af hoelang dit geluk zal duren!" "Als wij andere gevangenen tegenkomen die nog niet ontsmet zijn, zijn wij er wéér mee geplaagd.” En inderdaad, het duurde niet lang. 's Morgens werden de arbeidscommando's gevormd. In de trein kwamen de ontsmette en niet-ontsmette gevangenen samen. Het duurde dus ook niet lang, iedereen begon wéér te krabben. 's Morgens moesten de gevangenen stenen dragen, na de middag in de koude rondlopen. Op deze manier verliep hun rustdag. Die dag had Rudy juist zijn soep gegeten toen er een pakje van het Rode Kruis aankwam. Tevreden met de gift laadde hij de doos leeg, onderaan lag een brief van Annie zijn vrouw. Ongeduldig opende hij de enveloppe. Ze schreef:

"Beste lieve man. Ik schrijf je vluchtig dit briefje, de SS-ers hebben ons opgepakt, wij stonden naar een razzia te kijken. En die SS-ers dachten dat wij bij die groep hoorden en namen alle verdachten mee, dus ik en de kinderen! Als ik nog een kans krijg zal ik niet nalaten je nog iets te laten weten. DAAAAAAAg, ik heb je zo lief, ik geef je vele kusjes van de kinderen en hoop je vlug weer te zien Je vrouw Annie en de kinderen.”””

Rudy las ontzet de brief en riep: "Alex, Annie" "Wat is er met je vrouw?" “Mijn vrouw en de kinderen zijn opgepakt!" "Wat? zijn ze opgepakt?" "Ja het staat hier in deze brief!" "Maar dat is verschrikkelijk!" "In welk concentratiekamp zouden ze terechtgekomen zijn? Welke gruwelijkheden staan hen te wachten, ik mag er niet aan denken, misschien zie ik hen nooit meer terug!" “Moed houden man, wij moeten deze hel overleven om aan iedereen die dit horen wil te vertellen wat gruwelijkheden wij in deze oorlog moesten meemaken. Kop op, het zal allemaal wel goed komen!" Rudy snikte, hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Medelijdend nam Alex zijn vriend in zijn armen. "Dit nieuws is de ergste tegenslag sinds ik opgepakt ben!" "Ja Rudy!", zei Alex troostend, “maar toch moet je de moed erin houden, wat er ook gebeurt, je moét deze hel overleven!" Plots zwaaide de deur open, de bewaker riep: "Vooruit, vlug, iedereen naar het appél, schnell, schnell!" Rudy stak vlug de brief in zijn hemdzak, gelukkig had de bewaker dit niet gezien. Rudy en Alex spoedden zich vlug naar de verzamelplaats. Zoals steeds stonden de gevangenen uren in "Geef-acht-houding" Na het appél werden de gevangenen naar hun werk gedreven. Het leven ging verder...

Hoofdstuk 7: Naar Auschwitz

Toen Ilse en Marijke van school kwamen stond hun moeder reeds aan de voordeur hen op te wachten. Ze wilde met z'n allen naar de nabijgelegen winkel gaan. Lachend liepen de kinderen naar hun moeder. Annie zei: "Hou jullie mantels maar aan, want wij gaan winkelen!" Ze had reeds haar zegels bijeen gezocht om het rantsoen voor die dag te halen. Toen het drietal uit de winkel kwam zag ze tot haar ontzetting aan de overkant van de straat een oude man die geschopt en geslagen werd. De SS-er tierde: "Schnell, schnel, Schweinhunde, in de vrachtwagen, schnell, schnell.!" Annie en de kinderen bleven ontdaan kijken. Ze zag hoe mensen als vee naar de vrachtwagen werden gedreven. "Worden die mensen zo opgepakt zoals die soldaten dat bij papa gedaan hebben?", vroeg Marijke angstig. Ilse keek even naar haar moeder en naar Marijke en liep plots de straat over, ze wilde het gebeuren van dichtbij bekijken. Het gebeurde toen Annies blik werd afgeleid toen er een auto voorbijraasde. Toen gebeurde het: "Ilse, kom hier!" Maar ze luisterde niet en liep verder. Plots greep Annie haar bij haar arm en zei boos:”’Waarom luister je niet? Je verdient verdorie een oorvijg, weet je dat?" " Ja mama, maar ik wilde die soldaat tegenhouden, omdat hij die mensen zo stampt en slaat!" "Maar, liefje van mijn leven, jij wilde die soldaat tegenhouden, dat is héél gevaarlijk!" "Waarom is dat gevaarlijk, mama?" "Weet ge dan niet dat die SS-ers die jij soldaten noemt hebben papa meegenomen, wilt gij ook meegenomen worden?" "Neen mama, ik zal het nooit meer doen!" Plots hoorde Annie een nijdige stern achter haar die snauwde: "Hoor jij ook bij deze zigeuners en die joden?", vroeg de SS-er in het Duits. "Neen, wij kwamen juist uit de kruidenierswinkel aan de overkant!", terwijl ze naar de bewuste plaats wees. Naar Ilse kijkend zei ze: "Mijn dochtertje liep plots naar de overkant, toen ik haar had ingehaald bent u gekomen!" " En ik moet dat geloven? ha, ha, ha, ga daar maar bij die groep mannen en vrouwen en hun kinderen staan!" "Ja maar, wij zijn geen joden of zigeuners, wij hebben hier niets mee te maken!", riep Annie ontdaan, "laat ons weer vrij!" Systematisch nam ze Ilse en Marijke in haar armen terwijl ze alsmaar riep: "Wij hebben hier niets mee te maken, wij zijn geen zigeuners of joden!" "Zwijg jij, voor mij zijn jullie Joden of zigeuners, het maakt niet uit wat jullie zijn, jullie hadden hier niets te zoeken!" Bij deze woorden greep hij Annie onzacht beet, de twee andere SS-ers die wat verder stonden grepen Marijke en Ilse en sleurden hen in de gereedstaande camion. Annie verweerde zich uit alle macht, ze stampte en beet in de arm van de SS-er. "Au, jij lelijke feeks, jij hebt mij gebeten, hiervoor zul ,je boeten!" Annie wilde niet opgeven en riep: "Help, wij hebben hier niets mee te maken, help!" Maar niets mocht baten, de SS-er sloeg haar nijdig met zijn matrak en trok haar bij haar hoofdharen naar de vrachtwagen. "Au, je doet mij pijn!", riep Annie wanhopig, “wij gingen alleen maar naar de winkel!"

Ilse en Marijke krijsten als wilden en riepen vertwijfeld: “Neem mij niet mee, laat mij bij mijn mama blijven alstublieft, ik wil niet in die vrachtwagen, help!" De roepkreten van de kinderen en Annie klonken afgrijselijk, de mensen achter hun gesloten gordijntjes kregen er kippenvel van. Ze hadden medelijden met hen, maar ze konden helaas niets doen... In de vrachtwagen riepen de kinderen nog steeds: "Ik wil hier uit, help mij alstublieft!" Een SS-er die bij de camion stond riep woedend: "Zwijg, of ik sla jullie met deze matrak, begrepen?" Linda, Annies vriendin, kwam juist in de straat gereden. Ze stapte van haar fiets en luisterde naar het hulpgeroep. Ontzet keek ze naar Annie die brutaal naar een camion gesleept werd. Ze gooide vlug haar fiets op de grond en liep met haar handen omhoog naar de SS-er en riep ontdaan: "Laat mijn vriendin en haar kinderen vrij, ze hebben niets misdaan!" "Hou je mond jij of wij nemen jou ook mee, begrepen?" Maar Linda riep buiten zichzelf: "Annie, Ilse, Marijke, ik ben hier, Linda!" Toen Annie de stem van haar vriendin hoorde begon ze uit alle macht op de ijzeren wand te bonken, wanhopig roepend: "Help Linda, wij hebben niets misdaan, Linda!" Annies smeekbeden klonken als een echo in haar oren. Ze riep terug: "Ik zal mijn uiterste best doen om jullie vrij te krijgen!" Ze wilde nog iets roepen, maar de vrachtwagen reed plots weg. Lange tijd bleef ze het gevaarte nastaren tot het verdwenen was. Ze was alleen op de straat er was niemand te bespeuren. Ilse en Marijke kropen angstig bij hun moeder. Annie kalmeerde hen sussend: "Stil maar, dit is een vergissing, die SS-ers zullen ons wel vlug vrijlaten, wees gerust!" Na deze woorden werden de kinderen kalmer. Maar Annie wist wel beter...

De gevangenen staarden wezenloos voor zich uit, zich afvragend wat de toekomst hen brengen zou. Lange tijd was het zéér stil in de truck, iedereen was met zijn eigen gedachten bezig. Plots werd ze opgeschrikt doordat de camion ruusk stopte. "Luister!", zei ze tot één van de gevangenen die naast haar zat: "Ik hoor stemmen en blaffende honden!" Met een ruk vloog de ijzeren deur open. Een SS-er riep: "Raus, schnell, schnell!" Terwijl hij dit zei sloeg en stampte hij hen tot iedereen buiten was. Een zéér oude man die moeilijkheden had bij het uitstappen, werd geslagen en getrapt tot hij voor dood bleef liggen. Wanhopig riep hij steeds: “Hou op, sla mij niet meer, ik houd dit niet meer uit, au, je doet mij pijn!", riep hij smekend. Maar de SS-er had er geen oren naar en deed verder. "Vooruit, wees wat vlugger, schweinhund!" In een laatste krachtsinspanning riep hij nog: "Ik kan mij niet zo goed bewegen, want ik heb reuma, heb medelijden met een oude man!" "Zwijg, of ik laat de honden op je los, begrepen?" Nijdig sloeg en stampte de SS-er hem tot hij levenloos neerviel. Toen iedereen uitgestapt was werden de kinderen van hun ouders gescheiden, de mannen werden eveneens apart gezet. Een SS-er liep naar Annie en nam Marijke en Ilse ruw vast en zette hen bij een groep andere kinderen. Annie riep ontzet: "Neen, doe dat niet, laat mij mijn kinderen behouden!" Ze verweerde zich uit alle macht en riep steeds: " Geef mij mijn kinderen, doe mij dit niet aan, alstublieft!" Zwijg of ik schiet een kogel door je kop!", zei één van de bewakers met een geweer op haar borst gericht om haar in bedwang te houden. Marijke en Ilse riepen: "Ik wil bij mijn mammie blijven, laat mij naar haar gaan, ik wil naar mama!" Maar zonder pardon nam de SS-er hen mee. Hij nam woest de handen van de beide meisjes en sleurde hen over de grond.

Vrouwen en kinderen werden naar links verwezen... Een klein meisje van drie begon angstig te wenen. Een bewaker met een nijdig blaffende hond was zéér dicht bij het kind gekomen. Een jonge vrouw nam het kleine meisje op haar arm en sprak haar kalmerend toe: "Stil maar liefje, de hond zal je niet bijten, wees maar stil!". De jonge vrouw wiegde het kindje teder heen en weer. Na enkele minuten werd het kleintje stil. Dokter Mengele, die de selectie leidde, beval aan een bewaker: "Zet deze vrouw met dat kind links!" "Maar!", riep ze ontzet, “dit kind is niet van mij!" Maar de bewaker luisterde niet en zei vriendelijk: "Kom wij gaan naar de douches!" Bijzonder lief zei de bewaker: "Kleden jullie je maar uit, ik zal binnen vijf minuten terugkomen om jullie naar de wasplaats te brengen!" Een vrouw riep: " Ik denk niet dat wij gaan douchen, wij worden vergast!" Door deze uitroep raakte iedereen in paniek, ze riepen verstijfd van schrik: "Wij worden vergast, oh laat dit niet gebeuren, ik wil leven, oh God, help mij!" " De bewaker die het lawaai hoorde zei sussend: "Wees gerust, er zal jullie niets gebeuren, ik wil alleen dat iedereen naar de douches gaat!" Dit zeggende dreef hij vriendelijk maar kordaat de naakte vrouwen naar een enorme wasplaats. Toen de vrouwen binnen waren sloot hij zorgvuldig de zware ijzeren poort. Het gas van Zyklon B-kristallen werd gebruikt om de vergassing te bewerkstelligen. Toen de vrouwen het gas hoorden probeerden ze met hun kinderen omhoog te klimmen, wanhopig roepend: "Help, ik wil niet sterven, help, laat mij hieruit!" Na enkele minuten verminderde het gejammer, het werd stil, de dood was ingetreden...

De overige gevangenen werden naar Barak Canada gebracht waar hen alles werd afgenomen zoals brillen, horloges en hun kleding. Dan moesten ze eveneens naar de douches. De vrouwen betraden met knikkende knieën de wasruimte, ze waren overtuigd dat ook zij vergast werden. Toen Annie onder de douche stond vroeg ze zich af of er water of gas uit de sproeiers zou komen! Na enkele seconden kwam er zéér heet water uit. Verschrikt sprong ze weg en riep: "Au, wat is dat water heet, dààr kan ik niet tegen!" Een bewaker liep naar haar en riep nijdig: "Ik heb je niet gezegd dat je uit de cabine mocht, vooruit, terug, en vlug wat!" Dit zeggende duwde hij haar er ruw weer in." Wanhopig riep ze: "Au, ik houd het niet uit, het water is veel te heet!" De bewaker zei lachend: "Ha, ha, het water is veel te heet, wat grappig!" Plots werd zijn gezicht ernstig en hij zei dreigend: "Durf het niet te wagen om uit de douche te komen of...” Ze probeerde zoveel mogelijk het warme water te vermijden door wat verder van de waterstraal te gaan staan. Opeens voelde ze de weldaad van koud water over zich heen, maar dàt duurde niet lang. Na enkele seconden werd het water ijskoud, ze kon onmogelijk blijven staan en sprong voor de tweede maal eruit. Annie beefde van de koude toen de bewaker riep: “Iedereen in rijen van twee. Schnell, schnell!" Iedereen werd naar een andere kamer gebracht, waar ze werden geschoren zoals onder de oksels, de hoofdharen en de geslachtsdelen. Dit werk verliep niet omzichtig waardoor veel vrouwen gewond raakten. Annie keek rond terwijl ze verlegen haar borsten bedekte met haar ene hand en met de andere probeerde haar geslachtsdelen te bedekken. De bewaakster snauwde haar toe: "Kom hier jij, en ga daar op de tafel liggen!", riep ze, naar Annie kijkend. Aarzelend deed ze een stap naar voor en bleef voor een hoge tafel staan. Doordat ze geen aanstalten maakte, riep de bewaakster nijdig: "Wel mevrouwtje, komt er nog wat van of moet ik je helpen?" Ze greep onzacht Annie bij haar arm en riep woedend: "Maak dat je op deze tafel ligt of ik sla je erop, begrepen?" "Ja mevrouw!" Ze deed vlug wat er van haar gevraagd werd. Met een sadistisch geweld begon ze te scheren... Tijdens het werk schoof het scheermesje uit... Annie gilde en riep: "Hou op, scheer wat voorzichtiger, oh God, wat doet dat pijn!" Haar geslachtsdeel bloedde hevig. De bewaakster had plezier om Annie te pesten. Grijnslachend zei ze: "Ha,ha, ha, heb je pijn ocharme, wat erg!" Annie kronkelde zich van pijn en riep: "Hou op, ik houd het niet meer vol!" De bewaakster keek Annie diep in haar ogen en zei dreigend: "Je gaat je kalm houden of ik rijt je hele lichaam open, begrepen?" Ze voelde dat de bewaakster haar dreigement zou uitvoeren en zweeg. " Sta recht!", zei ze tot Annie, “schnell, schnell!" Annie had echter teveel pijn, ze probeerde te gehoorzamen maar dit ging niet zo vlug als de bewaakster wel zou willen. “Allemaal in rijen van twee, wij gaan ergens anders heen!" "Wat gaan wij daar doen?" "Zwijg jij, dat zul je wel zien!"

Bij hun aankomst werden de schoeisels uitgedeeld, ze waren zo versleten dat ze met vodden moesten samen gebonden worden. Vervolgens werden de gevangenisnummers in hun armen geprikt. En wéér gebeurde dit werk niet omzichtig. Bij het einde, toen iedereen zijn nummer had, riep de bewaakster: "Aandacht, het is belangrijk dat jullie uw nummer onthouden, wie het vergeet zal vergast worden of krijgt vijfentwintig stokslagen!"

Allen werden in quarantaine geplaatst. Het slapen gebeurde in tenten, want er was geen plaats in de barakken. Ze sliepen als vee bijeen, want er werden zoveel mogelijk gevangenen in één tent geborgen. Wat zeker niet comfortabel was.

Hoofdstuk 8: De arbeid

Annie verbleef reeds drie weken in quarantaine in het concentratiekamp Auschwitz. De gevangenen leefden er in een tent in uiterst onhygiënische omstandigheden. De kinderen van de gevangenen werden in Blok 10 geplaatst. Na drie weken werd ze aan het zware werk gezet dat uit zware stenen dragen bestond, die ze van de ene kant naar de andere kant dienden te dragen. Die dag was het snikheet.. De gevangenen waren reeds vier uur aan het werk. Eén van de gevangenen strekte haar rug en veegde het zweet van haar voorhoofd. Een grote herdershond liep naar de arme vrouw en beet in haar benen. De honden waren opgeleid om de gevangenen te bewaken. Karin verweerde zich uit alle macht, het razende dier beet haar waar hij haar raken kon. Enkele seconden later viel ze zwaargewond neer. In een laatste poging probeerde ze nog de hond van zich af te duwen. Er sijpelde bloed uit haar mond. Met haar laatste krachten lispelde ze: "Help mij alstublieft!" De bewakers hadden er geen oor naar en bulderden van het lachen. Eén van hen riep: "Kijk Pipo valt één van de gevangenen aan, ha, ha, ha!" De vijf SS-ers keken geamuseerd naar het slachtoffer dat zich krampachtig verweerde. Smekend riep ze alsmaar: "Trek die rothond van mij weg, hij zal mij doodbijten, alstublieft!" Maar de bewakers antwoordden: "Moeten wij Pipo van je weghalen? Wij hebben juist plezier in het schouwspel. Ha, ha, ha!" Het lachen van zijn bazen hitste het dier nog méér op. Eliza, één van de gevangenen liep verontwaardigd naar één van de bewakers en riep met vlammende ogen: "Roep die smerige hond terug, hij zal die arme vrouw doodbijten!" De bewaker zei woedend: "Als je niet kalm bent onderga je hetzelfde lot, begrepen?" "Neen, ik begrijp niet waarom jullie zo beestachtig zijn!", riep ze buiten zichzelf. Een zwaargebouwde bewaker greep Eliza bij haar hoofdharen, trok haar hoofd achterover en zei, haar diep aankijkend: "Hou je mond jij, of ik trek je nagels uit je vingers, begrepen?" Bij deze woorden gaf hij Eliza een fikse duw zodat ze met een smak op de grond viel. Woedend begon hij haar te stampen en te slaan terwijl hij riep: " Niemand mag ons commanderen, jij bent een gevangene en jij hebt te luisteren naar ons, rotwijf, en sta op, schnell, schnell!" Eliza's ledematen deden vreselijk pijn, vruchteloos probeerde ze zich op te richten. Na enkele ogenblikken bleef ze kermend liggen. "Wel komt er nog wat van? Vooruit, lui wijf!"

Ze wist dat indien ze niet deed wat haar gevraagd werd ze nog méér stampen en slaag zou krijgen. Moeizaam kroop ze recht terwijl ze de bewaker een vernietigende blik toewierp, terwijl ze dacht: "Als ik de kans kreeg neep ik je keel dicht, rotzak!" Dit laatste had hij gehoord, nijdig greep hij haar en schudde haar heftig dooreen, haar toesnauwend: ”Ik gooi jou in het hok, dààr kun je rechtstaan tot ter dood, rotwijf!", en sleurde haar meteen naar een hokje dat niet groter was dan de ingang van een hondenhok. Eliza was verplicht erin te kruipen, dit ging echter niet van een leien dakje. De bewaker duwde haar ruw in het kleine gat. In het hok zaten nog vijf andere gevangenen opgesloten. Door de kleine ruimte die niet groter was dan negentig op negentig centimeter groot, kon ze bijna niet rechtkomen. Er was een klein raampje dat niet groter was dan vijf op vijf centimeter, waardoor het er zéér benauwd was. De vrouwen stonden als vee opeen geplakt. Wie hier belandde, kreeg geen eten of drinken...

De volgende morgen vloog het deurtje open, een stem snauwde: "Iedereen eruit, schnell, schnell aan het werk!" Een van hen vroeg: "Krijgen wij wat eten en drinken? Wij hebben zo’n honger en dorst!" “Jullie zijn ter dood veroordeeld, dus geen eten noch drinken!" "Da..., dat wil zeg...zeggen dat wij?" "Ja, zo is het, jullie moeten hier sterven!" "En intussen krijgen wij niets meer te eten?" "Neen!", riep de bewaker ongeduldig, en zanik niet meer, vooruit aan het werk!"

Het was die dag weer snikheet... Een gevangene van de staancel kreeg een flauwte... De honger was een ware plaag. Lena's maag grolde, haar tong plakte omzeggens aan haar gehemelte. Een van de bewakers zag dat ze bewusteloos neerzeeg en liep naar haar, hij draaide haar met zijn voet om en om en constateerde dat er geen leven meer inzat. “Deze beweegt niet meer, gooi dit uitschot maar op de lijkenhoop!", beval hij aan enkele bewakers. Door de smak kwam ze bij, ze besefte dat ze op een enorme lijkenhoop lag. In paniek zei ze tot zichzelf: "Die smeerlappen zullen mij naar het crematorium brengen!" Ze probeerde zo vlug mogelijk uit die troep te raken. Toen ze weer op de begane grond stond, kwamen er twee SS-ers voorbij. Vlug verstopte ze zich achter de lijkenhoop. Behoedzaam sloop ze verder en keek of alles veilig was. Ze wilde vlug naar de andere zijde lopen toen de twee bewakers haar kant uitgingen... Ze bleef zo stil mogelijk plat op de grond liggen en durfde bijna niet te ademen, haar hart bonsde luid. Na ongeveer een half uur was alles veilig... Ze liep vlug naar haar Blok. Hijgend kwam ze binnen. Verbaasd keken haar medegevangenen haar aan. Linda vroeg: "Hoe ben jij uit die staancel ontsnapt?" "Het was buiten zo heet en wij kregen geen eten, plots werd ik draaierig en ik viel bewusteloos. De SS-ers dachten dat ik dood was en gooiden mij op de lijkenhoop, ik mag er niet aan denken dat die rotzakken mij levend in de oven hadden gestoken!"

"Ja Lena, je bent op het nippertje aan de dood ontsnapt, je mag van geluk spreken dat je flauw viel!" "Dat mag je wel zeggen, maar het was toch maar een enge ervaring, ik huiver nog!" "Zeg Lena, hoe ben je naar hier geraakt? hebben de bewakers je niet gezien?" Ze vertelde haar medegevangenen alles, die aandachtig naar haar luisterden. "Het is er een nauwe bedoening, wij stonden met z’n zessen opeen geplakt. Ik ben blij dat ik verlost ben van die vervloekte staancel, waar ik drie dagen en twee nachten verbleven heb zonder eten noch drinken!" "Ik werk in de keuken!", mengde Nora zich in het gesprek, "ik zal proberen wat eten te halen, verstop je, ik kom direct terug!" Buiten gekomen keek ze behoedzaam rond en sloop voorzichtig in bukkende houding de duisternis in. Dit vergemakkelijkte haar tocht. De keuken was enkele Blokken verder gelegen. Een reuzegroot licht verlichtte het kamp. Eensklaps scheen het in haar richting... Bliksemsnel gooide ze zich neer, ze bleef liggen tot het gevaar geweken was. Angstig en met kloppend hart kroop ze verder. Onderweg hoorde ze mannenstemmen. Ze hief traag haar hoofd omhoog en zag tot haar ontzetting dat er twee SS-ers lachend voorbij haar kwamen. Op twee meter afstand hielden ze halt... Ze hield zich doodstil en durfde haast geen adem te halen. Terwijl ze dacht: "Verdomme, als die smeerlappen maar niet te lang blijven staan, anders schiet ik hier wortel!" Toen de twee bewakers aanstalten maakten om weg te gaan, liet Nora een zucht van verlichting. "Pff, ze zijn weg, die rot-SS-ers hebben mij niet gezien, nu kan ik vlug naar de keuken lopen!" Toen ze er aangekomen was nam ze vlug wat brood en een appel. Terug in de Barak gekomen wilde Nora het brood en de appel aan Lena overhandigen, maar deze was uitgehongerd en nam het eten vlug uit Nora's handen. Ze had zo een grote honger dat ze het brood ineens in haar mond stak, alsook de appel. " Oef!", zei Lena, "dat beetje eten heeft mij goed gedaan, dank je!"

Na ongeveer een uur was het tijd om te gaan slapen. Om vier uur werden ze uit hun slaapsteden geranseld. "Iedereen voor uw bed gaan staan, schnell, schnell!" Die morgen duurde het appél eindeloos lang. Ze werden geteld en herteld, steeds opnieuw... De Blokaltester had er geen erg in dat Lena erbij was gekomen. Ze was nog steeds moe, zodat ze tijdens het appél omzeggens stond te slapen. De Blokaltester keek toevallig naar haar... Toen ze zag dat deze niet in houding stond, stevende ze er woedend op af en gaf haar een klinkende oorvijg. “Je staat te slapen tijdens het appél, ik eis van iedereen een strikte oplettendheid, begrepen?" "Sorry, ik zal in het vervolg wat beter opletten, het zal niet meer gebeuren!" "Dat is geraden,vuile Jodin!" Lena wilde de Blokaltester toeroepen dat ze geen Jodin was, maar ze verkoos te zwijgen. Ze had teveel angst om wéér gestraft te worden. Na urenlang verzamelen moest iedereen weer aan het werk.

's Avonds toen ze in hun Blok waren vloog de deur met een ruk open... Kaduk, een klein mannetje van één meter vierenvijftig opende met een ruk de deur. Hij was de schrik van het kamp. Annie, die nog maar enkele dagen in de Barak was, keek onbegrijpelijk naar de angstige vrouwen. Ze vroeg zich af waarom iedereen zo bang was. Dit zou ze vlugger dan verwacht ondervinden... Hij keek nors naar de gevangenen, daarna zag hij Annie... Lange tijd keek hij haar aan tot hij eindelijk vroeg: "Jij bent hier nieuw, zeker?" "Ja mijnheer, ik ben hier nog maar enkele dagen, voorheen was ik in quarantaine!" "Goed, nieuwelingen bevallen mij, ga daar maar op de grond liggen, ik zal eens bewijzen wie hier de baas is!" Dit zeggende knoopte hij zijn gulp los.. "Je bedoelt toch niet dat jij...? Oh neen, als je denkt dat ik mij zal laten doen, heb je het mis!", riep Annie buiten zichzelf. "Oh ja, als ik zeg dat jij daar gaat liggen zul je dat doen, of...!" "Neen, dàt doe ik niet!" Kaduk werd woedend bij zoveel weerstand, hij voelde dat dit geen vrouwtje was om zonder handschoenen aan te pakken. Hij greep Annie’s hoofdharen, trok haar hoofd met een ruk achterover en zei dreigend: "Als je niet gehoorzaamt zal je dit berouwen, begrepen?" Waarop hij haar met een smak op de grond gooide. Als een wilde sprong hij op haar en sleurde haar kleren met bruut geweld van haar lichaam. Annie verzette zich uit alle macht en krabde in zijn gelaat, ze beet tot bloedens toe in zijn arm. "Au!", riep hij nijdig, "jij feeks, ik zal je leren!" Hij probeerde Annie's benen open te spreiden, tijdens dit ritueel hield hij Annie's armen omhoog, zodat ze niets meer kon doen...

Toen hij seksueel bevredigd was, sloeg en stampte hij Annie tot ze bewusteloos bleef liggen. Na haar een laatste genadeslag gegeven te hebben zei hij grijnslachend: "Nu weet je wie hier de baas is!" Sara, één van de gevangenen waagde het te roepen: "Ben je niet verlegen een weerloze vrouw aan te vallen, smeerlap!" "Hou je mond jij, en bemoei je met je eigen zaken!" "Neen, ik zwijg niet, iemand moet het eens zeggen, jij bent een onmens, smeerlap!" “Zwijg of...!" "Als deze oorlog voorbij is zul je voor deze daden gestraft worden!" “Jij moet mij niet de les spellen!", riep hij nijdig terwijl hij haar begon te stampen en te slaan terwijl hij steeds riep: "Jij moet je mond houden en om dàt te stoppen ga ik je martelen, rotwijf!" Kaduk greep haar bruut vast en sleurde haar naar de folterkamer. Hij nam een krukje en plofte Sara onzacht op het stoeltje. Met vlammende ogen keek hij haar aan en zei grijnslachend: "Ik zal je klein krijgen, geef je handen, schnel, schnell!" Aarzelend deed ze het. Ruw begon hij haar te pijnigen. “Ik zal je leren te gehoorzamen!" En trok langzaam Sara’s nagels uit haar vingers. Ze riep alsmaar: "Au, houd op, ik zal alles doen wat je wilt maar houd ermee op alstublieft!" Maar Kaduk had er geen oren naar en martelde verder...

Urenlang moest de arme vrouw de vreselijkste martelingen ondergaan. Eindelijk hield hij op. Kaduk bracht haar als een wrak naar haar Blok en en gooide haar met een smak op het bovenste bed. Het bloed sijpelde uit haar mond, na de nagelfoltering had hij Sara gestampt en geslagen. Terwijl hij haar hoofd met een ruk tegen de muur had geslagen. Ze kreunde en kon zich niet bewegen. Die nacht kon ze niet slapen, ze wist niet hoe ze moest liggen om de hevige pijnen wat minder te voelen. Eindelijk viel ze na enige tijd in slaap. Amper twee uur later vloog de deur van het Blok open. De Blokaltester riep bevelend: "Iedereen opstaan, schnell, schnell!" Dit zeggende liep ze langs de bedden, er op lettend dat iedereen gehoorzaamde. Wie bleef liggen sloeg ze er duchtig op los met haar matrak. Hier en daar klom ze op het trapje om te zien of ze niet bleven liggen... Bij Sara's bed gekomen zag ze dat deze nog steeds in haar bed lag... "Wel, wel, mevrouwtje, opstaan geldt ook voor jou hoor!" Door het geroep werd ze wakker, versuft keek ze de bewaakster aan. "Wel, komt er nog wat van? Vooruit, sta op, schnell., schnell!" Doordat haar lichaam geheel gekneusd was, was het zéér moeilijk om langs het trapje naar beneden te komen. Toen ze eindelijk op de begane grond stond, riep de Blokaltester ongeduldig: "In looppas naar de appélplaats, schnell, schnell!"

Tijdens de verzameling telde en hertelde men de gevangenen steeds maar weer... Het appél duurde reeds vijf uren toen één van de gevangenen onwel werd en flauw viel. Dokter Mengele die deze bijeenkomst leidde keek geamuseerd naar de bewusteloze en zei tot de bewakers: "Breng dit uitschot naar de gaskamer, ik kan niet dulden dat er iemand flauwvalt!" Jenny die dichtbij de bewusteloze stond wilde Kitty helpen. Maar Dokter Mengele riep dreigend: "Raak die Jodin aan en je kunt haar naar de gaskamer vergezellen!" Jenny kon niet nalaten te roepen: "Neen, vergas haar niet, ze is mijn beste vriendin, ze is zwanger!" " Wat?", riep Mengele, "is deze vrouw zwanger? een reden temeer om het bevel uit te voeren, breng haar weg!" Bij deze fatale woorden viel Jenny op haar knieën en smeekte: "Alstublieft, laat haar leven, voer haar niet weg, alstublieft!" "Zwijg, wil jij ook naar de gaskamer?" "Oh ja, laat mij ook sterven, ik wil in deze hel niet meer verder leven, zonder Kitty is mijn leven niets meer waard!" "Wel, heb je van mijn leven, ze wil samen met haar vriendin vergast worden, wat een vriendschap!" Dokter Mengele keek haar een lange tijd aan. Eindelijk zei hij: " Wel, omdat ge wilt sterven samen met dit stuk vuil zult ge blijven leven!" En tot de bewakers zei hij: "Geef haar de knielstraf, dat zal haar tot nadenken stemmen!"

Twee bewakers gooiden de verschrikte Jenny ruw op de grond. Eén van de bewakers snauwde: "Ga op je knieën zitten met je bovenlijf op de vloer en strek je armen goed naar voor!" De bewaakster, Mandel, legde een zware steen in Jenny's handen. Ze lag reeds enkele uren in de felle zon, ze zweette hevig, haar armen en haar rug deden hevig pijn. Zuchtend dacht ze: "Wanneer is deze marteling voorbij?" Eventjes liet ze haar armen zakken, hierdoor vielen de puntige zware stenen uit haar handen... Mandel zag wat er gebeurde en liep nijdig naar haar.. Met bruut geweld legde ze de zware stenen terug in haar handen, waardoor Jenny's vingers als het ware verpletterd werden. Buiten zichzelf trok de bewaakster Jenny's hoofd achterover en riep bars: "Als je deze stenen niet in je handen houdt sla ik je verrot, begrepen?" "Mijn armen en mijn schouders deden pijn en ik kon het niet meer uithouden!", riep ze, zich verdedigend. "Je laat je armen zakken wanneer ik het zeg, hoer!" Mandel sloeg Jenny, stampte in haar maag, op haar hoofd en overal waar ze haar raken kon. Tijdens deze afranseling was ze verplicht de zware stenen in haar handen te houden, maar dit ging natuurlijk niet zo gemakkelijk. Haar nagels schraapten aan de ruwe stenen, waardoor deze afbraken en diepe wonden veroorzaakten. Mandel schiep genoegen in het martelen. Ze stampte hevig met haar zware botten op Jenny's hand. Jenny gilde het uit van pijn. “Hou op, ik zal doen wat je zegt, maar hou ermee op, alstublieft!" Annie liep naar Jenny om haar te helpen maar Mandel riep terwijl ze haar een flinke trap op haar rug gaf: "Au!", riep ze en zeeg met een pijnlijk gelaat op de grond. Ze duwde dreigend Annies hoofd tegen de grond terwijl ze woedend zei: "Nu moet je eens goed luisteren, onthoud dit goed, ik ben hier de baas, dus ik beslis wie helpt, begrepen?" Annie bekeek Mandel met vlammende ogen. Ze keek haar een laatste maal met een verachtelijke blik aan, dan zei ze: "Breng mij wat water!" De bewakers wisten waarvoor Mandel deze vloeistof nodig had... Met de melkkan waarin het water gebracht werd, werd het water traag in Annies oren gegoten. Ze voelde dat haar hoofd langzaam opzwol, ze had het gevoel dat haar hoofd ging barsten. Ze kon het niet meer houden en riep: "Hou op, mijn hoofd staat op barsten, heb medelijden, alstublieft!" Maar de bewakers folterden verder...

Eindelijk stopte de marteling. Als een wrak viel ze op de grond, haar hoofd bonsde, met beide handen hield ze haar hoofd vast, uitgeput bleef ze liggen... Plots klonk het vaag: "Vooruit smerig wijf, sta op en ga aan het werk!" Toen ze eindelijk naar bed kon, kon ze de slaap niet vatten, ze had een vreselijke hoofdpijn.

Hoofdstuk 9: De kinderen

De kinderen Ilse en Marijke verbleven reeds enige dagen in Blok 10, waar dokter Mengele zijn experimenten met authentieke tweelingen uitvoerde... Die dag, het regende pijpenstelen... De bewaker kwam in de Barak, waar de kinderen angstig bijeen zaten, ze durfden haast niet ademhalen. Toen hoorden ze de deur bruut opengaan... Een schril fluitje deed hen wegkruipen. "Allemaal in rijen van vijf, schnell, schnell!" Ze zouden die dag geselecteerd worden. De SS-ers hadden een eindje verder een staaf van 1 meter 20 geplaatst. Een bewaker riep door een grote luidspreker: "Aandacht, aandacht, hier staat een staaf, wie ze raakt blijft leven, de anderen worden vergast!" Ilse en Marijke hoorden met grote ontzetting het gruwelijke nieuws. Ilse zei zenuwachtig, haar handen ineen frommelend: "Marijke, ik ben véél te klein voor die staaf, die raak ik niet, ik word vergast!" Wenend nam ze haar zusje in haar armen en zei snikkend: "Er moet iets aan gedaan worden!" Beide kinderen stonden zwijgzaam in elkaars armen, ieder voor zich, naar een oplossing zoekend. Plots zei Marijke: "Ik heb een idee: weet je wat je moet doen? Rek je hoofd en loop op je tenen, als die bewaker eventjes niet oplet ben je er misschien door en als jij als eerste erdoor moet zal ik proberen die bewaker af te leiden!" Maar Marijke had pech en werd opgeroepen, zodat ze voor Ilse niets kon doen. Ze keek de bewaker angstig aan en ging schoorvoetend, terwijl ze nog éénmaal omkeek, traag naar de staaf. Opeens kon ze niet meer verder, een panische angst overviel haar, ze bleef pal staan. Ze had het gevoel dat haar benen verlamd waren. "Wel, komt er nog wat van?", riep de bewaker ongeduldig. Met haar hoofd naar beneden antwoordde ze bang: "Ja mijnheer!" Met knikkende knieën liep ze door de staaf. "Groot genoeg!", zei de bewaker, "ga rechts staan met je rug naar de staaf!" Toen was het Ilse’s beurt... Ze liep met opgeheven hoofd en op haar tenen erdoor... De bewaker keek oplettend naar Ilse. Lachend tilde hij de staaf wat hoger... "Te klein!", zei de bewaker, "ga links staan!" Ilse keek hem smekend aan en riep: "Oh neen, ik wil niet sterven, laat mij leven, ik wil bij mijn zusje blijven, heb medelijden, alstublieft!" Maar de SS-er nam geen interesse en zei nors: "Je blijft waar je bent, begrepen?" Marijke keerde zich vlug om en riep: "Oh neen, niet mijn zusje, laat ze leven, Ilse, Ilse!" De smeekbeden van Marijke klonken akelig. De andere kinderen kregen er kippenvel van. Zonder een toon van angst liep Marijke plots naar haar zusje en nam haar liefdevol in haar armen en zei snikkend: "Ik wil niet dat je doodgaat, oh God, help ons alstublieft!" Ilse riep wanhopig: "Marijke, je moet iets doen, ik wil bij jou blijven!" Bij deze uitroep greep ze haar zuster inniger vast en kuste haar wenend. De bewaker sleurde Marijke uit de omarming en sleurde haar opnieuw naar rechts terwijl hij dreigend zei: "Als je nog éénmaal naar de linkerzijde loopt breek ik je nek, begrepen?" Maar het kind liet zich niet doen en zei, de bewaker recht in zijn ogen kijkend: " Aan de overkant, aan de linkerzijde staat mijn jongere zusje, ze moet sterven door uw schuld, ik zal haar verdedigen zolang ik kan!" Wanhopig keek ze naar de andere zijde en riep snikkend: "Ilse, ik wil niet dat je vergast wordt, ik hou van jou!" "Zwijg en wees blij dat jij mag blijven leven!", zei de bewaker knarsetandend. "Ik wil bij mijn zusje blijven en samen sterven!", riep Marijke vertwijfeld. "Laat mij met rust, jij blijft rechts en je zusje links, begrepen?" Snikkend werd Marijke terug op haar plaats gezet. En het selecteren ging verder... "Groot genoeg, ga rechts staan!" "Te klein, ga links staan!"

De kinderen jammerden, het was akelig om te horen! De meerderheid van de kinderen moest vergast worden. Toen de selectie voorbij was, werden de kinderen die links stonden meteen naar de gaskamer gebracht. Die dag was het een bewaker uit Beieren die van dienst was, hij moest voor de vergassing zorgen. Hij dreef de kinderen naar de gruwelkamer. Bij hun aankomst zei hij vriendelijk: "Leg jullie kleren hier op de tafel!" Toen dit alles gedaan was dreef hij hen kordaat maar vriendelijk naar de gaskamer en sloot zorgvuldig de zware ijzeren deur. Vervolgens ging hij naar de andere ruimte die ernaast lag om de bus met Zyklon B te nemen. Langs een trapje klom hij naar het dak met in zijn handen het dodelijk gas... Door een opening die er op uitgaf, gooide hij het gas naar binnen...

In de ruimte bevonden zich de zogezegde douches waaruit het gas zijn dodelijk werk verrichtte... Voldaan ging hij terug naar beneden. Door een kijkgat kon hij naar de stervende kinderen kijken. Hij draaide even zijn hoofd naar de andere kant en zag Ilse die knielend tot God smeekte: "Lieve Heer, haal mij hieruit en laat mij alstublieft leven, ik zou zo graag bij mijn zusje Marijke zijn!" Vertederd keek hij nog even naar het schouwspel en kreeg schuldgevoelens en dacht: "Och, kijk toch eens hoe zielig, wat hebben ze misdaan? neen ik kan deze lieverdjes niet laten sterven, dàt wil ik niet, ik wil dit niet op mijn geweten!" Vlug opende hij de ijzeren deur en haalde zo vlug hij kon met een gasmasker op, de twaalf bijna verstikte kinderen uit hun benarde toestand. Hij wist ze ergens veilig te bergen tot de Rode-Kruiswagen de slachtoffertjes kwam halen, die hen vervolgens naar diverse ziekenhuizen bracht. Met een zucht van verlichting dacht hij: "Ziezo, deze kinderen heb ik uit deze hel gered, ik voel mij nu eens zo goed!"

Enkele weken later... De bewaakster Boger deed haar ronde. Er was haar opgedragen de kleine kinderen tot zeven jaar uit te schakelen, ongeacht op welke manier ... Irene, een moeder van een zevenjarig meisje zat in een hoekje. Ze had haar kind onder de deken verstopt die ze over haar lichaam had gegooid. Ze had gehoord wat er met haar dochtertje gebeurde indien de bewakers haar zouden vinden... Boger kwam de Barak binnen en liep speurend rond op zoek naar haar prooi... Toen ze bij Irene kwam zag ze dat er iets bewoog onder de deken, er was een voetje zichtbaar... "Ha ,ha, hier is nog een kind!" Ze nam nijdig het angstige kind bij haar arm. Instinctief voelde ze dat Boger iets vreselijks ging doen. Grijnslachend zei ze tot Irene: "Kijk wat ik met jouw kind ga doen!" Meteen nam ze niet omzichtig het kind met haar benen en gooide Sylvie met een smak tegen de muur.

Boger lachte smalend: "Ha, ha!" Sylvie lag kreunend op de grond. Irene vloog als razend op de bewaakster en trok zo hard ze kon aan haar haardos, ze was buiten zichzelf, ze krabde en beet haar waar ze ze raken kon terwijl ze alsmaar riep: "Hiervoor zul je boeten en je gaat mijn kind met rust laten, begrepen?" Silvies gekerm hitste haar nog meer op, ze nam haar bij haar benen beet waardoor Boger pardoes op de grond viel... Irene trok ze zo wijd open tot ze niet meer kon... Op zeker ogenblik werd ze afgeleid door haar dochtertje dat zich probeerde recht te trekken. Van deze gelegenheid profiteerde Boger om haar belaagster een flinke stamp te geven. Beide vrouwen rolden vechtend over de grond. Plots kwam er een andere bewaker om zijn collega te helpen, hij sleurde haar van Boger weg en duwde haar nijdig tegen de muur, haar arm stevig vasthoudend vroeg hij: "Wat moet ik met dit mormel doen?" Boger zei, haar kleding rechttrekkend: "Geef dat rotwijf een nekschot!" Waarop ze naar het angstige kind liep en zei: "En jij, jou gooi ik bij de brandende lijken!" Silvie keek Boger angstig aan en zei: "Ik zal braaf zijn, verbrand mij alstublieft niet!" "Wat, gaan jullie mijn kind bij de brandende lijken gooien? barbaren, wat heeft mijn dochter misdaan?" Buiten zichzelf rukte ze zich los en sprong als een wilde op Boger, maar de andere bewaker greep haar beet en sleurde haar meteen naar de appélplaats. Irene zat reeds op haar knieën in afwachting van het dodelijk schot, toen ze de kreten van Silvie hoorde, het vuur likte reeds aan haar voeten, armen en benen, haar gezichtje was reeds geheel verbrand...

Kermend riep ze steeds: "Mama, ik verbrand, help mij mama!" Het geluid klonk als een echo. Het was hartverscheurend. Irene wilde naar haar kind, ze keek even naar de bewaker en rende zo vlug ze kon naar het crematorium. "Als ik maar tijdig aankom, oh Silvie, wat hebben die smeerlappen met jou gedaan?", dacht ze steeds. De bewaker keek onthutst naar de weglopende vrouw. Na enkele seconden toen hij van zijn verbazing bekomen was, liep hij haar achterna, na enkele meters haalde hij haar in en sleurde haar opnieuw naar het midden van de appélplaats. Irene riep, terwijl ze zich probeerde los te rukken: "Jullie vuile nazi's, onze dood zal gewroken worden, beulen!" De gevangenen die verplicht waren het schouwspel bij te wonen kregen kippenvel van Irene's uitroep. Nadine, die naast Helena stond, fluisterde: "Ik ben het beu dat hier iedereen zonder enige reden geëxecuteerd wordt!" "Luister eens, ik hoor een kermend kinderstemmetje!" Nadine luisterde aandachtig en zei tenslotte: "Ja, ik hoor kreten van een kind, die smeerlappen hebben weer eens een kind levend verbrand, wanneer worden wij uit deze hel verlost?" Ze wilde haar iets antwoorden, maar plots klonk het genadeschot, Irene was niet meer...

Voor Helena was dit te veel, ze riep: "Hier wordt iedereen uitgemoord zonder reden, ik ben het beu, beu!" "Sst, als de bewakers ons horen zal het er stuiven!" "Voor mij mogen ze de pot op!" "Ja, ja, voor mij ook, maar niettemin moeten wij ons koest houden, wij moeten deze hel overleven om dit verder te vertellen over welke dingen hier gebeuren!" "Je hebt gelijk, wij moeten de moed er in houden!" “Ring, ring!" Een schril fluitje maakte een einde aan het gesprek. "Allemaal in rij naar de Barakken, schnell, schnell!"

Bij hun aankomst kreeg iedereen een dunne soep uit boombladeren, koolraap en water. Iedere dinsdag kregen de gevangenen soms wat margarine op hun vochtig beschimmeld brood. Veel tijd om te eten kregen ze echter niet, want na amper vijf minuten klonk het schrille fluitje dat hen eraan herinnerde dat het tijd was om naar bed te gaan. Toen Helena ter ruste lag, dacht ze nog lang aan de woorden van Nadine. "Ja!", dacht ze, "ik moet sterk zijn om deze hel te overleven, ik wil deze gruwelijkheden uitbazuinen, die rotzakken zullen hun straf niet ontlopen, dàt zweer ik!" Ze woelde nog enige tijd tot ze eindelijk van vermoeidheid in slaap viel.

Hoofdstuk 10: De hygiëne

Helena werd kreunend wakker. Het vochtige beschimmelde brood was haar niet bekomen. Josephina die in het onderste bed sliep hoorde het en vroeg: "Wat is er, heb je pijn?" "Ja, ik voel mij misselijk, ik zou naar het toilet moeten!" "Vraag het aan de bewaakster, misschien mag je dan wel, als ze in een goede bui is!" "Ik hoop het voor jou!" Plots vloog de deur met een ruk open. De bewaakster floot op haar fluitje en riep: "Iedereen opstaan!" Zoals iedere morgen ranselde ze de gevangenen uit hun slaapplaats. "Aufstehen, Schweinhunde, schnell, schnell!" Ze had een streng uiterlijk met diepliggende ogen die geen tegenspraak duldden. "Aufstehen en maak vlug dat jullie naast uw bed staan en uw ogen gericht naar mij, begrepen?" Bij controle van de bettenbau's ontdekte ze dat Helena nog niet op haar plaats stond. "He jij!", riep ze bars, “denk je dat je hier op vakantie bent? Aufstehen, schnell, schnell!" "Ik kan niet, mijn buik doet pijn, mag ik alstublieft naar de sheissbarake?" "Jij gaat je behoeften doen als ik dat zeg en maak dat je naast je bed staat!" "Ja mevrouw!" De bewaakster sloeg de arme Helena in haar maag, op haar rug, in haar ribben en overal waar ze haar raken kon. Eindelijk stond ze op haar plaats, maar haar felle buikpijn verhinderde haar om rechtop te blijven staan. De krampen werden heviger, ze liet een windje... De lichtbruine smurrie liep slijmerig langs haar benen. De bewaakster zag wat er gebeurde en liep woedend naar haar en riep: "Wel heb je van mijn leven, ben jij een baby geworden?" "Vergeef mij, maar ik kon het onmogelijk nog ophouden, het brood van gisteren is mij niet bekomen!" "Wil je hiermee zeggen dat het eten slecht was? hoe durf je zo brutaal te zijn, wij geven steeds goed en smakelijk brood!" "Toch is het mij niet bekomen!" “Dus jij blijft volhouden dat het eten slecht was?" "Ja, dat zeg ik!" "Hoe kun je zo brutaal zijn tegen je oversten, wel, omdat je reeds je behoeften gedaan hebt, ga je vandaag niet meer naar de sheissbarake, je zult een ganse dag op appél staan, begrepen?" "Ja mevrouw, maar zou ik naar de wasplaats mogen om mij wat te wassen, want ik ben helemaal met drek besmeurd!" "Ha, ha, ha, mevrouw wil zich wassen, als jij je behoeften niet in de WC kunt doen moet jij gestraft worden, ha, ha, ha!" "Ik kan het toch ook niet helpen dat ik diarree heb!" “Diaree, diaree, jij mankeert niets, vooruit naar de appélplaats!"

Bij deze woorden greep ze Helena brutaal vast en sleurde haar naar de strafplaats. Het was die dag snikheet, Helena stond reeds zes uur in de brandende zon, haar kleding kleefde aan haar lichaam. De insecten vlogen in zwermen naar haar, ze zaten op haar armen, benen, en haar aangezicht. Ze verjoeg die vervelende vliegen, maar de bewaakster riep: "Hé jij, niet bewegen en in houding blijven staan.” Helena had het verschrikkelijk warm, het zweet liep in stromen over haar gelaat. Ze voelde dat ze terug naar het toilet moest en vroeg: “Mevrouw, mag ik naar het toilet, want ik kan het niet meer ophouden!" "Neen, je bent gestraft omdat je je niet aan onze regels houdt!" "Laat mij toch gaan, alstublieft, ik kan het niet meer ophouden!", riep ze terwijl ze krampachtig haar benen dichtkneep. "Neen heb ik gezegd, je bent toch al eens geweest, of niet soms?" "Ja maar, ik...!" " Hou je mond, rotwijf!" Helena kon haar water niet meer ophouden, de urine stroomde rijkelijk langs haar benen... De bewaakster liep nijdig naar haar en riep: "Waarom hou jij je niet aan ons bevel? dit is nu de tweede keer, hier ga je voor boeten!"

Ze greep de verschrikte vrouw bij haar arm en zei woedend: Ik breng je naar Barak 25 A!" "Neen, dàt niet, ik wil niet!", riep Helena wanhopig. In deze beruchte plaats werden alle doden gebracht, zoals zieken die gestorven waren door thypus, vrouwen die doodgebeten werden door afgerichte honden, vrouwen die doodgeschopt of doodgeschoten werden. Er heerste een ondraaglijke lijkengeur. De gevangenen die hier opgesloten werden kregen eten noch drinken. Helena verzette zich uit alle macht, maar niets mocht baten. De bewaakster duwde haar onzacht naar binnen en zei met een grijns: "Hier is jouw plaats, hier kan je op je dood wachten!" "Laat mij niet achter, haal mij hieruit alstublieft, heb medelijden!" "Je blijft waar je bent!", riep de bewaakster over haar schouder. "Krijg de klere, rotwijf!" Haar vuist omhoog stekend. Na enkele uren opgesloten te zijn werd Helena onwel en kreeg het benauwd. Ze kotste over Lea die naast haar stond. Nu werd de ondraaglijke geur nog onhoudbaarder. De zure smurrie verspreidde zich snel uit in de dodencel. Lea, Helena en Theresa riepen steeds met hun handen door de tralies: "Geef ons wat water alstublieft!" Maar niemand wilde hun smeekbeden verhoren. Theresa zei op zeker ogenblik: "Mijn mond is droog, ik heb maar één wens en dat is drinken, mijn tong plakt aan mijn gehemelte!" Het is schandalig wat die rot-SS-ers ons kunnen aandoen!", zei Helena in machteloze woede. "Ze behandelen ons als beesten!", mengde Theresa zich in het gesprek, terwijl ze haar vuisten balde.

De drie vrouwen praatten zo nog een half uur toen Helena plots zei: "Ik word moe, ik ga proberen wat te slapen, want ik heb de ganse dag op appél moeten staan!" Naarmate de dagen verstreken werd Helena steeds zwakker... Tien dagen later lag ze zieltogend op de grond, ze smeekte: “Water, water!" Haar lippen waren gezwollen, bedekt met droge korsten, haar mond was dik, haar stervensuur was aangebroken... Nog één ademtocht, een zucht, ze was niet meer... Zoals gewoonlijk kwamen de bewakers iedere dag een kijkje nemen in Barak 25 A en zagen dat de drie vrouwen overleden waren. Eén van de bewakers zei: “Gooi die vuiligheid op de lijkenhoop, weeral een uitschot waar wij vanaf zijn!" De andere gevangenen van de andere Barakken werden naar de wasplaats gedreven. De bewaker riep: "ik geef jullie welgeteld vijf minuten om jullie te wassen, begrepen?" De helft van de kraantjes werkten niet en de andere die wél werkten gaven enkele druppels of er verscheen een dun straaltje dat bovendien zéér vuil was. Annie was zich nog aan het wassen toen het schrille fluitje klonk, de tijd was om. De meeste gevangenen hadden zich niet kunnen verfrissen. De slechte verzorging zorgde spoedig voor allerlei ongedierte, etterende wonden zorgden voor vele besmettelijke ziekten, waaronder schurft... De gevangeniskleding werd omzeggens niet gewassen.

Om naar de sheissbarake te gaan moesten de gevangenen de toelating vragen. Het schrille fluitje klonk wéér: “Ring!" De bewaakster riep nors: “Allemaal in rijen van twee en marcheer naar de appélplaats, schnell, schnell!" Tijdens het appél moesten alle ogen naar de bewakers gericht zijn. Het vroor die dag zeer hard. Iedereen was verplicht stokstijf te blijven staan. Annie die naast Carmen stond fluisterde: "Ik bevries, wanneer kunnen wij naar onze Barak?" Carmen keek voor ze iets antwoordde naar de bewakers en zei tenslotte: "Ik zou ook naar binnen willen, want mijn voeten zijn zowaar bevroren, zouden wij hier nog lang moeten blijven staan?" "Ik weet het niet!", antwoordde Annie terwijl ze angstig rondkeek. "Wij staan hier reeds drie uren, ik denk dat het hier buiten wel min vijftien graden is!" "Ja, dat denk ik ook wel, want het is verschrikkelijk koud, was die rotoorlog maar vlug voorbij dan kon ik naar huis!" "Ring!" Wéér dat schrille fluitje. "Héy, weten jullie niet dat het verboden is op het appél te praten?" De bewaakster nam Annie brutaal vast en schudde haar onzacht dooreen terwijl ze nijdig riep: "Wat heb je gezegd? vooruit zeg op!" "Ik z... zei n... niets!", antwoordde ze verschrikt. "Oh neen? je zei niets? ik zag je nochtans staan praten met dat mormel naast jou, vooruit zeg op!" Annie kroop angstig ineen en zei: " Ik zei dat ik vre... vresel...vreselijk k... k... kou had!" Is dat alles? mij maak je niets wijs, jij hebt meer gezegd, vooruit zeg op, of ik sla het eruit, begrepen?" Woedend begon ze Annie te slaan, in haar gezicht, op haar rug, in haar maag overal waar ze haar raken kon. Annie hield haar handen voor haar gelaat om zich tegen de heftige stampen te beschermen. "Met jou heb ik altijd last, jij gaat naar de donkere cel, dat zal je leren te praten tijdens het appél!" "Ik heb niets misdaan, ik wil niet naar cel 20, laat mij los!", schreeuwde Annie uit alle macht. "Jij hebt niets te zeggen, jij moet gestraft worden!" Ze sleurde Annie zonder pardon naar de strafcel, maar Annie beet, krabde, schopte en riep alsmaar: "Ik wil niet in die vervloekte cel, laat mij met rust!"

Maar niets mocht baten... Vooraleer ze in de strafcel ging werd Annie eerst grondig gefouilleerd. Toen ze een beetje aan de cel was gewend geraakt, zag ze dat er nog drie gevangenen waren. Het was er bovendien zéér benauwd. Toen Annie ongeveer drie uren opgesloten zat, werd ze onwel, het zweet brak haar uit. Met haar laatste krachten zocht ze een plaatsje aan de deur, waar een beetje lucht binnenkwam. Katia duwde Annie weg en zei met vlammende ogen: "Ik zat hier eerst en ik blijf hier zitten, heb je dat begrepen?" "Laat mij toch even bij die deur, ik voel mij niet goed, alstublieft!" "Neen, en laat mij met rust!" Nu werd Annie écht boos en greep Katia bij haar hoofdharen en trok haar weg terwijl ze woedend riep: "Ik heb ook recht op een beetje frisse lucht!" Zowel Annie als Katia lieten zich niet doen, vechtend rolden ze over de grond. Katia probeerde eveneens aan Annie's hoofdharen te trekken, maar deze was vlugger en trok Katia's linkerarm achter haar rug en duwde tegelijk haar hoofd naar beneden terwijl ze dreigend zei: "Je laat mij aan de deur zitten of ik breek je nek, begrepen?" "Neen, ik zat daar eerst, ik geef niets!" "Oh neen? dàt zullen wij dan nog wel eens zien!" Annie trok met een ruk de arm omhoog en zei grijnslachend: "Neen, wil je niet dat ik daar ga zitten, wel dan hierzo en rukte de arm nog hoger waardoor de pijn van haar tegenstandster ondraaglijk werd. Katia krijste: "Au, hou op, ik kan het niet meer houden, je doet mij pijn!" Nog steeds de arm achter haar rug omhoog houdend, vroeg ze: "Ga je mij even aan de deur laten zitten, ja of neen?" "Ja, je kan even aan de deur zitten, maar laat mij los!" "Zeg dat nog eens en met volle overtuiging, vooruit!", terwijl ze nogmaals de arm omhoog rukte. Nadat Katia alles herhaald had, was Annie nog niet tevreden en riep buiten zichzelf: "Zweer het!", terwijl ze de arm nogmaals omhoog rukte. "Ik zweer het, ik zweer het!", riep Katia, “laat mij los alstublieft!"

Toen Annie Katia losliet, voelde deze een snerpende pijn in haar halswervels. Ze voelde aan de pijnlijke plek. Na enige uren kon Annie niet meer en viel bewusteloos. De bewaakster ging zoals altijd controle doen. Bij het openen van de deur zag ze dat de drie gevangenen bewusteloos waren. Ze haalde vlug twee emmers water en gooide ze zo hard ze kon erover. Annie die als eerste bijkwam, keek verwonderd rond, haar ogen deden pijn van het felle licht dat naar binnen scheen. De bewaakster liep woedend naar de drie bewusteloze gevangenen, schopte en sloeg hen tot iedereen weer bijkwam. "Vooruit!", klonk het bars, “jullie straf is voorbij, in looppas naar jullie barakken, schnell, schnell!" Aangekomen konden ze in de lange rij aanschuiven om hun dagelijks rantsoen in ontvangst te nemen. Annies maag grolde, de honger en dorst waren ondraaglijk geworden. Eindelijk was het haar beurt....

De bewaakster keek haar lachend aan en zei: "Jij krijgt vandaag niets!" Annie keek de bewaakster ontdaan aan en vroeg: "Waarom? Geef mij wat brood, want ik heb een vreselijke honger!" "Neen, zei ik, je hebt gepraat tijdens het appél en hou je mond!" "Ik heb twee dagen en één nacht in de donkere cel doorgebracht en nu ontneem je ook nog mijn rantsoen, ik wil mijn brood!" Bij deze woorden sprong Annie op de verschrikte bewaakster en trok zo hard ze kon aan haar hoofdharen waardoor beiden vechtend over de grond rolden. Een andere bewaakster zag de vechtenden en trok Annie onzacht weg. Terwijl ze Annie met haar revolver in bedwang hield, vroeg de bewaker: "Wat moet ik met deze wilde doen?" "Strooi haar eten op de grond, dan kan ze het oplikken als een hond!" Ze zei: “Lik mijn laarzen, vooruit en snel!" Annie kwam aarzelend naar voor en vroeg ontdaan: "Moet ik écht uw laarzen likken?" "Ja, ze zijn besmeurd met stof en jij moet ze likken tot ze weer blinken, begin er maar aan, vooruit, ha, ha!" De twee SS-ers proestten het uit van het lachen, één van hen riep: "Kijk hoe dat varken haar laarzen likt,wat grappig, ha,ha!"

Na enige tijd werd ze het beu en gaf Annie met de punt van haar laarzen een fikse schop terwijl ze smalend zei: "Lik je eten op de grond en probeer niet je handen te gebruiken, of...!" Annie had grote honger en kroop naar het fel begeerde brood. Maar toen ze er bijna was, schoof de bewaakster lachend het brood weg... Annie wilde kost wat kost het voedsel te pakken krijgen, maar de voet van de bewaakster verhinderde dat. De pesterijen duurden zo nog even voort. Doordat ze het brood niet te pakken kon krijgen werd ze woedend en beet in het been van de bewaakster. " Au!", riep ze, "jij smerig wijf, ik zal je leren!" Ze wilde Annie bij haar arm grijpen, maar deze was veel vlugger en sprong langs achter op de bewaakster en greep met haar rechterarm haar hoofd, duwde ze fors naar beneden, dreigend: "Zeg tot die andere bewaakster dat ze mij bij mijn broodrantsoen brengt, zoniet breek ik je nek, rotwijf!" De bewaakster kon in Annies wurggreep niet bewegen en zei: "Geef dat mormel haar zin!" " Wat zeg je rotwijf, zeg dat nog eens, je moet beleefd zijn, begrepen!" Dit zeggende gaf ze het hoofd van de bewaakster dat ze nog steeds in haar arm had een forse ruk zodat haar tanden opeen knarsten... "Au, je doet mij pijn, laat mij los, ik kan mij niet bewegen!" "Als je het mooi vraagt!", zei Annie smalend.

De andere bewaakster durfde niet tussenbeide komen... Bij iedere beweging kon deze gevangene de bewaakster doden. Annie lachte triomfantelijk en riep: "Nu durf je niet tussenbeide komen hé, ben jij de volgende? ik ben juist in form!" Terwijl ze iedere keer een felle ruk aan het hoofd van de bewaakster gaf. Met een ruk liet ze plots de bewaakster los. Met een smak viel ze tegen de punt van de tafel. Uit haar hoofd sijpelde bloed. Onverwacht greep de andere bewaakster haar beet en zei op sarcastische toon: "Jij hebt ons al genoeg moeilijkheden bezorgd, jij gaat vier dagen in afzondering waarbij ,je je voedsel onthouden wordt, begrepen?" "Gaan jullie mij nog lang pesten? ik heb, als deze vier dagen voorbij zijn, in geen zes dagen meer gegeten!", riep Annie woedend. “Dit kan ik mij niet aantrekken, voor mij mag ,je creperen!", zei de bewaakster nijdig. Intussen was er een andere bewaakster bijgekomen en sleurden Annie naar de isolatiecel waar enkel een houten bank zonder matras of hoofdkussen stond. Annie probeerde zich los te rukken maar de twee bewaaksters hielden haar stevig vast.

In de cel gekomen keek Annie met afgrijzen naar allerlei insecten, zoals kakkerlakken, mieren, slakken, enz... In de celdeur was een klein gaatje om het voedsel naar binnen te schuiven, maar voedsel krijgen gebeurde zelden. Toen Annie reeds enkele uren opgesloten zat, werd plots het kleine deurtje geopend. Er werd een portie groenten naar binnen geschoven. Ze nam gretig het voedsel aan en begon gulzig te eten, ze proefde niet dat ze sterk gezouten waren. Ongeveer twee uur later kreeg ze hevige dorst... Ze klopte zo hard ze kon op de ijzeren deur, alsmaar roepend: "Breng mij wat water, mijn keel is droog, water!" Een bewaakster liep als razend naar Annies cel en zei: "Hou je mond of ik geef je een nekschot, vuile hoer!" In een laatste poging vroeg ze: "Geef mij toch wat water, alstublieft!" "Neen, je krijgt niets en wees stil of...!" Om Annie nog méér te pesten kreeg ze af en toe een kop gezouten water, hierdoor was de dorst een ware marteling, ze wilde uit deze hel. Tenslotte viel ze in een bodemloze slaap, ze kon niet meer...

Hoofdstuk 11: De geboorte van Kelly

Anja werd opgepakt toen ze drie maanden zwanger was. Naarmate de dagen verstreken werd ze steeds zenuwachtiger, want er had in het kamp de ronde gedaan dat iedere vrouw na haar bevalling hun borsten werden afgebonden, omdat de SS-ers verboden borstvoeding of enig ander middel van voedsel aan de baby's toe te dienen, zodat deze kinderen de hongerdood stierven. Die avond, het was zwoel, Irma Greese, de bewaakster was nog even buiten gegaan. Dromerig keek ze naar de wolkenloze hemel, ze genoot van de frisse buitenlucht... Diezelfde avond kreeg Anja barensweeën, iedereen sliep reeds toen ze plots riep: "Ik denk dat het begonnen is, help mij alstublieft, help mij!" Roza, die enkele bedden verder sliep, fluisterde: "Sst, als de bewakers ons horen zal het er stuiven en wat er dàn zal gebeuren, daar wil ik liever niet aan denken!" "Ja, ik zal prob.. au!" De schreeuw klonk akelig. "Kom, ontspan je en probeer wat stiller te zijn. Haal enkele keren kort adem, ik zal proberen je te verlossen, je hoeft niet bang te zijn, want ik was vroeger vroedvrouw. Duwen, duwen, ik zie het hoofdje al, vooruit nog een kleine inspanning en duw als je een wee voelt, ja goed, duw!"

De bevalling verliep vlot. Anja deed wat Roza haar vroeg en haalde enkele malen kort adem. Het zweet liep langs haar gezicht. Pff, pff, pff Anja deed nog eenmaal een kleine inspanning. Plots riep Roza: "Het is een meisje!" "Oh, wat een geluk, een meisje!", zei Anja overgelukkig. Ze zei, terwijl ze met haar rug tegen de muur ging liggen: "als mijn dochtertje wat groter is ga ik haar verder laten studeren, zodat ze later niets tekort komt, ze zal gekleed lopen als een prinsesje, dàt beloof ik haar plechtig!" "Hé Anja, je loopt teveel vooruit, je zit hier nog in Auschwitz hoor, je moet hier eerst buiten geraken, denk dààraan!", zei Roza grimmig. "Ja, ja, dat weet ik, maar gun mij het plezier van deze fantasie!" "Fantasie, fantasie, in een concentratiekamp is geen plaats voor dromen!" “Moet ge nu als krijgsgevangene altijd pessimistisch zijn? laat mij toch even gelukkig zijn!" "Laat Anja deze droom!", mengde Carmen zich in het gesprek. “Ik gun haar alle geluk, maar wij moeten realistisch blijven!", zei Roza wrevelig. "Wel heb je van mijn leven, ik moet bij de realiteit blijven en in gedachten houden dat ik een gevangene ben tot deze rotoorlog voorbij is. Wel, ik weet dat wel, dat hoef je mij niet te zeggen!", riep Anja boos. "Je moet niet zo kwaad worden, ik meende het goed!", zei Roza op verzoenende toon. "Ja dat zal wel, jij gunt mij niet eens een beetje fantasie, want ik moet realistisch blijven!", zei Anja smalend. Na nog een tijdje gediscuteerd te hebben zei Carmen geeuwend: "Ik ben moe, ik ga slapen!" Maar plots begon de baby te huilen...

Irma Greese stond nog steeds van de buitenlucht te genieten toen ze plots het kindje hoorde, ze luisterde aandachtig. "Wel ja, ik hoor kindergeschrei, hoe kan dat nu?", vroeg ze zich af. Ze luisterde aandachtig. Vlug liep ze naar Anja's Barak. “Ik kan hier geen baby's dulden!", riep ze woedend, "Ik maak hier een einde aan!" Nijdig liep ze naar Anja's bed, waar de baby nog steeds lag te huilen. Onzacht nam ze het kind uit haar armen en liep ermee weg, terwijl ze over haar schouder riep: "Baby's zijn hier verboden!" Buiten gekomen zag ze Marina, een andere bewaakster, en riep: "Hey Marina, kom eens!" "Ja wat is er?" "Breng dit uitschot weg, je weet wel waar!" Anja had alles gehoord en riep wantrouwend: "Wat gaan jullie met mijn kind doen? Laat haar met rust, ik wil dat ze bij mij blijft!" "Jij wilt niets en hou je mond, of ik laat je geselen!", riep Irma Greese nijdig. "Och, laat dat kindje toch bij haar moeder blijven, daar kunt ge toch geen bezwaar tegen hebben?", zei Marina, de andere bewaakster vergoelijkend. "Neen!", zei ze met een toon die geen tegenspraak duldde, "er zijn hier geen baby's toegelaten en breng nu eindelijk dat joch weg!" Ze keek haar overste nog éénmaal aan en verdween met het wichtje in de duisternis... Anja liep achter haar, om haar baby af te nemen. Door deze heisa begon het kleintje erbarmelijk te huilen. Marina draaide zich om en bleef staan om het kleintje aan haar moeder terug te geven... Maar Irma had de aarzeling gezien en riep: "Hey Marina, komt er nog wat van? Breng nu eindelijk dat mormel weg en vlug wat!" Marina vond het geraadzamer de benen te nemen en verdween met de baby in de duisternis... Anja riep wanhopig: "Wat ga je met mijn dochtertje doen? alstublieft zeg het mij!" Irma Greese hoorde het en zei spottend: "De bewaakster weet wel wat er met uw kind moet gebeuren!" “Ik wil weten wat jullie bekokstoven, ik ben tenslotte de moeder!" "Wil je het zo graag weten? Wel die bewaakster gaat jouw kind op de lijkenhoop gooien." “Wat?", riep Anja ontzet, "wordt mijn kind levend verbrand? Jij onbegrensde feeks!" Bij deze woorden sprong ze onverwacht langs achter op de bewaakster en trok haar met haar hoofdharen, haar hoofd achterover. Vertwijfeld probeerde ze zich los te rukken, maar hoe ze zich ook weerde, ze raakte niet uit de ijzeren greep van Anja. "Au, je doet mij pijn, laat mij met rust, smerig wijf!" "Wat, zeg dat nog eens, ben ik een smerig wijf en jij bent een monster, ja, dàt ben jij!" Snel greep Anja haar arm en trok hem hoog achter haar rug, zodat haar arm en schouder kraakten... "Au, je doet mij pijn!" "Oh, doe ik je pijn? och arme, sukkelaar!" Anja keek haar met vlammende ogen aan en zei: "Jij roept onmiddellijk die bewaakster terug, zodat mijn kind niets overkomt, zoniet breek ik al jouw botten, begrepen?" Na deze woorden gaf ze Irma nog een flinke duw, zodat ze met een smak tegen de muur vloog. "Sta recht, vooruit rotwijf:", riep Anja buiten zichzelf. "Vlug, vlug!" Moeizaam kroop ze recht, al haar ledematen deden pijn, ze voelde wel dat er met deze gevangene niet te spotten viel. Toen ze rechtstond greep Anja haar terug vast en trok Irma's arm wéér achter haar rug en beval: "Roep onmiddellijk die bewaakster terug, vooruit!" Buiten gekomen riep ze zo hard ze kon: “Marina, kom direct terug!" Maar deze was niet meer te bespeuren... Ze liep vlug met het kindje op haar arm naar het crematorium... Teder keek ze naar het wichtje en zei: "Ik moet jou van mijn overste levend in dit vuur werpen, maar hiervoor ben ik niet in staat, ik ben geen onmens, zoals Irma Greese, bij mij ben je veilig!"

Bij deze woorden kuste ze teder het kleine kindje. 't Was net of het kleintje Marina's vriendschap begreep en dat beiden voor de dood stonden. Opeens begon de baby onbedaarlijk te huilen. "Sst, stil maar, ik gooi je niet in het vuur, kom we gaan van deze onheilsplek weg, dit is geen plaats voor jou!" Nog éénmaal opende het kleine wichtje haar oogjes en viel daarna in slaap. Peinzend stond ze er enkele seconden naar de brandende put te kijken en dacht: "Hoe is het toch mogelijk dat die SS dit deze mensen kunnen aandoen, dàt begrijp ik niet, ik kan hier onmogelijk blijven staan en zeker niet met dit lieve onschuldige wichtje, ik kàn dit niet over mijn hart krijgen, neen, dàt kan ik niet!" Ze keerde zich om, om te vertrekken en zei tot de baby: "Sst, wees stil, de bewakers mogen ons niet zien, wij moeten héél voorzichtig zijn, anders worden wij beiden vermoord!" Waakzaam liep ze verder tot ze aan haar barak kwam waar ze tijdelijk woonde. Behoedzaam legde ze het kind in haar bed en zei met een zucht van verlichting: "Pff, ik heb niemand gezien, wat een geluk, ik moet je verstoppen, want als de bewakers jou vinden wordt je op de lijkenhoop gegooid, ik mag er niet aan denken wat een ramp dat zou zijn!" Ze gaf het kindje nog vlug een teder kusje en zei: "Ik hoop dat mijn plan zal lukken, morgen komt het Rode Kruis, ik zal hen vragen jou mee te nemen, zodat je uit deze hel verlost bent!" Liefdevol nam ze het wichtje in haar armen en zei: "Maar voordat ik jou aan hen meegeef moet ik eerst een naam voor jou bedenken, hoe ga ik jou noemen?" Na enkele minuten nagedacht te hebben zei ze: "Ik heb voor jou een mooie passende naam gevonden; ik zal je Kelly noemen,dat is een Ierse naam en betekent: "Kind uit de oorlog" De baby begon te wenen, ze wilde slapen. "Sst, stil, als de bewakers jou horen dan komen ze je halen en dan is alle moeite vergeefs geweest, sst, stil!"

Ondertussen werd Irma Greese door Anja en de andere gevangenen nog steeds in de barak vastgehouden. Anja zei smalend: "Denk maar niet dat je nog lang zult leven, als ik te weten kom dat mijn dochtertje dood is!" Haar verachtelijk in haar gelaat spuwend zei ze nog: "Dan vermoord ik jou, dààr kan je van op aan, moordenares, kinderbeul, jij hebt geen hart!" "Wij hadden dat wijf moeten vermoorden!", kwam Roza tussenbeide, "ze is het niet waard dat ze blijft leven!" "Neen, Roza, dàt wil ik niet op mijn geweten hebben, dat ze maar blijft leven!" "Wat, wil jij dat dat onmens in leven blijft?" "Ja, als wij haar ombrengen zijn wij niet beter dan zij, als wij goed nadenken zijn wij reeds van vele dingen gered!" "Oh ja? en wat dan wel?" "Wel, ik werd niet vergast, om reden dat ik zwanger was!" "Wat een groot hart!", zei Roza terwijl ze in een spottend gebaar haar hand op haar borst legde, “ik ben ervan aangedaan, maar intussen ligt jouw kind te branden op de lijkenhoop, heb je dààr al eens over nagedacht?" "Och, laat mij hieraan niet denken en laat mij met rust!" “Dat rotwijf heeft jouw kind laten vermoorden, ikzelf heb je verlost, besef je dat niet?" "Dàt besef ik maar àl te goed en laat mij in godsnaam nu met rust!" Roza vloog na deze woordenwisseling op Irma Greese, ze gaf haar geen gelegenheid meer om nog verder na te denken en zei dreigend: "Als je hiervan iets vertelt aan je oversten dan vermoord ik je, begrepen?" maak dat ge wegkomt voordat ik mij bedenk!"

Irma voelde, indien ze zich niet vlug uit de voeten maakte, dat de gevangene haar werkelijk zou vermoorden, daarom verwijderde ze zich zo vlug ze kon. Marina, de andere bewaakster, liep vlug naar Anja. Voorzichtig opende ze de zware houten deur. Met haar pillamp zocht ze tussen de vele Bettenbaus, wat niet zo gemakkelijk ging, omdat ze niemand wilde wekken. Plots werd één van de gevangenen geschrokken wakker. "Wat doet u hier?" vroeg ze angstig. Met de pillamp in haar gelaat schijnend vroeg Marina haar: "Waar slaapt de moeder die gisteravond bevallen is?" "Dat weet ik niet!", antwoordde Annie nijdig. "Ik weet dat jullie boos op mij bent, maar niettegenstaande dàt moet ik haar toch iets vertellen!" "Wat zou je haar nog moeten vertellen? laat haar toch met rust, is het niet genoeg dat je haar pasgeboren baby op de lijkenhoop hebt gegooid?" "Neen mevrouwtje, zo is het niet gegaan, haar kleintje leeft nog!" "Wat, lee..?" Marina legde vlug haar hand op Annie's mond en fluisterde: "Haar kindje is bij mij in mijn barak!" Annie wist niet wat ze hoorde en vroeg ongelovig: "Wil jij hiermee zeggen dat haar dochtertje niet dood is?" "Ja, dàt wil ik zeggen en haal haar nu vlug!" Voorzichtig sloop ze naar Anja's bed en zei: "De bewaakster die jouw kindje op de lijkenhoop moest gooien is hier, ze zegt dat uw baby nog leeft!" "Wat, leeft mijn kindje nog?" "Sst, wees stil, niemand mag je horen!" "Waar is die bewaakster?" "Kom nu maar vlug, ze zal je alles wel vertellen!" Ze bracht Anja vlug naar de bewaakster die nog steeds aan Annie's bed stond te wachten. "Maar wat als het niet waar is?", zei Anja wantrouwend. "Neen, dàt denk ik niet, ze ziet er niet uit alsof ze jou iets wil aandoen!" "Denk je dat?" Intussen waren Annie en Anja bij Marina aangekomen. "Wees zéér kalm, ik moet jou iets vertellen! Uw kleintje leeft nog, ze is bij mij in de barak, je begrijpt wel dat ik mijn leven riskeer, ik kon het niet over mijn hart krijgen om een onschuldig wichtje bij de lijkenhoop te gooien.” "Mag ik dan alstublieft mijn dochtertje nog eens zien?" "Zien wel, maar je begrijpt dat de baby hier onmogelijk kan blijven, want dan word ze gegarandeerd bij de lijkenhoop gegooid en dàt wil je toch niet he?" "Wat ga je dan met haar doen?", vroeg Anja nieuwsgierig. "Binnen een uur komt het Rode Kruis, dan geef ik uw baby aan hen mee, als je wil kan je even meegaan om haar een laatste maal te zien, na die rotoorlog kun je uw dochtertje gaan zoeken!" "Oh, als dàt waar is, is het te mooi om waar te zijn!" Niet in staat nog één woord uit te brengen keek ze de bewaakster ongelovig aan. "Maar...!” "Zeg nu maar niets meer, we gaan vlug naar Kelly, want zo heb ik haar genoemd, een mooie Ierse naam en betekent: "Kind uit de oorlog!" Toen Anja wat van haar verbazing was bekomen vroeg ze wantrouwend: "Meent u dat écht, kan ik werkelijk mijn dochtertje zien? houdt u mij niet voor de gek?" "Zie ik er uit dat ik dat zou doen? Wees gerust, kom nu vlug!" Anja voelde dat deze bewaakster het goed met haar meende. Beiden liepen voorzichtig door het donker naar Marina’s barak. Voordat de bewaakster de deur opende zei ze: "Sst, ik denk dat Kelly slaapt, wees uiterst stil, want als je dochtertje begint te huilen, dan horen de bewakers haar en is alle moeite tevergeefs geweest, wees dus zéér stil, alleen maar kijken, anders wordt ze wakker!" Met een blij gevoel stapte ze naar haar dochtertje die vredig in een kanonnen doos lag te slapen. Ze keek enige tijd naar haar, na enkele seconden zei ze tot de bewaakster: "Oh dank je, dat je mijn kind gered hebt, dank je!" "Later, als de oorlog gedaan is, zullen wij samen je kind gaan zoeken, dàt beloof ik jou en ga nu maar vlug, want als de bewakers jou vinden dan...!"

Anja maakte vlug aanstalten om terug te keren, na de bewaakster nogmaals hartelijk bedankt te hebben verdween ze in de duisternis... Ze had wel kunnen dansen van geluk. Behoedzaam sloop ze weer terug naar haar barak. Af en toe bleef ze staan en luisterde of er iemand was. Plots bleef ze verstijfd van schrik staan... Ze zag twee bewakers die gemoedelijk pratend op een afstand van van amper drie meter verwijderd waren... "Oh, als die twee SS-ers mij maar niet zien, ik moet hier zo vlug mogelijk weg geraken, maar als die twee hier nog lang blijven, raak ik niet op tijd in mijn slaapplaats!" Ze dacht koortsachtig na waar ze een schuilplaats kon vinden. Na enkele seconden zag ze een kruiwagen, zo vlug ze kon kroop ze er achter. Na enkele minuten zei één van hen: "Kom wij gaan hier weg, want ik krijg het koud.” Toen ze voorbij Anja kwamen dacht ze: "Oef, dit was op het nippertje.”

Zo vlug ze kon liep ze naar de barak. Maar toen ze amper tien meter verder was, zag ze Irma Greese en wéér moest ze vlug een schuilplaats zoeken... Irma genoot van de buitenlucht, ze stond er enkele minuten. Plots hoorde ze ritselen, ze luisterde aandachtig en riep: "Hey, wie is daar?" Anja beefde over haar hele lichaam, ze was zo stil mogelijk. "Maar ik hoorde toch iets?" Speurend keek ze rond en liep van de ene naar de andere kant. Plots keek ze naar een ineengedoken gestalte... "Wie ben jij?", riep ze geschrokken. Aan de andere zijde kwam een SS-er die riep: "Hey Irma, hoe komt het dat ge nog zo laat buiten bent?" "Ik kon niet slapen!" Tijdens het gesprek had Anja de kans om weg te vluchten... Toen de bewaker dichterbij kwam zei hij: "Maar Irma, je bent zo bleek, wat is er?" "Ik zag hier net in die hoek een ineengedoken gestalte zitten!", terwijl ze naar de bewuste plaats wees. "Kijk maar, er is daar iemand!" De bewaker keek naar de hoek en zei: " Ik denk dat ge hallucinaties hebt, want ik zie niemand!" "Maar jawel, er zat daar iemand!", hield Irma Greese vol. "Kom, ga maar slapen, morgen zal alles beter gaan!" "Ja, misschien ben ik te moe en zie ik inderdaad spoken!"

Anja liep vlug naar haar barak, ze had nog maar een half uur de tijd, dan kwamen de bewakers de gevangenen wekken... Bij haar aankomst kroop ze zo vlug ze kon in bed en deed net of ze sliep, toen de bewaakster na amper tien minuten de gevangenen met een schril fluitje kwam wekken. Ze liep nijdig zoals steeds langs de bedden, rondslaand met haar matrak, alsmaar roepend: "Vooruit, opstaan luilakken!" Ze stapte woedend naar Anja's en Roza's bed en zei: "En jullie twee gaan koffie maken, vooruit en vlug!" Door dit helse lawaai werd ook Carmen wakker. Half slapend vroeg ze: "Wat is er, waarom is er hier zoveel kabaal?" "Zwijg jij, of...!" "Ik vraag toch maar...!" Hierop liep de bewaakster woedend naar Carmen, sloeg en stampte haar en riep nijdig: "Jij gaat ook naar de keuken, vuile Joodse!" "Waarom moeten wij naar de keuken?", vroeg Carmen nog half slapend. "Wat een vraag, wat zouden jullie dààr moeten doen, koffie maken natuurlijk, stommerik!" De koffie werd gereedgemaakt in grote enorme aluminium potten en moest daarna naar de barakken gebracht worden. De ketels hadden een inhoud van vijfentwintig à dertig liter, ze werden tot enkele centimeters van de rand gevuld. Wie morste kreeg slaag. Anja en Carmen hadden reeds enkele ketels weggebracht toen Anja fluisterde: "Pff, ik kan niet meer, wat weegt die ketel toch zwaar, ik ga die eventjes neerzetten!" Ze deed dit zéér voorzichtig, maar toch morste de koffie op de grond... De bewaakster die dit zag, liep woedend naar Anja en Carmen en tierde: "Wie heeft jullie bevolen om deze ketels neer te zetten? Vooruit naar de gaskamer, schnell, schnell.” Geheel ontdaan stapten beide vrouwen naar hun dood... Anja fluisterde droevig: "Wij worden vergast, nu zal ik mijn dochtertje niet meer kunnen zoeken, ze zal haar moeder nooit meer zien!" Aangekomen zei de bewaakster grijnslachend: "Wacht hier, seffens is het jullie beurt!" Carmen zei hoofdschuddend: "Die gekkin doet net of wij eventjes naar de dokter moeten en dat wij tevreden zijn met onze vergassing!" Na ongeveer vijf minuten kwam ze terug en zei: "Kom, de executie is uitgesteld, vooruit, aan het werk en draag die stenen maar naar de andere zijde, schnell, schnell!"

Op een gegeven ogenblik waren Anja en Carmen alleen. Carmen vroeg fluisterend: "Heb jij je kindje gezien en wat gebeurt er nu met haar?" "Alles is goed, vanavond als de lichten uit zijn zal ik jou alles vertellen, doe nu maar voort!" Anja werkte naarstig verder, ze wilde geen vermoeidheid kennen, ze zou na de oorlog kost wat kost haar dochtertje Kelly terugvinden.

Hoofdstuk 12: De experimenten

Anja en Roza hadden die morgen zware stenen gedragen. Na enige tijd zei Anja: "Oh, wat ben ik moe, ik zou een fortuin willen geven om wat te kunnen rusten!" "Wees maar voorzichtig!", zei Roza, angstig rondkijkend of de bewakers hen niet zagen praten. Toen ze vond dat alles veilig was zei ze nog: "want je weet dat je nog een vloed kunt krijgen!" Plots werd ze lijkbleek, met haar hoofd naar beneden zei ze: "Sst, niet antwoorden, er kijkt een bewaakster naar ons!" "Waar?" “Schuin tegenover jou!", zei Roza, zonder haar lippen te bewegen. "Staat ze ver?" "Zo'n vijftig meter!" De bewaakster liep heen en weer, plots keek ze naar de twee vrouwen. “Wel ja, ik zie het goed, die twee rotwijven staan te fluisteren, ik zal ze leren...!" Woedend liep ze naar het tweetal en riep: "Wat stonden jullie daar te fluisteren? vooruit, zeg op!" "Oh niets, ik zei alleen dat ik moe was!" De bewaakster keek verstrooid en hoorde niet wat Anja gezegd had en zei gebiedend: "Kom mee, jullie moeten naar dokter Clauberg, hij heeft jullie nodig!" "Waarom?", waagde Roza nog te vragen. "Zwijg, gevangenen mogen geen vragen stellen en volg mij nu maar, schnell!" Beide vrouwen liepen met knikkende knieën met haar mee.

Dokter Clauberg was een kleine gedrongen man van ongeveer vijftig jaar met gebroken neus en een bril, zijn verschijning deed denken aan een klein nietig persoontje, hij was Franssprekend en was steeds vergezeld van zijn assistente. Hoe dichter ze bij Barak 10 kwamen, hoe angstiger ze werden. In een flits dacht Roza plots: "Ja ik herinner het mij, Claudia vertelde mij van dit gebouw, hier worden die vreselijke experimenten uitgevoerd.” Toen ze het kabinet van de dokter betraden werden ze door hem en zijn assistente vastgegrepen. Roza werd door de assistente ruw op de verlostafel gesleurd. De bewaakster bond zorgvuldig Roza’s benen vast. Ook Anja werd onzacht op een gereedstaande stoel geduwd... Dokter Clauberg wreef grijnslachend in zijn handen, stroopte zijn hemdsmouwen op en begon eerst aan Roza... Op een gereedstaande tafel lagen rubberen handschoenen die hij vervolgens traag aantrok... "Wat ga je met mij doen?", riep Roza angstig. "Oh, ik ga wat experimenten op jou uitvoeren!" "Welke?" "Dat zul je gauw ondervinden en ik ga er nu aan beginnen!"

Dokter Clauberg kreeg bij zijn aankomst in Auschwitz een kliniek toegewezen, hij werd bijgestaan door dokter Erhardt uit Graz, dokter Wolff uit Berlijn en door Professor Wolff uit Greifswald. De dokters hadden hun werk "Bodewin schaftung in fruchtbarkeit" gedoopt. De dokter nam de gereedliggende spuit en gaf Roza een inspuiting in haar buikholte. Clauberg zei gebiedend: "Blijf stil liggen, binnen vijf minuten begin ik met het experiment!" Na enkele minuten begon de inspuiting te werken, Roza voelde een stekende pijn in zich opkomen... Hoe langer ze op de verlostafel lag, des te heviger werden ze. Ze kreunde, gilde, balde haar handen tot vuisten, ze kon onmogelijk stilliggen. "Lig stil!", zei dokter Clauberg gebiedend, "ik ga beginnen!" "Benen open!", klonk het luid. Doordat Roza lag te kronkelen van pijn, hoorde ze de dokter niet... "Hey vrouwtje, doe uw benen open, of moet ik je helpen?" Het woord bij de daad gevoegd trok hij ruw haar benen open. Roza gilde het uit. Met een niet omzichtige beweging ging hij met zijn hand in haar schede en trok een gedeelte van haar baarmoeder eruit. "Au, hou op, oh dat doet pijn, stop ermee, alstublieft!", gilde Roza. Maar Clauberg luisterde niet en martelde verder...

Door de zware foltering viel ze in zwijm. Hij riep tot zijn assistente:"Breng mij vlug een emmer water, de gevangene is bewusteloos!" Toen het pijnigen ten einde was zei Clauberg: "Voor u is het gedaan, maak dat ge wegkomt, schnell, schnell!" Roza wilde rechtstaan, maar een stekende pijn belette het haar. "Wel!”, zei hij spottend, "komt er nog wat van? sta op en speel geen komedie!" "Ja dokter!", antwoordde ze moeizaam,”ik kan niet rechtstaan, mijn hele lichaam doet pijn!" "Ik heb je niets gevraagd en als je nu niet vlug verdwijnt dan ransel ik je buiten, begrepen?"

Anja, die door de assistente werd bewaakt, riep ontzet toen de dokter aan het experiment begon: "Hou op, wat doe je, je doet haar pijn!" Waarop ze naar Clauberg liep... "Kom hier!", riep de assistente achter Anja lopend. Maar ze luisterde niet en greep de dokter bij zijn arm, toen hij Roza's benen bruut opentrok. "Hou op, martel mijn vriendin niet, alstublieft!" De assistente, die intussen Anja had ingehaald, greep haar vast en sleurde haar terug naar haar plaats en snauwde met haar gelaat dichtbij Anja: "Jij blijft zitten, zoniet verbrijzel ik je hersens, begrepen?" "Ik kan het niet verdragen dat Roza gemarteld wordt!" "Zwijg of...!" Anja keek met afgrijzen naar de handelingen van dokter Clauberg. Toen hij met zijn werk klaar was keek ze medelijdend naar Roza die zich zo goed ze kon naar buiten sleepte. "Wees wat vlugger!", riep Clauberg woedend terwijl hij haar sloeg en stampte. Aan de voordeur gaf hij haar nog een fikse duw, zodat ze achterover viel... Twee bewakers die de wacht hielden namen haar ruw vast en sleurden haar naar haar slaapbarak. Toen ze weg was zat Anja nog steeds op de aangewezen stoel, ze durfde haast niet meer bewegen... Clauberg ging naar Anja, zijn handen en doktersjas waren nog met het bloed van Roza besmeurd... Hij keek haar een lange tijd onderzoekend aan. Tenslotte zei hij: "Ga op die verlostafel liggen!" "Neen, jij gaat mij niet folteren!" Clauberg was het niet gewoon dat hij tegengesproken werd tijdens zijn experimenten, hij keek haar verbaasd aan, maar liet niets merken. Daarom zei hij zonder een spier op zijn gelaat te vertrekken: "Jij hoeft mij niet te commanderen van wat ik al dan niet moet doen en ga nu op die tafel liggen en vlug wat!" "Neen,dat wil ik niet!", riep ze uit volle borst. Dit deed bij de dokter de emmer overlopen en hij gaf een teken naar zijn assistente om Anja vast te grijpen... Met veel kabaal sleurde ze de tegenstribbelende Anja naar de martelplaats... Andermaal trok hij de rubber handschoenen aan om aan het experiment te beginnen, toen hij plots zei: "Neen, met jou heb ik iets waardevols in petto!" Hij maakte haar weer los en zei: "Maak dat ge wegkomt!" Ze liep zo vlug ze kon weg van deze afgrijselijke plek... De dokter riep haar nog na: "Ik zal je wel laten roepen wanneer ik aan een experiment met jou wil beginnen!" Ze liep zo vlug ze kon naar de slaapbarak. Hijgend arriveerde ze.

Binnengekomen hoorde ze Roza kermen... Vlug spoedde ze zich naar haar en nam haar in haar armen en zei: "Die dokter Clauberg – ‘et jou heb ik een waardevol experiment in petto’ -wat bedoelde hij daarmee? ik ben wel bang, ik huiver als ik er nog maar aan denk!" Met een zwakker wordende stem zei Roza: "Ik hoop dat het goed afloopt!" "Ja, dat hoop ik ook!" Plots vloog de deur van de barak open, de bewaakster riep: "Abent Appel, antreten, schnell; schnell!" Ze ging naar Roza’s bed en zei: "En jij moet ook op appél komen!" Anja ondersteunde haar zo goed ze kon naar de verzamelplaats. Ze ging in het midden van de rij staan, zo zouden beiden minder last hebben van de matrak. Maar dit ging niet van een leien dakje, iedereen wilde zich veilig stellen bij het zoeken, sloegen en stampten de gevangenen elkaar om vlug de veilige plaats te bereiken.

Het appél duurde twaalf uur, veel vrouwen vielen in zwijm. De vermoeidheid na de zware werkdag speelde hen parten... Ze hadden sedert vierentwintig uur niet meer geslapen. Annie had zich zo lang mogelijk recht gehouden, maar viel na een tijdje neer... De Blockaltester liep nijdig naar haar en tierde: "Sta op, of ik sla jou tot moes!" Dokter Rascher, die een kijk,je kwam nemen, zei: "Breng haar naar de ziekenbarak, want ik heb haar nodig...!" Toen ze reeds een uur op het Revier lag kwam de dokter naar Annie's toestand kijken. Hij ging naar één van de zogezegde verpleegsters en zei: "Verzorg haar goed en geef ze vooral goed te eten, ik kom over enkele dagen eens kijken!" "Ja, ,ja, ik zal mijn best doen, u zult niet te klagen hebben!"

Na drie dagen kwam hij terug en vroeg aan een voorbijkomende verpleegster: "Wel, is die vrouw die drie dagen geleden binnengebracht werd, weer op krachten gekomen?" "Ja ik denk het wel, u kunt haar nu meenemen!" Annie keek van de dokter naar de verpleegster en omgekeerd. Ze voelde dat er iets op til was. Beiden stonden lange tijd met elkaar te praten. Hoe langer het gesprek met de dokter duurde, hoe benauwder ze werd. "Kom uit je bed!", hoorde ze de dokter zeggen. En zich tot de verpleegster wendend vroeg hij: "Veerle, is er nog iemand die zo mooi is als deze vrouw?" "Ja, drie bedden verder!" De dokter ging naar Lizie en bekeek haar zéér aandachtig. Na enkele seconden zei hij: "Mitkommen!" "Waarom moet ik meekomen, wat gebeurt er hier?" "Hier stelt men geen vragen!", zei de dokter, “en kom nu maar!" Met knikkende knieën volgden ze hem. In Barak 11 gekomen wees de dokter naar een bed, waarop een bewusteloze man lag. Hij zei vervolgens: "Zien jullie die naakte onderkoelde man daar?" "J...ja!", antwoordden Annie en Lizie angstig. "Wel., jullie moeten hem terug tot leven brengen, kleden jullie uit en dan moeten jullie naast hem gaan liggen, begrepen?" "Moe ...moeten wij!" Annie slikte even,"na...naakt naast die man gaan liggen?" "Ja, ja, en begin nu maar, vlug!”, klonk het streng. "Maar dokter, dat kan ik toch niet doen, ik heb een man en kinderen!", riep Annie ontzet. "Wat, durf jij tegenspreken? als je niet vlug doet wat ik zeg zal ik je helpen en je weet wat dit betekent!", zei de dokter dreigend. Annie dacht:” Ik zal maar doen wat die smeerlap vraagt!" Met tegenzin ontkleedde ze zich. In haar onderbroek en haar handen voor haar borsten bleef ze verlegen staan. "Hey, ik heb gezegd uitkleden en dat betekent alles, begrepen? en doe je handen van je borsten of ik sleur ze er af!"

Na lang aarzelen deed ze het. Dokter Rascher zei, in zijn handen wrijvend: "Jullie moeten met uw borsten over het lichaam van die man strelen, met zijn penis spelen, hem op alle mogelijke plaatsen kussen om hem klaar te maken voor het liefdesspel. Wie niet voldoende meewerkt zal vergast worden, begrepen?" "Ja dokter, wij zullen ons best doen!", antwoordden Annie naar Lizie kijkend. "Jullie best doen, ja, dat ken ik, als ik jullie niet gade slaag zouden jullie niets doen en begin maar al!", zei Rascher ongeduldig. Annie en Lizie streelden en aaiden de man tot hij in de hoogste extase kwam. De beide vrouwen waren reeds een tijdje bezig toen hij stilaan bij bewustzijn kwam. In een staat van opwinding duwde hij Lizie weg en begon met Annie het liefdesspel... Dokter Rascher die zich niet meer kon bedwingen greep Lizie en verkrachtte haar... "Zo, dit experiment is afgelopen, jullie kunnen gaan, als wij jullie nog eens nodig hebben laat ik het aan één van de bewaakster zeggen en ga nu maar!", zei hij tevreden.

In hun slaapplaats gekomen weenden beide vrouwen nog een hele tijd, tot ze van vermoeidheid in slaap vielen.

Hoofdstuk 13: De vlucht

Enkele dagen na het experiment. De gevangenen waren reeds een tijdje in de ijzige koude aan het werk... Plots klonk een stem in de luidspreker: "Iedereen in rijen van vijf!" Annie en Anja bekeken elkaar, Annie zei verwonderd: "Wat gebeurt er, kijk, die bewakers zijn zo haastig, zie ze lopen, dit is niet normaal!" en keek naar de richting van Annie's wijsvinger en zei met stijgende verbazing: "Ik zie het!" en keek rond en zag de bewakers, de Kapo's, de dokters, de Obsturmfurher over en weer lopen om de gevangenen bijeen te drijven. "Vooruit, iedereen naar het appél, schnell, schnell!" Anja liep vlug naar de Barak om Roza te halen. "Hey, waar ga jij heen? vooruit naar het appél., schnell, schnell!" Maar ze hoorde de bewaker niet en rende verder... Hij liep haar achterna, toen hij haar ingehaald had greep hij haar beet en zei nijdig: "Wel, moet jij niet gehoorzamen?" "Jawel, maar ik wilde mijn vriendin in onze Barak gaan halen!" "Is uw vriendin niet aan het werk?" "Ze is ziek!" "Zieken nemen wij niet mee en maak dat je op appél bent, wij moeten snel zijn!" "Waarom, wat is er aan de hand?" "Wij ontruimen het kamp!" "Maar dan sterft ze, laat mij haar alstublieft meenemen!" "Neen, zei ik en als je nu niet vlug weg bent dan sla ik je kreupel, begrepen?" Anja keek nog eens spijtig naar de Barak die amper vijftig meter verder lag, ze liep tenslotte naar de andere gevangenen. Bij haar aankomst stond iedereen reeds gereed om te vertrekken.

In lange rijen stapten ze onder een temperatuur van min twintig graden. Anja dacht de hele tijd aan Roza en de andere gevangenen die achterbleven in het kamp. De SS-ers hadden in hun haast geen eten noch drinken meegenomen. Die zeventiende januari sneeuwde het hevig, de koude sneed door hun dunne gevangeniskleding. De gevangenen waren reeds drie dagen en drie nachten onderweg, tot ze op een plaats aankwamen waar een trein met open wagons gereed stond. Plots riep de bewaker: "Halt, klauter in dat rijtuig, schnell, schnell!" Dit ging echter zoals steeds gepaard met stampen en slaan. Annie had de bewaker niet gehoord en bleef mijmerend staan... "Hey jij!", zei de bewaker terwijl hij met zijn matrak naar haar sloeg, "maak als de bliksem dat je in die wagon zit!" "Ja, ja!", antwoordde ze geschrokken. Met haar laatste krachten kroop ze uitgeput van de lange dodenmars bij de anderen in het rijtuig. Haar keel was droog en ze wilde wat drinken. Speurend keek ze rond of ze iets vond om haar dorst te lessen. Ze schraapte de sneeuw van de randen van de wagon en met volle hand nam ze gulzig het begeerde spul. Het vocht deed haar goed. De trein reed reeds enige tijd, het had intussen opgehouden met sneeuwen. Plots stopte het gevaarte, de SS-ers kwamen brood in de open wagons gooien. De trein had reeds door een snijdende koude door Polen en Duitsland gereden.

Na vier dagen en evenveel nachten in de open wagons te hebben doorgebracht kwam de groep in Ravensbruck aan. En wéér klonk het schrille fluitje, de bewaker riep: "Iedereen hier neerzitten!" Er lag wel tien centimeter sneeuw... Annie keek ernaar en vroeg: "Moeten wij in deze massa gaan zitten?" "Ja, en vlug wat of je gaat wat beleven!" Nog steeds aarzelde ze, ze wilde niet... "Hey jij, doe wat ik zeg of...!", riep de bewaker nijdig en sloeg haar tot ze gehoorzaamde. Er gingen drie uren voorbij en nog steeds zaten de gevangenen in de sneeuw. Plots hoorde ze de motoren van vrachtwagens. Annie wilde nog vlug iets tot Anja zeggen, maar de bewaker riep: "Vlug naar die motorvoertuigen, schnell ,schnell!, want hier is geen plaats meer, er zijn de laatste tijd teveel gevangenen aangekomen!" Na ongeveer drie uur kwam het konvooi in het kleine concentratiekamp Malchow aan, waar slechts vijfduizend gevangenen verbleven. Hier was plaats voor hen, ze hoefden hier niet te werken. Het zou derhalve niet mogelijk geweest zijn, omdat ze te zwak en te ziek waren van de lange dodenmars. In dit kamp konden ze bijna geen eten krijgen, hierdoor leden ze veel honger en dorst. Annie en Anja verbleven hier reeds vier maanden toen op 1 mei 1945 de bewaker onverwacht verscheen en riep: "Iedereen naar de appélplaats en in rijen van vijf gaan staan!" Annie zei verbaasd: "Zeg Anja, wat gebeurt er, waarom moeten wij verzamelen?" "Dàt vraag ik mij ook af!" "Ik denk.... au, dat doet pijn!" Een matrak raakte met een fikse plof haar rug. "Rotwijf!", riep de bewaakster nijdig, "ga als de bliksem naar de appélplaats, schnell, schnell, of ik schiet je hoofd eraf'!", tierde ze.

Bij haar aankomst stonden de gevangenen reeds klaar, ze vertrokken naar een onbekende bestemming. Moeizaam marcheerden ze verder en verder... “Schnell., schnell, kunnen jullie niet wat vlugger stappen?”, klonk het steeds. Annie en Anja probeerden zo goed als het kon in het midden te lopen, daar konden ze het stampen en slaan van hun bewakers vermijden. Toen het donker werd zei de bewaker: "Hier in dit bos brengen wij de nacht door!" En weer sloegen de matrakken in het rond, tot iedereen op zijn plaats zat. "Waar gaan wij morgen naartoe?", vroeg Annie nieuwsgierig. "Zwijg en ga zitten of...!" "Ik wilde alleen maar we...!" "Jij, jij wil niets weten, begrepen?" Terwijl de bewaker zijn sigaret weg smeet zei hij nog, "en hou je mond.” Het was die dag niet zo een goed weertje, de gevangenen hadden het vreselijk koud. De wind gierde door hun dunne gevangeniskleding. Bij het ochtendgloren moesten ze weer op stap. 't Was de derde dag van hun tocht, de bewakers sloegen, stampten, vloekten,… deze toestand duurde zo nog enkele uren. De gevangenen waren uitgeput en liepen traag verder zonder eenmaal hun hoofd op te heffen, de angst stond in hun ogen te lezen. Annie dacht nadat ze een zéér lange tijd ver gemarcheerd had: "Ik hoor niets meer, ik hoor geen vloeken, geen slaan, wat zou er gebeurd zijn?" Voorzichtig hief ze haar hoofd op en keek rond, maar er was nergens een bewaker te bespeuren.

Even bleef ze staan, omdat ze op dat moment langs de buitenkant liep, ze waagde het nogmaals rond te kijken. Geen van de gevangenen durfden naar haar te zien. Annie riep plots: "Hey, stop eens, wij zijn vrij, de bewakers zijn verdwenen!" Ze riep zo luid als ze kon: "Luister, wij hoeven geen angst meer te hebben, want de bewakers zijn verdwenen!" Maar de gevangenen waren te bang om Annie en Anja te geloven en stapten moeizaam verder... "Sst !", zei één van de gevangenen, “als de bewakers ons horen slaan ze ons dood!" Met hun hoofden naar beneden stapten ze verder, nog steeds in rijen van vijf…

‘’t Was reeds middag, toen Annie en Anja een stapel helmen en gebroken geweren zagen liggen, ze keken naar boven en zagen aan de huizen witte vlaggen... Stilaan begonnen de andere gevangenen te beseffen dat ze werkelijk vrij waren. Plots riepen ze:"Wij zijn vrij, vrij, vrij!", met hun armen zwaaiend, “wij kunnen eindelijk naar huis, de nachtmerrie is voorbij!" Nadat iedereen van elkaar had fscheid genomen, ging ieder zijn eigen weg. Annie en Anja besloten om samen te blijven. "Wij zullen als eerste stap naar het Rode Kruis gaan, dààr zullen wij vragen of er iemand is die ons naar huis kan brengen!" "Oh ja!", zei Anja, "dat is een goed gedacht!" Bij de organisatie aangekomen zochten ze een dienstdoende verpleegster. Ze vroeg haar: "Is het mogelijk dat er iemand is die ons naar België kan brengen, want wij bezitten geen geld, omdat wij krijgsgevangenen waren in het concentratiekamp Auschwitz!" "Het spijt mij, maar ik kan jullie niet helpen, er zijn teveel zieken, die wij niet kunnen achterlaten!" Ontmoedigd verlieten ze het gebouw.

Uit tegenovergestelde richting kwam een vrachtwagen aangereden met Canadezen. Ze riepen toen ze Annie en Anja in hun gevangenisplunje zagen: "Hey, wij rijden naar de volgende stad Parchim, jullie kunnen tot daar meerijden!" "Toen ze in de stad arriveerden zei één van de mannen tot Annie en Anja: "Zouden jullie het goed vinden dat wij bij een Duitse familie gingen aanbellen, om hen te vragen of jullie daar een paar dagen mogen logeren, is dat goed?" "Jazeker, wij willen rusten en op krachten komen!" Bij één van de herenhuizen die tijdens de oorlog nog recht gebleven was, belde hij aan. “Deze twee vrouwen komen uit het concentratiekamp Auschwitz, zouden ze hier enkele dagen mogen logeren, zodat ze terug wat op krachten kunnen komen voor hun tocht naar huis?" "Oh ja” zei de vrouw des huizes. Ze keek Annie en Anja een lange tijd aan en zei tenslotte: "Jullie kunnen hier blijven zolang als het nodig is!" Na drie dagen voelden ze zich sterk genoeg om te vertrekken.

Die dag, beiden zaten in de zon, een zwakke windbries wapperden in hun haren. Ze genoten van de warmte, ze zaten reeds een uur buiten toen Annie plots zei: "Zeg Anja, ik vind dat het stilaan tijd wordt om naar huis te gaan, wanneer vertrekken wij?" "Wel, morgen is goed!" "Welk uur?" "Ik had gedacht bij het ochtendgloren!" "Zo vroeg?" “Ja, wij hebben nog een lange weg af te leggen, hoor!" "Ja, dat is ook weer waar!" "Maar wij moeten hen bij het avondeten verwittigen!", zei Anja. Toen iedereen aan tafel zat zei Annie: "Wij hebben besloten morgenvroeg rond vijf uur te vertrekken, daarom willen wij afscheid nemen!" "Oh, dat is spijtig, ik had graag gehad dat jullie nog langer gebleven waren!" "Ja, maar ik verlang erg naar huis, neem ons niet kwalijk, wij zullen u stellig schrijven!"

Die morgen, de ochtendzon straalde vrolijk toen ze vertrokken. De straten lagen er belabberd bij, overal lagen kadavers van paarden, omgevallen karren, zieken en verminkten. Sedert hun bezoek aan het Rode Kruis hadden beiden reeds honderdtachtig kilometer afgelegd. Annie en Anja waren zéér moe van de lange tocht, ze waren dorstig en wilden wat slapen... Ze hadden een goed beschut rustig plaatsje gevonden. Annie rekte zich en wilde zich ter ruste leggen, toen Anja plots riep: "Hey Annie, kijk daar schuin tegenover is een hotel!" "Een hotel, hoe denk je ons logement te zullen betalen?" Anja keek nog een lange tijd aandachtig naar het gebouw. Plots zei ze weer: "Maar het staat écht leeg!" De Franse krijgsgevangenen waarmee ze hadden kennisgemaakt keken eveneens in de richting van Anja's wijsvinger. "Weet ge dat zeker?", vroeg Fernand ongelovig. "Kijk, dat zie je toch, de deur staat open!" "Kom wij gaan eens kijken!" Toen het zestal gebouw betrad kwam een zalige warmte hen tegemoet... "Ik durf hier niet binnengaan, wij hebben geen geld, wij zijn net boeven!" Fernand keek nog eens behoedzaam rond. In de hal was niemand te bespeuren. Hij liep verder en zag een trap en beklom hem. Boven gekomen opende hij voorzichtig één van de vele deuren, maar er was nog steeds niets te zien.

Doordat hij zolang wegbleef, waagden de anderen zich verder. Annie en Anja en Etienne begaven zich naar de verdieping. De andere drie van het gezelschap vonden een trap die naar de kelder leidde. "Hey Gaston, kijk eens hier liggen een hoop schoenen!" "Schoenen?" "Ja, ik zie hier mannenschoenen en ook voor vrouwen!" "Zijn er ook grote maten bij?" "Ja grote en kleine, zwarte en bruine!" "Zijn ze nog in goede staat?" "Ja, zo te zien wel!" "Gaston, ik heb hier ook kleding gevonden!" "Ja? Ik haal vlug Annie en Anja!" Hij liep vlug naar boven om de twee te zoeken, alsook zijn twee vrienden Etiénne en Gerard.

Het viertal was juist in één van de lange gangen, Gerard wilde juist een deur openen, toen Gaston riep: "Hey, komen jullie eens, wij hebben een hoop kleren, schoenen en handtassen gevonden!" "Waar?”, vroeg Annie verbaasd. "In de kelder!" "Oh dat is goed, dan kunnen wij iets anders aantrekken, wacht ik ga mee, komen jullie ook?" "Jazeker!" In de kelder gekomen zochten ze koortsachtig naar iets geschikt. Nadat Annie en Anja gevonden hadden wat ze zochten, gingen beiden naar de eerste verdieping, ze hadden er een badkamer gevonden. "Zou het water warm zijn?", vroeg Annie nieuwsgierig. "Ik zal eens proberen!" Anja draaide aan de warmwaterkraan. "Ja, oh wat zalig, ik zal seffens nogal genieten in dat bad!" "Wie gaat er eerst?", vroeg Anja, de kraan nog steeds vasthoudend. "Ik!" "Ja, dan ga ik wel achter jou!"

Het bad deed haar goed, na al die jaren gevangenschap. Het andere gezelschap volgde het voorbeeld van Annie. Toen ze klaar was begaf ze zich naar de keuken. Ze vond er brood, confituur, eieren, spek, aardappelen en groenten. Alles wees er op dat de hoteleigenaars nog niet lang geleden gevlucht waren. Annie dacht: "Ik ga spek en eieren bakken, dat is zolang geleden, dat zal mij smaken!" Toen alles gereed was kwam Anja binnen. Ze ging naar het gasvuur en hing ruikend over de pan en snoof de heerlijke geur van het eten op. Anja keerde zich om en vroeg: "Zeg Annie, zijn er nog genoeg eieren en spek?" "Ja hier!", en overhandigde haar het eten.

Er was nog voldoende over voor de Franse krijgsgevangenen. Nadat iedereen goed had gegeten en genoten had van een welverdiende nachtrust, vertrok het gezelschap in alle vroegte. Na enkele dagen belandden ze aan een wei, de koeien stonden erbarmelijk te loeien, ze waren sedert de ochtend niet meer gemolken. De boer en de boerin waren in allerijl gevlucht. "De boerderij moet hier dichtbij zijn, kom wij gaan eens kijken of wij een klein stoeltje en een emmer vinden!" "Ik wil die koeien wel melken!", zei één van hen in gebroken Vlaams. Toen het gezelschap zo’n honderd meter had gelopen, zagen ze een leegstaande hoeve. Er liepen kippen rond. De mannen probeerden ze te vangen. Na een hele tijd met vloeken en tieren er achteraan gelopen te hebben, konden ze eindelijk de tien kippen vangen. In de hoeve was alles aanwezig, zoals pannen, tassen, borden enz... Ze bleven er enkele dagen, daarna vertrokken ze. Toen het gezelschap reeds een week onderweg was, arriveerden ze bij een opvangcentrum waar wel honderd krijgsgevangenen verbleven. Het centrum lag midden in de bossen. Anja en Annie kregen elk een apart bed, ze werden zodoende van de vier Fransen gescheiden. Een Amerikaan koos een neger en bedreef de liefde op de tafel. Annie en Anja keken ontzet toe. Hij behandelde de kleurling onzacht. De man verzette zich uit alle macht, maar zijn belager deed verder..

De volgende morgen, toen de vrouwen de vier Franse krijgsgevangenen terugzagen, vertelden ze hen het hele gebeuren. "Laat ons hier weggaan!", jammerden Anja en Annie. Etiénne vroeg bezorgd: "Die mannen hebben jullie toch, hoop ik, niets misdaan?" "Neen aan ons niet, maar wij waren wel bang, ik wil hier geen nacht meer blijven!", zei Annie. "Een geluk dat er jullie niets overkomen is, want ik zou hem vermoord hebben, ik wil ook na dit verhaal niet langer blijven, we vertrekken direct!" Annie en Anja voelden zich veilig bij hun Franse vrienden. Vrachtwagens kwamen af en aan. Gaston liet één van hen stoppen en vroeg: "Kunnen wij een eindje meerijden, wij zijn op weg naar Calais in Frankrijk!" "Zijn jullie Fransen?" "Ja!" "Ik vervoer enkel Duitse krijgsgevangenen!"

Na ongeveer een uur gewacht te hebben kwam er weer een vrachtwagen. Fernand keek vlug naar het kenteken om de herkomst te ontdekken. "Ha, ha, ditmaal zijn het Fransen. Als hij achter ons is moet hij toch stoppen, want deze weg is doodlopend, dan klauteren wij er in, jullie moeten plat op de grond liggen!" "Waarom moeten wij plat op de grond gaan liggen?" "Omdat hij geen vrouwen meeneemt!" "Hoezo, hij neemt geen vrouwen mee?" "Ik weet dat niet en ga nu onder de bank liggen!" Annie en Anja schoven zich zo goed als het kon er onder. Eén van hen legde een deken dat hij in de camion gevonden had over de twee vrouwen, zodat beiden verstopt werden. Toen de verantwoordelijke kwam om iedereen te tellen, verliep alles op rolletjes. Op deze manier konden Annie en Anja stiekem meerijden... De reeks vrachtwagens stopte aan een school in Nurnberg, waar het bestuur de slaapgelegenheid had geregeld in de turnzaal en waarin in het midden een groot gat te zien was. Etiénne en Fernand sloegen een deur in en legden deze op de opening, zodat Annie en Anja konden slapen. Ze hadden echter niet veel plaats, de turnzaal was overvol.

Vanuit Nurnberg vertrok het zestal naar Calais, waar de vier vrienden van de vrouwen afscheid namen. Op 20 mei 1945 arriveerden Anja en Annie in België. Hoe dichter ze bij hun woning kwamen, hoe stiller ze werden. Anja dacht aan haar dochtertje Kelly en aan haar woning, zou het nog overeind staan? Annie was eveneens diep in gedachten. Eindelijk was het zover, ze herkenden de straten. “Hier om de hoek woon ik!", riep Annie plots. "Wel vrouwtje, dan breng ik je tot voor de deur en jij waar moet jij zijn?", vroeg de chauffeur aan Anja. "Ik woon hier enkele straten verder, maar je hoeft mij niet te brengen, ik wil nog even bij mijn vriendin blijven!" De bestuurder keek hen vriendelijk aan en zei: “Als je niet wil dat ik je breng, dan rijd ik maar door!" De beide vrouwen wuifden hem na en bleven de auto nakijken tot ze hem niet meer zagen. In Calais hadden ze autostop gedaan om op deze manier vlugger thuis te komen. “Kijk Anja, de gordijntjes hangen er nog. Ik ben zo blij om weer thuis te zijn, ik zou wel kunnen zingen van geluk!" "Ja, ja, allemaal goed en wel, maar heb je er wel eens aan gedacht hoe je gaat binnenkomen?" "Daar zeg je zoiets, die SS-ers hebben mij alles afgenomen!" "Kom we denken er niet meer aan, wat telt is nu, wij moeten kost wat kost in mijn huis raken!", zei Annie peinzend.

"Maar ik zou toch eerst naar mijn woning willen gaan kijken, ga je mee?" "Ja, ik zou het ook eens willen zien, daarna zien we wel!" Toen beiden ter plaatse kwamen riep Anja ontdaan:"Kijk, mijn huis is plat gebombardeerd.”, terwijl ze wat dichterbij ging, de trappen, de voorkamer en een stuk van de keuken was het enige dat nog overeind stond... "Ik heb geen woning meer, waar moet ik heen!", zei ze snikkend, “mag ik zolang bij jou wonen, tot ik iets anders gevonden heb?" "Je kan zolang blijven als je wil!" Dit drama had Anja van haar stuk gebracht. "Kom Anja, we gaan terug, er is toch niets aan te doen!" Na een tijdje stonden ze weer voor Annie's huis. "Zeg Annie...” "Wacht even!", onderbrak Annie haar, "laat mij nadenken, hoe moeten wij binnenraken?" Plots riep ze: "Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb, zie je die smalle gang?" "Ja!" "In het midden is een klein deurtje dat niet groter is dan 25 X 25 cm, dààr moeten wij doorkruipen, dan moeten wij een trap naar boven en zo belanden wij in de gang, hoe vind je dat?" “Fantastisch!" Annie en Anja kropen erdoor, maar hoe Annie en Anja ook zochten, het deurtje was nergens te bespeuren. "Eindelijk!", riep Annie plots, "ik heb het gevonden!" "Ja? dan wat een geluk, wacht Annie, ik kom!" Annie kroop als eerste erdoor, daarna volgde Anja. Het deurtje dat in de kelder uit kwam was wat hoger van de grond gelegen, hierdoor moest Annie een sprongetje maken om op de begane grond te komen. Door de plons spoot het water omhoog, want de gehele kelderverdieping was helemaal ondergelopen.

"Oh wat stinkt het hier!", zei Anja met haar hand haar neus bedekkend. "Vroeger!", zei Annie, "hadden wij er geen last van, wij zullen hem moeten laten leeg pompen!" "Ja!", zei Anja, "en wel zo vlug mogelijk!" Beide vrouwen liepen door het één meter hoge water. Toen Annie haar voet op de eerste trede van de trap zette, gleed ze bijna uit... Op de trap lag veel mos. “Anja wees voorzichtig, want de treden zijn zéér glad, hou je goed vast!", zei Annie, toen Anja wilde naar boven gaan. Eindelijk duwde Annie de kelderdeur open. Ze liepen door de gang. Recht voor hen was een deur die toegang gaf naar de woonkamer. De tafel stond er nog steeds gedekt met het mooie blauwe gebloemde servies, dat door de jaren afwezigheid geheel onder het stof zat. Annie keek treurig naar de plaatsen waar Ilse en Marijke aan deze tafel hadden gezeten. Annie wees naar de plaats waarachter ze stond en zei met een krop in haar keel: “Hier zat Ilse en aan de overkant Marijke en aan het hoofd van de tafel zat mijn man en ik hier aan het andere hoofdeinde.”

Anja keek medelijdend naar Annie en zei: “Uw verdriet is ook het mijne, waar zijn de kinderen, waar is mijn dochtertje Kelly, waar?" Vlug herpakte ze zich en zei: "Kom, wij mogen er niet aan denken, we moeten sterk zijn om ze binnenkort te zoeken!" "Ja, wij mogen er niet aan denken, wij moeten onze moed er in houden, kom we gaan eens naar de keuken kijken!" Hier was alles nog netjes opgeruimd, maar eveneens zéér stoffig. "Gaan wij eens naar boven kijken?", vroeg Anja. "Ja, wie weet wat wij dààr vinden, daar zal het al niet veel beter zijn dan hier!" Maar in verhouding met de benedenverdieping was er hier minder stof te bespeuren. Er waren drie slaapkamers en een badkamer. "Kom!", zei Annie, “wij zullen hier eerst beginnen te werken, zodat wij vanavond proper zullen slapen!"

Toen ze gedaan hadden, riepen beiden opgelucht: "Oef, de slaapkamers en de badkamer zijn gereinigd, morgen doen we de rest, nu gaan wij ons eerst wassen en dan naar bed!" Beiden vielen omzeggens onmiddellijk in een diepe slaap.

Hoofdstuk 14: De bevrijding

Ongeveer 10 dagen nadat de SS-ers met de gezonde gevangenen gevlucht waren werden de zieken en de kinderen gered door de verkenners van de 92ste infanterie. 't Was reeds drie uur 's middags toen de Russen het concentratiekamp Auschwitz binnenvielen. Toen de gevangenen de bevrijders aan de prikkeldraad zagen, slenterden ze met hun laatste krachten erheen. Hun lijden was voorbij... "Wij komen jullie bevrijden!", riep één van hen in het Duits. De kinderen zaten angstig ineengedoken buiten aan hun slaapbarak. Plots hoorde Marijke in gebroken Duits dat er bevrijders waren. "Sst!", zei ze tot de andere kinderen, “ik hoor lawaai!" Allen luisterden aandachtig... Ze sloop er voorzichtig heen, gevolgd door de andere kinderen. Bij hun aankomst stonden de gevangenen reeds aan de omheining. Eén van hen riep: "De SS-ers zijn met de andere gevangenen die genoeg gezond bevonden waren te voet gevlucht!" "Wanneer zijn ze er vandoor gegaan?" "Ik denk ongeveer tien dagen geleden, de zieken en de kinderen hebben ze achtergelaten. ’t Is vandaag 27 januari, dat moet dan rond 17 januari geweest zijn!" "Ja, zoiets zal het wel zijn, troosten jullie maar, het einde van de ellende is voorbij!" "Is de oorlog voorbij?", vroeg één van de kinderen. “Jazeker, daarom komen wij jullie hier weghalen!" "Kijk!", riep Marijke plots, "op onze armen hebben die SS-ers gevangenisnummers ingekerfd!" "Kijk, kijk, en bij mij ook en bij mij ook!" Ieder kind wilde hun nummer laten zien." “Even geduld, wij gaan eens naar de andere gevangenen zien!" Toen de bevrijders in de barakken kwamen, schrokken ze van de aanblik. Wat ze te zien kregen, waren levende uitgemergelde skeletten... "Het is verschrikkelijk, wat is er hier voor narigheid gebeurd?" Eén van de vrouwen hief plots haar versleten kleed omhoog en liet haar diep doorkerfde been zien. "Wie heeft jou zo mishandeld?", vroeg de Rus geschrokken. “Dokter Clauberg voerde de operaties uit, hij had er plezier in, om ons te folteren!" Een andere vrouw liet haar doorkerfde borst zien en zei: "Dit waren de experimenten die die dokter op ons uitvoerde!" De Russische bevrijders hadden een fotograaf meegebracht om deze gruwelijkheden vast te leggen... Toen dit gedaan was liepen ze door het kamp dat bedekt was met dode lichamen, waaronder nog levenden hun doodstrijd uitvochten. Eén van de vrouwen die de bevrijders gevolgd was, riep in het Duits: “De SS-ers hebben de gaskamer vernield!" "Dàt is voor het ogenblik niet zo belangrijk, waar zijn de zieken?" "Dààr in het Revier!" Toen ze er binnenkwamen schrokken ze van de stank die hen tegemoet kwam. De zieken die in hun bed lagen hadden geen hoop, in hun ogen lag droefheid. Hun achtersten waren reeds aan het rotten door het liggen, de zweren nestelden zich vast aan hun lichaamsdeel, waaraan bovendien hun uitwerpselen plakten. Deze mensen wogen nog slechts achtendertig kilo.

De bevrijders maakten alles gereed om hen te evacueren. Ze droegen de zéér zwaar zieken op een draagberrie, dat ze voor dit doel hadden meegebracht naar de vrachtwagens. De minder zieke gevangenen en de kinderen werden wegens mogelijke infectie naar andere vrachtwagens gebracht die hen vervolgens naar het ziekenhuis vervoerden.

De Russen hadden de opdracht gekregen om de ouders op te sporen, doch indien echter om de een of andere reden deze mensen niet konden gevonden worden, werden deze kinderen bij kandidaat-pleegouders geplaatst. Marijke, die bij zéér goede pleegouders terecht kwam, kreeg een mooie kamer, met aan het venster gele overgordijntjes, versierd met rode bloemen, ze waren in evenredigheid met de bijpassende bedsprei. Aan het venster stond een mooi oud bruin bureau. Op de grond lagen naast het bed twee mooie bruine klassieke karpetjes, aangepast aan het interieur. Het geheel gaf een gezellige indruk. Marijke die de Poolse taal niet zo machtig was, vroeg met zoveel mogelijk gebaren wat schrijfgerief. De eerste ogenblikken begreep haar pleegmoeder haar niet, maar na wat moeite was dit probleem opgelost.

Marijke had heimwee naar huis, ze wilde haar ouders zien, van haar vader wist ze niets meer, sinds hij opgepakt was. 't Verlangen naar hen was een obsessie geworden. Moedig zette ze zich aan het bureau en begon aan haar moeder een brief te schrijven:

Allerliefste mama en papa

Ik hoorde van de andere gevangenen in het concentratiekamp dat de SS-ers gevlucht waren op zeventien januari jongstleden met de gevangenen die nog gezond bevonden waren. De zieken en de kinderen hebben ze achtergelaten in het kamp zoals je wel zult weten. Jij moest ook mee, misschien ben je reeds onderweg, bevrijd en ben je op weg naar huis...!

Ik werd bij pleegouders hier in Polen ondergebracht, dit in afwachting dat het Rode Kruis jou gevonden heeft. Ik ben hier nu reeds drie weken en ik verlang terug naar huis. Ik heb jou niet meer gezien sedert onze gevangenschap. Vermits je niet meer in het concentratiekamp Auschwitz bent, schrijf ik deze brief naar huis in België. Vooraleer ik hem verstuurde vroeg ik raad aan de hulpverleners van deze organisatie, waarheen ik mijn schrijven moest richten. Deze gaven mij de raad de brief naar huis te zenden waar ik woonde voordat wij opgepakt werden, wat ik dan ook gedaan heb.

Ik hoop dat ik jullie vlug terugzie, want ik mis jullie zo erg. Ik ween iedere dag om mijn zusje Ilse. Die rot-SS-ers hebben haar vergast. Mama ik mis haar zo erg! Hoe zou het met papa zijn, ik hoop dat hij nog in leven is. Ik bid iedere dag dat wij vieren terug bij elkaar zijn, maar ja dit is niet meer mogelijk, want Ilse... Ik hoop van ganser harte dat de SS-ers je niet naar een ander concentratiekamp hebben gebracht en dat je goed en wel thuis gekomen bent, dàt hoop ik van harte.

Nu weet ik niets meer te schrijven, behalve dat ik veel van jullie houd!

Je dochtertje Marijke

Nadat Marijke de brief herlezen had, stak ze hem in de omslag. Van haar pleegmoeder had ze geld gekregen om een postzegel te kopen. Daarna wandelde ze dromend naar haar nieuwe thuis. Ze kon maar niet geloven dat haar zusje overleden was. Iets zei haar dat Ilse nog leefde. Ze zag zich reeds met haar ouders en haar kleine zusje, waarvan ze zielsveel hield. Onderweg naar haar nieuwe thuis dacht ze aan de vele ontberingen in het concentratiekamp. Zo liep ze verder zonder dat ze het merkte dat ze het huis was voorbijgelopen.

Toen het begon te schemeren realiseerde ze zich dat ze te ver was gegaan. Twee uur later arriveerde ze bij haar pleegmoeder. Toen ze de deur opende riep ze: "Oh Marijke, eindelijk, je bent er, is er iets gebeurd?" Ze was reeds enkele weken bij hen te gast, stelselmatig leerde ze de Poolse taal kennen. "Oh, vergeef mij, maar je weet dat ik de brief voor mijn ouders ging posten, toen ik echter terugkwam begon ik aan hen en mijn zusje te denken, ik tobde en tobde, ik liep de ene straat in en de andere uit, steeds maar verder. Ik wil zo graag mijn ouders en mijn zusje zien!", zei ze met betraande ogen. "Heb nog wat geduld, binnenkort zal je moeder je zeker komen halen!" “Wanneer, misschien is ze in een ander concentratiekamp overgebracht!" “Alles komt wel goed!”, zei haar pleegmoeder troostend. "Rustig, zeg je, hoe kan ik rustig blijven? Misschien is ze ziek of stervende. Toen die SS-ers op zeventien januari met de gevangenen gevlucht waren, hadden de meesten geen schoeisels aan, het sneeuwde en ijzelde toen zéér hevig, ik mag er niet aan denken!”, riep Marijke snikkend!" " Wat, liepen de gevangenen op hun blote voeten terwijl het vroor dat het kraakte?" "Ja, ik hoop dat ze deze marteling heeft overleefd!" “Denk je dat ik haar ooit nog zal terugzien?" "Kind, dàt kan ik niet voorspellen, maar als ze nog in leven is, zal ze zeker jou niet vergeten!"

Beiden praatten zo nog een tijdje verder tot het tijd werd om naar bed te gaan. Door de troostende woorden van haar pleegmoeder was ze enigszins getroost, toch kon ze de slaap niet vatten, urenlang lag ze te woelen. Na enkele uren viel ze uiteindelijk in een rusteloze slaap.

Hoofdstuk 15: De brief

"Hé Annie, ik heb nieuws van je dochtertje Marijke!", riep Anja die met de brief naar de woonkamer ging en hem aan Annie gaf. "Ja, geef hier!", zei Annie, blij dat ze eindelijk nieuws van één van haar kinderen hoorde. Ongeduldig scheurde ze de omslag en begon te lezen... Plots hield ze op en bleef wezenloos voor zich uitstaren. Anja die de ontbijttafel aan het gereed zetten was, schrok toen ze naar het lijkbleke gelaat keek van Annie. Ze vroeg bezorgd: " Wat is er Annie, je ziet zo bleek?" Snikkend antwoordde ze: “Marijke schrijft dat Ilse vergast is!" “Oh maar dat is verschrikkelijk!" “Het word mij allemaal te veel, mijn man die wellicht nog in een concentratiekamp zit, Marijke bij pleegouders, Ilsje..., het is teveel om te dragen!" "Neen Annie, in een concentratiekamp kan je man niet meer zijn!" "Neen, maar hij is misschien ook omgebracht!" "Zeg Annie, nu moet je eens goed naar mij luisteren, wij twee hadden het ook moeilijk om naar huis te gaan en nog een geluk dat die autobestuurder ons naar huis heeft gebracht!" "Ja, maar niettemin...!" “Annie, wat je nu doormaakt is zéér erg, maar vergeet niet dat ik in hetzelfde schuitje zit, ik weet niet eens waar mijn dochtertje is, of ze nog leeft, ik verzeker je: deze onzekerheid maakt mij gek, maar niettegenstaande dit probeer ik mij sterk te houden!" "Ja, zoals je zegt, dit is zéér erg, maar...!" "Aan de dood van je dochtertje Ilse is helaas niets meer te doen, maar troost je, je hebt je andere dochtertje nog en misschien je man!" "Ja dat is waar, maar...!" "Hou de moed erin, voor de nog levenden moet je leven en je inzetten, zij hebben je nodig!" "Ik wil Marijke nu direct gaan halen, dan kunnen wij elkaar troosten!" "Oh Annie, wist ik maar of Kelly nog leefde, ik zou ze willen zoeken, maar ik weet dat dit onbegonnen werk is, het is als een naald in een hooiberg!" "Kom!", zei Annie, “wij gaan wat wandelen, dat verzet onze zinnen!" "Om naar het puin van die rotoorlog te gaan kijken?" "Wat wij gaan doen is mij eender, maar wij moeten ons over deze trieste dingen heen zetten!" "Mijn kleine Ilse is vergast!", riep Annie alsmaar. "Kom Annie, kop op en wees sterk!" Anja schoof haar stoel wat dichterbij en zei, medelijdend Annie in haar armen nemend: "Wij hebben in het kamp Auschwitz zoveel moeten doorstaan en steeds kwam je er overheen, probeer dat nu ook!" "Je kind verliezen is niet hetzelfde!" "En ik dan, ik leef in de grootste onzekerheid, dàt Annie is nog véél erger, waar is mijn kind, leeft ze nog, heeft die bewaakster haar niet toch op de lijkenhoop gegooid? dit vraag ik mij iedere dag af!" "Ja Anja, ik zal trachten moedig te blijven, ik zal mijn best doen!" Na dit gesprek begonnen beiden het huis te reinigen, want ze wilden beiden niet aan het concentratiekamp herinnerd worden.

Vier weken later... Die dag Annie was het middagmaal aan het klaarmaken. Zoals steeds haalde Anja de post uit de brievenbus. Nieuwsgierig keek ze het stapeltje na, er was een elektriciteits-en een gasrekening bij en een krant. Plots liet ze het hoopje vallen. Nieuwsgierig raapte Anja het stapeltje weer op en bekeek de beide omslagen en zei verwonderd tot zichzelf: " Maar dat zijn twee brieven van het Rode Kruis, wat zouden die te schrijven hebben?" Toen ze wat bekomen was van haar verbazing riep ze: "Annie, ik heb twee brieven voor jou van het Rode Kruis!" "Van het Rode Kruis?" “Ja hier zijn ze, alstublieft!" "Misschien laten ze mij weten dat mijn man omgebracht is!" "Zo'n vaart zal het wel niet lopen zeker?" "Wat zouden die anders te schrijven hebben?" "Begin maar te lezen, dan weet je het!" Ze opende één van de twee brieven en las:

15-4-1945 Betreft vraag naar het adres van Anja Van Royen Mevrouw

Met dit schrijven zouden wij u willen vragen waar Anja Van Royen momenteel woont. Uit goede bron vernamen wij dat u met deze vrouw zéér goed bevriend was tijdens jullie gevangenschap in het concentratiekamp Auschwitz. Hieruit leiden wij af dat u wellicht het adres zult kennen van uw medegevangene. Wij zoeken reeds geruime tijd naar de moeder van haar dochtertje Kelly Van Royen. Indien u op de hoogte bent van de verblijfplaats van Anja Van Royen gelieve dan zo goed te willen zijn om ons onverwijld te verwittigen. Hopende van u vlug een antwoordje te zullen ontvangen sluiten wij deze brief. Hoogachtend:

Rode Kruis Antwerpen België

“Het Rode Kruis vraagt naar jouw verblijfplaats!" “Is er nieuws van mijn dochtertje?" "Ik denk het wel!" "Hoezo, ik denk het wel, hoe bedoel je?" " Vermits dat ze mijn adres vragen denk ik dat Kelly nog leeft!" "Wil je de brief eens lezen?" "Ja natuurlijk!" “Hier, lees hem maar, intussen zal ik de tweede brief lezen!"

Annie ging naar de woonkamer, nam plaats in een comfortabele zetel en begon... Hoe verder ze las, hoe meer ze opfleurde. Plots riep ze: "Anja ik heb goed nieuws, het Rode Kruis schrijft dat Ilse nog leeft en dat ze bij pleegouders is!" “Wat, leeft Ilse nog? hoe leg je dàt uit, ze was toch vergast?" "Volgens deze brief niet, Goddank, ze is nog in leven!" "Maar Annie, dat is geweldig!" "Ik ga direct een brief voor jou schrijven dat je bij mij woont, omdat jouw woning platgebrand is, ik ga ook naar Marijke schrijven om haar het goede nieuws te vertellen!" Ze zette zich gemakkelijk en begon te schrijven...

Betreft Antwoord in verband met het adres van Anja Van Royen

Geachte heer of dame

Heden morgen ontving ik een brief van het Rode Kruis waarin u mij de verblijfplaats vraagt van Anja Van Royen. Ik moet u meedelen dat haar woning is plat gebombardeerd. Om deze reden heb ik haar bij mij in huis genomen. U kunt haar bereiken hier op dit adres. Hopende u met deze gegevens van dienst te zijn geweest, sluit ik deze brief. Hoogachtend:

Mevr. Annie Verschuren

Annie las de brief nog eens aandachtig door en stak hem in de omslag. Daarna schreef ze naar Marijke:

Allerliefste Marijke

Je zult versteld staan van wat ik in deze brief ga schrijven! In je laatste brief schreef je mij dat Ilse vergast was. Maar meisje, het goede nieuws is dat Ilse -je zusje -nog leeft, is dat geen fantastisch nieuws? Een bewaker uit Beieren die instond die dag voor de vergassing kon het niet over zijn hart krijgen om de kindermoord te plegen. Hij heeft direct na zijn daad, dus na het gooien van het gas, onmiddellijk de kinderen gered! Toen ik deze brief van het Rode Kruis ontving kon ik wel zingen van geluk. Als het binnenkort wat veiliger op straat is kom ik je halen, zodra ik de toelating heb van de bevoegde instanties. Ik hoop dat ook met papa het goed gaat, zodat wij allen weer gelukkig worden. Nu ga ik sluiten, tot binnenkort hé? Daaaag

Je altijd liefhebbende moeder

Marijke"s pleegmoeder kwam die dag terug van boodschappen doen. Ze had wat groenten en vlees gekocht voor het middagmaal. Terwijl ze de voordeur opende dacht ze: "Zou er iets in de brievenbus liggen?" Ze zette haar boodschappen op de grond en keek in de brievenbus. Inderdaad, er lag een brief in van Marijke's moeder. “Marijke!", riep ze vanuit de gang, "er is nieuws van je moeder!" "Oh ja!”, riep ze, " ik kom naar beneden!" Sedert Ilse’s dood was ze niet meer dezelfde, ze weende ganse dagen en had omzeggens voor niets interesse. Met de brief in haar hand liep ze naar Marijke. “Hier, ik heb iets van je moeder!" Zonder interesse nam ze de brief van haar moeder aan zonder haar pleegmoeder aan te kijken, ze zei: “Oh ja, dat is goed nieuws van mijn mama!" Ze legde hem onachtzaam op de kast terwijl ze dacht: "Ik wil nu van niemand iets horen, ik ben niet in de stemming om slecht nieuws in brieven te lezen...!" Uren later.. Marijke's pleegmoeder kwam naar boven en zei: "Het ete...!" Verwonderd keek ze naar de kast waar nog steeds de ongeopende brief lag... Niet begrijpend vroeg ze, naar de kast kijkend: "Wel kind, je hebt hem nog niet gelezen?" "Och!" "Wat och, wil je niets meer van je ouders weten? Ben je zo onverschillig geworden?" "Neen maar...!" "Wat is er meisje, je ziet er zo droevig uit?" "Ik mis mijn zusje!" " En wil je daarom niets van je moeder weten?" "Misschien staat er slecht nieuws in, ik durf hem niet open maken!" "Hé Marijke, gaan we pessimistisch worden, alé vooruit, maak hem open, je moet toch weten of thuis alles goed gaat nietwaar?" Terwijl ze sprak had Marijke's pleegmoeder de brief reeds van de kast genomen en hem aan haar gegeven.

Met tegenzin begon ze. Plots stokte ze en keek met grote ogen naar de brief, daarna naar haar pleegmoeder en vervolgens terug naar haar moeder’s brief en stotterde:"Mijn zu...!" "Wat is er met je zusje, zeg het mij!" “Ze, ze, ze leeft!" "Wat? Leeft je zusje nog? ze is toch vergast?" "Ik weet dat ze die bewuste dag links gezet werd, omdat ze te klein was en degenen die links stonden werden vergast, daarom dacht ik dat ze écht dood was!" " Wat heeft je moeder dan écht geschreven? misschien heb je de brief niet met genoeg aandacht gelezen?" "Nu hoop ik maar dat papa deze rotoorlog ook overleefd heeft. Dat zou goed zijn, wij allen samen en niet meer aan de oorlog denken, wat zou ik gelukkig zijn!"

Marijke keek dromend voor zich uit en zei: "Wij waren voor de oorlog zo gelukkig en plots werden wij uiteengerukt toen hij opgepakt werd!" "Denk niet meer aan die droeve tijden, wat telt is het heden!" "Ja, terug gelukkig worden, ik hoop dat mama mij hier vlug komt halen!" "Ben je hier dan niet tevreden?" "Ik ben graag bij jou, maar "Oost West -Thuis Best" nietwaar?" "Als je weer thuis bent zal ik je missen!" "Wel moederke!" -zo noemde ze haar steeds, “wij komen je bezoeken, is dat goed?" "Ja natuurlijk is dat goed en nu ga ik eten, kom jij ook?" "Ja, ja, ik heb een reuzenhonger!"

Bij het middagmaal zaten beiden nog lang na te praten over het goede nieuws. Marijke was weer het oude levenslustige kind. Haar pleegmoeder leerde haar iedere dag de taal beheersen, waardoor ze reeds een aardig woordje Pools sprak. Na de middag besloten haar pleegmoeder en Marijke om wat te gaan wandelen. Bij hun thuiskomst werd er wéér druk nagepraat, de avond verliep in een gezellige sfeer.

Hoofdstuk 16: Naar Dachau

Sinds Rudy de fatale brief van zijn vrouw had ontvangen was hij steeds verstrooid. 's Nachts had hij nachtmerries en kon hij de slaap niet vatten. Die dag, Rudy moest aan de overzijde enkele stenen halen. Hij passeerde de kapo die aan de bewaker vroeg: "Wanneer worden de gevangenen overgeplaatst?" "Wat, worden wij overgeplaatst?" Hij luisterde aandachtig terwijl hij de steen zéér traag opraapte. Rudy hoorde hem antwoorden: "Morgenvroeg heeft Commandant Ritz gezegd!" "Ha, ha, morgenvroeg!" Rudy keek schichtig rond en liep vlug naar Alex en zei fluisterend: "Werk voort, ik heb interessant nieuws!” “Ja, welk nieuws?" "Ik heb zojuist vernomen dat wij overgeplaatst worden!" "Wat!", zei Alex op gedempte toon, Rudy verwonderd aankijkend, "worden wij overgeplaatst?" "Ja, toen ik die steen ging halen, hoorde ik de bewaker dat zeggen!" “Weet je ook naar welk kamp wij zullen gaan?" "Neen, dàt weet ik nie...!" "Hey, wat staan jullie daar te kletsen, zeg mij wat jullie te vertellen hadden!" "Wij? wij zeiden niets mijnheer!", zei Alex. "Lieg niet, ik zag jullie pratenn ik ben niet blind hoor!" "Echt ,wij zeiden nie...!" "Ha, ha, jullie willen niets zeggen, ik zal u leren wat gehoorzaamheid is, de Bunker zal jullie wel tot inkeer brengen!" Rudy en Alex keken elkaar ontzet aan. De SS-er riep nijdig: "Vooruit, loop voort, schnell, schnell!" Onder een regen van stampen en slaan dreef hij hen naar de strafplaats. De cel was niet groter dan zes vierkante meter. In de cel was geen verlichting. Het enige licht dat er binnendrong was als de deur openging om het eten van de gevangenen te brengen. Er stond geen bed of een stromatras, zelfs geen nachtemmer... De ruwe stenen waren bedekt met ongedierte...

Plots hoorden Alex en Rudy door de luidspreker roepen: "Nach die apfelplatze, schnell, schnell!" Toen iedereen op zijn plaats was, klonk het: "Antreten!" Toen begon de telling... "Verdampt!" Riep één van de bewakers: "het getal klopt niet!" Wéér begon de telling: "Twee tekort!” klonk het steeds... Eén van de bewakers liep naar Alfonso en vroeg woedend: "Waar zijn uw kamergenoten, zijn ze ontsnapt?" Geheel uit zijn lood geslagen antwoordde hij: "No comprendo senor!" " Wat zeg je?", vroeg de bewaker nijdig, "wat heeft dat te betekenen?" Mark die naast hem stond kwam tussenbeide en zei: "Hij zegt dat hij u niet begrijpt!" "Ach zo, hij begrijpt mij niet, weet jij misschien waar die twee vermisten uithangen?" "Ja, u weet dat u deze twee in de...!" “Nu nog mooier, ik moet weten waar die twee zich verstoppen, hoe kan ik dat nu weten!" "Eén van de bewakers heeft hen opgesloten!" "Opgesloten, waar?" "In de Bunker!" "In de Bunker?" De bewaker liep vlug naar één van de kapo's en zei: "Haal die twee vermisten uit de Bunker!" Op het moment dat de kapo met Rudy en Alex aankwam, arriveerde Commandant Ritz. Toen hij de kapo zag vroeg hij: “Wel, waar kom jij vandaan met die twee?" "De bewaker heeft mij bevolen om deze twee te halen!" "Welke bewaker?" " Die daar!", naar een lange magere man wijzend. Commandant Ritz liep woedend naar de bewaker en tierde:"Ik heb tegen alle bewakers gezegd dat het verboden was de gevangenen om welke reden ook op te sluiten, omdat ze getransporteerd worden, kunt gij niet luisteren?" "Herr Commandant, ik heb die twee niet opgesloten!" "Hoezo, jij hebt ze niet opgesloten, hoe kon je dan weten waar ze waren?" "Omdat één van de gevangenen het mij gezegd heeft!" Commandant Ritz trad naar voor en vroeg:"Wie van jullie heeft zonder mijn toestemming die twee opgesloten?" "Ich Herr Commandant, ze stonden te praten!" "Heb ik naar jouw mening gevraagd, waarom liet je ze niet op appél komen, je wist dat iedereen hier moest aanwezig zijn!" "Herr Commandant, ik was het vergeten!" "Vergeten, vergeten, jij bent een SS-er en dat wil zeggen dat jij verantwoordelijk bent voor alles wat hier gebeurt, begrepen?" "Jawul, Herr Commandant!" “Voor één keer zal ik het zo laten, maar de volgende keer krijg je een nekschot, begrepen?" "Ik zal er op letten, tanke, tanke Herr Commandant!" "'t Is al goed, drijf de gevangenen bijeen en vertrek als de bliksem!" "Jawul, Herr Commandant!"

Na eerst op zijn schril fluitje gefloten te hebben riep hij: "Iedereen in rijen van twee, schnell, schnell!" Ongeveer vijftig meter verder stond een andere bewaker die de gevangenen twee aan twee ketende. Toen vertrok de Colonne... Bij hun vertrek kreeg iedereen twee sneden brood, hiermee moesten ze rondkomen gedurende de ganse reis... Ze moesten een eindje te voet tot aan het station lopen... Daar stond een goederentrein hen reeds op te wachten. Per wagon bedroeg het aantal zo'n honderdtwintig gevangenen, waardoor ze als beesten opeengepakt zaten... Rudy die aaneengeketend was met Christian zag tot zijn ontzetting dat er geen nachtemmer stond ... Het was er bovendien erg warm, ze kregen het hierdoor zéér benauwd, ook was er niet erg veel verluchting.

Deze toestand werd hoe langer ze reden steeds ondraaglijker. De Condens verdampte en viel op hen neer. Het zweet droop van Rudy's lichaam. Terwijl hij met zijn mouw z'n gelaat veegde, zei hij: "Pff, wat heb ik het warm, ik zou er alles voor geven als ik wat water zou kunnen drinken!" De dorst martelde zijn lichaam... Hij begon het vocht van zijn lichaam te likken, maar de zoute smaak maakte hem nog dorstiger... August die in het uiterste hoekje zat riep plots: "Au!" Verbaasd keek hij naar zijn bebloede vinger. "Waaraan heb ik mij gesneden?" Hij begon naar het voorwerp te zoeken dat hem verwond had. Plots riep hij: "Hey mannen, ik heb een vlijmscherp mes gevonden, hiermee ga ik in de vloer van deze wagon een gat maken en van zodra de trein stopt ontsnappen wij!" "Dàt is een geweldig idee!", riepen de andere gevangenen. Voorzichtig begon hij te snijden, de spanning steeg met de minuut... Na ongeveer 2 uur was de opening reeds vijftien centimeter... "Verdomme!", riep hij plots, "mijn mes is afgebroken!" "Oh wat een pech!", riepen de anderen ontzet. "Och, er was toch geen mogelijkheid om te vluchten!", zei Alex. "Oh neen?", vroeg Rudy nieuwsgierig, “en waarom niet?" “De SS-ers zitten op het dak!" "Och ja, dààr had ik niet aan gedacht, maar dan hebben wij toch een luchtgaatje!" Rudy en Christian wrongen zich tussen de vele gevangenen om het eerst bij het opening te komen... Bij het luchtgat gekomen, zei Rudy tot Christian: "Ik zal op mijn knieën gaan zitten en jij doet hetzelfde, zoniet hebben wij teveel last van die vervloekte kettingen, begrepen?"

Rudy boog zich diep over de opening en ademde met volle teugen de frisse lucht in. Na enkele tijd zei Christian ongeduldig: "Hey Rudy, ga eens van dat gat weg, ik wil ook wat verfrissing, hoor!" "Oh” riep Alfonso plots, “mijn buik, ik zou moeten”, en zette zich in het uiterste hoekje van de wagon. Rudy riep boos:"Alfonso, doe het nu niet op de grond, doe het in dit pas gemaakt gat!" "Oh sorry, dààr had ik niet aan gedacht!" Hij spoedde er zich vlug heen. Om zijn doel te bereiken moest hij en Mark over de vele gevangenen stappen, hij was verplicht over het gat neer te zitten, omdat de trein heen en weer slingerde.

De rit duurde nog een dag en een nacht door Duitsland, omdat de rails gebombardeerd waren... Eindelijk arriveerden ze in het kamp van Dachau. Het werd aangelegd in het zogenaamde Dachauermoos, een moerassig gebied van landschap en bos. Tijdens de eerste wereldoorlog was daar een kruitfabriek waar ook gifgas vervaardigd is geweest. In 1919 werd de exploitatie gesloten. Er zou geen belangstelling geweest zijn voor de gebouwen. Ze raakten steeds méér in verval. De bewoners gebruikten de materialen uit de fabriek voor de bouw van nieuwe woningen. In 1933 werden ze in beslag genomen door de nationaal nationalisten om daar het eerste concentratiekamp op te richten. De eerste gevangenen waren Kommunisten uit Beieren, ze moesten de noodbarakken bouwen. Het kamp Dachau werd berekend op vijfduizend gevangenen. In 1937 werd het kamp Dachau uitgebreid. In 1938 telde Dachau er reeds tienduizend en bij de bevrijding door de Amerikanen ruim 32.000. De hoofdingang liep via het zogenaamde Jourhaus, waar de bewaking zetelde. Er waren ruimten voor de kampadministratie en de bewakingstroepen. Oostelijk van het Jourhaus was de grote appélplaats, aan de Westelijke zijde, begrensd door het langgerekte Wirtschaffengebraude. In het Noorden aan het einde van de Appélplaats begonnen de barakken. Aan beide zijden van de ongeveer 300 meter lange Kampstraat begroeid met populieren stonden er 17 elk van 90 meter lang, de strafbarakken, omgeven door prikkeldraad waarin de gevangenen werden ondergebracht die voor de tweede maal werden binnengebracht, dan wel tot de verscherpte straf werden veroordeeld. In het kamp behoren verder: de beruchte strafbunker en het crematorium. Niemand van de gevangenen wisten wat dààr met de veroordeelden gebeurd is. Er was ook een staancel, die zo nauw was dat de veroordeelde er niet in kon rechtstaan. Verder was er ook een strafbunker, een cel, waarvan het plafond niet hoger was dan een halve meter. De gevangenen en de kinderen konden en niet in recht zitten. Boven de ingangspoort stond het bordje: "ARBEID MACHT FREI" Vanuit deze ingang kwam men op de reusachtige appélplaats, waar zonder problemen 40 tot 50.000 gevangenen konden verzamelen, het kamp had ook zes primitieve wasgelegenheden met zes toiletten naast elkaar. Er was geen enkele wijze van privatie. Het eigenlijke kamp was omgeven door een gracht met water.

De trein stond net stil toen reeds de deuren openvlogen, de bewakers brulden: "Raus schweinhunden!" Vijf SS-ers klommen erin en sleurden de geketenden op een sadistische manier eruit. "Los, los, antreten!", klonk het bars. De gevangenen moesten de vijf kilometer te voet naar het Kamp Dachau afleggen, dat over een smalle weg liep, nog steeds geketend in rijen van vier. Aangekomen werden ze door de SS-ers opgewacht met hun honden (Duitse schepers). Rudy en Christian waren moe en liepen wat trager dan de anderen... "Hey!", riep een bewaker, “loop wat vlugger, luiaards!" Bij deze woorden stormde hij naar Rudy en Christian, sloeg en stampte hen waar hij ze raken kon. De honden waren hierop getraind, gromden gevaarlijk. De gevangenen werden in groepjes van tien binnengedreven. Hier werden ze van hun kettingen verlost. "Kleed jullie uit en leg alles hier tegenover bij die bewaker daar en kom daarna bij mij aan deze tafel!", zei de bewaker bars. "Helemaal naakt?" "Ja natuurlijk helemaal naakt.” "Ja maar...!", zei Christian verlegen, dan zien ze...!" "Komt er nog wat van?" "Ja, ja, direct!” Hij begon zich aarzelend te ontkleden. "Kan het niet wat vlugger? en doe zo kinderachtig niet!" Nadat iedereen klaar was vroeg de bewaker aan Rudy: "Naam!" “Verschuren!" "Voornaam" "Rudy" "Nationaliteit" "Belg" "Geboorteplaats" "Brugge" "Datum" "19 juni 1917!" "In welke stad of dorp woon je?" "Antwerpen" "Godsdienst" "Katholiek" "Beroep" "Kok" "Heb jij een vrouw?" "Jawohl, ich habe eine Frau und zwei Kinder!" "Shweinhund, ich habe nicht nach deine Kinder informiert?" "Ga op dat krukje zitten, daar in het midden van de kamer!" Niets vermoedend nam Rudy plaats... Verschrikt sprong hij recht en riep: "Au, wat is dat, dat doet pijn!" In het stoeltje was een gaatje ingebracht, als de gevangene plaats nam drukte de bewaker op een knopje dat zich onder de tafel bevond, uit de opening sprong een vlijmscherpe naald, die diep in het achterste van de gezetene drong... Bij het zien van Rudy's reactie proesten de SS-ers het uit en riepen: "Kijk die dreckhund, wat doet die raar, ha, ha, ha!" Plots zei één van hen nijdig: "Ga onmiddellijk zitten!" "Ja maar er zit...!" "Ik heb gezegd, zitten!" "Jamaar, die naald...!" "Zitten!" Met tegenzin nam hij terug plaats, de naald boorde zich diep in zijn vel... De pijn die Rudy moest doorstaan was ondraaglijk. Hij probeerde zich zo min mogelijk te bewegen, om deze marteling minder te voelen. Hij moest blijven zitten tot er een aantal foto’s genomen waren. Bij iedere beweging was de foltering onbeschrijflijk. Elk moment dreigde het net of zijn aars zou scheuren... Toen de SS-ers hem het bevel gaven om recht te staan schreeuwde hij het uit, omdat hij door een verkeerde beweging terug op het krukje viel... "Au, die vervloekte naald doet vreselijk pijn!" De andere gevangenen hoorden zijn uitroepen. Doordat ze alleen de kamer moesten binnengaan om zogezegd gefotografeerd te worden, wisten ze niet wat hen te wachten stond. Nadien toen iedereen met de fotosessie klaar was moesten ze naar een ander gebouw, waar ze zich voor de tweede maal moesten ontkleden. "In het stortbad!", klonk het bars. Het warme water stroomde rijkelijk over hun vermoeide lichamen. De SS-ers draaiden de kraan verder open, het bijna kokende water liep in stromen over Alex lichaam... "Au, dat is te heet, maak het alstublieft een beetje kouder!" "Oh, moeten wij het kouder maken, maar jongen dat is geen probleem!”, riep de bewaker lachend, en hij draaide de ijskoude kraan open... "Au dat is koud!" Alex sprong er voor de tweede maal uit. "Hey jij!", riep de SS-er, "heb ik gezegd dat je uit het stortbad mocht? maak dat je er als de bliksem weer instaat of...!" "Jamaar, het water is ijskoud!" "In de douche zeg ik!" "Wil je niet luisteren, ik zal het je leren!" Alex vond het geraadzamer te gehoorzamen. Iedere gevangene moest circa 10 minuten in de douche blijven. Nadien mochten ze de wasplaats verlaten, ze waren door en door koud. Tot overmaat van ramp zetten de SS-ers de vensters wagenwijd open, buiten was het min 15 graden... "Zo, nu kunnen jullie uitwaaien!", zei één van de bewakers grijnslachend.”

De volgende morgen was het zoals steeds appél, de gevangenen moesten geselecteerd worden... De bewaker vroeg aan Alex: " "Beroep!" "Slager!" "Pare blokken, rechts!" De bewaker ging naar een andere gevangene, bekeek hem aandachtig en zei: "NN" blokken!" De onpare barakken werden wel eens Typhus, quarantaine of gesloten barakken genoemd. Zo ging het die morgen steeds maar verder: "Pare blokken rechts, onpare links!" De SS-ers zochten natuurlijk naar de meest bruikbare krachten. De gesloten barakken waren volledig afgesloten met zakkengoed. Hier lieten de bewakers zich maandenlang niet zien, om reden van de Typhusepidemie. Door ontbering kwamen tienduizenden gevangenen om. Ze sliepen met twee in een eenpersoonsbed. Er was geen zeep of handdoeken. Zowel in de pare als in de onpare blokken heerste er een enorme luizenplaag. Bij een controle moesten ze aanschuiven... Na een zéér lange tijd was het eindelijk Rudy's beurt. “Kleed je uit!", zei de bewaker bars, “en geef alles aan mij, ik verwittig je, indien ik één luis vind moet je op het blok en dan krijg je zoveel slaag volgens het aantal van die lieve beestjes dat ik op jouw kleding vind!" Het blok was een bak waarop de gevangene met naakt onderlijf op hun buik moesten gaan liggen om de stokslagen te incasseren. Iedere gevangene werd gecontroleerd op het aantal luizen dat ze vonden en dit werd zorgvuldig opgeschreven. "Ik vond op jouw kleren!", zei de bewaker, "zes luizen, dus krijg je evenveel stokslagen!" Rudy keek de bewaker ontzet aan en stamelde: "Iedereen heeft luizen, ik kan het toch ook niet helpen!" "In de rij!", zei de bewaker bars, “en aanschuiven!" Eindelijk was deze marteling voorbij en konden ze gaan slapen. Rudy’s lichaam deed overal pijn. Eindelijk viel hij na enkele uren in een rusteloze slaap...

Hoofdstuk 17: De Moorexpress...

De volgende morgen, de deur vloog met een ruk open, de bewaker liep speurend rond terwijl hij met zijn matrak op de bedden sloeg en riep: "Raus schnell, schnell aufstehen!" Rudy's lichaam deed nog pijn, hij kreeg niet eens de tijd om na te denken, alles moest zéér vlug gaan. Zo goed ze konden spoedde iedereen zich naast hun slaapplaats. De bewaker begon te tellen... "Eén tekort, ik zal het niet goed gedaan hebben!", dacht hij bij zichzelf, “ik begin opnieuw”. En weer begon hij, "één tekort!" Woedend vroeg hij aan één van de gevangenen: "Er mankeert een gevangene, waar is die, is die gevlucht?" Mark deed één stap naar voor en wees naar Rudy's bed en zei: "Daar, hij ligt nog te slapen!" "Wat?", riep de bewaker woedend, “heeft hij het lef om in zijn bed te blijven liggen? ik zal hem leren!" En ging woedend naar zijn bed en riep: "Raus du schweinhund, aufstehen!" Rudy keek verdwaasd rond, wreef in zijn ogen en vroeg nog half slapend: "Wat gebeurt er hier?" "Wat er gebeurt, wel dat zal ik je eens gauw vertellen!", zei de bewaker woedend in het Duits, “Aufstehen, raus, du dreckhund!" Hij sloeg en stampte Rudy ongenadig op zijn rug, zijn maag, en zijn gelaat tot hij zoals de anderen naast zijn bed stond. "Jij!", tierde de bewaker, “jij gaat een uur buiten met ontbloot lichaam, begrepen?" Het was min 18 graden...

Toen hij en Rudy buitenkwamen zei hij grijnzend: "Hier zul je wel wakker worden!" Toen hij vertrok keek Rudy hem met vlammende ogen na, nijdig dacht hij: "Als ik de kans kreeg dan vermoordde ik die rotzak!" Toen de bewaker terug bij de Barak kwam riep hij: "Iedereen naar de stortbaden, schnell, schnell!" Nadat allen gedoucht hadden moesten ze terug naar hun Barak in afwachting van het eten. Plots vloog de deur open... Een forsgebouwde bewaker kwam de bedden inspecteren... Bij het zien van de rondzittende pratende gevangenen riep hij woedend: "Wel, wel, wat zijn jullie hier aan het bekokstoven, zijn jullie aan het vergaderen?" Hij liep speurend langs de bedden en brulde: "Maak jullie bedden op en vlug wat!" Christian die als eerste klaar was, stond reeds naast zijn bed toen de bewaker kwam controleren. Zorgvuldig keek hij na of alles in orde was en zei na een tijdje: "Opnieuw beginnen, de deken ligt scheef!" Christian legde ze recht en zei in geef acht houding: "Ik ben klaar!" " Neen je bent niet klaar, ze moet eraf!" "Ik heb toch de dek...!" "Eraf, heb ik gezegd!" "Ja maar...!" "Komt er nog wat van?"

De pesterijen duurden de hele morgen, opmaken, aftrekken enz... Rudy stond reeds drie kwartier buiten, hij was reeds blauw, zijn handen en voeten waren bevroren. Na een uur en tien minuten was de straftijd voorbij en mocht hij naar binnen. Kort nadien kwam Commandant Weiter. Aandachtig keek hij naar Rudy, Alex, Christian en Alfonso en zei: "Jij, jij, jij, jij, jij gaan morgenvroeg met de Moorexpress werken!" "Rudy, die naast Alex stond, vroeg: "Wat is dat, de Moorexpress?" "Ik weet het ook niet, ik vraag mij wel af wat dit betekent!" “Wij zullen wel zien wat dat is, maar iets goed zal het wel niet zijn!" "Dàt zijn wij al gewoon!", mengde Alfonso zich in het gesprek.

De volgende morgen om vier uur, de gevangenen werden zoals steeds gewekt met de nodige mishandelingen, werden Christian en Alex als eersten aan de kar gespannen, vooraan trokken Rudy en Alfonso het gevaarte. De Moorexpress was een enorme logge wagen met vier wielen en het zorgde voor alle transport, zoals de soep, de lijken, het brood enz... De mannen trokken het logge gevaarte met riemen over hun schouders, na enige tijd was hun vel opengereten. De ijzeren tonnen wogen enorm zwaar, die met de binnenbodem bedekt was met lood. De 2 vaten gevuld met vijfenzeventig liter thee die door de Moorexpress moest vervoerd worden waren bijzonder zwaar. De gevangenen verbonden met de Moorexpress waren verplicht in galop te lopen, wat natuurlijk niet van een leien dakje ging. “Laufen, schnell, schnell!", klonk het alsmaar. Het gevaarte kwam moeizaam in beweging... Om de zeven meter stond een bewaker die de gevangenen stampte en sloeg om het tempo hoog te houden. De thee mocht onder geen beding gemorst worden...

Eindelijk was het tijd om te rusten. In rijen van twee schoven ze aan om hun dagelijks rantsoen van brood en hun watersoep in ontvangst te nemen. Frans at zéér voorzichtig zijn hete soep... De bewaker tierde: " Je moet je soep eten zo heet als wij ze opgediend hebben, begrepen?" "Ja maar, ze is zo warm, dat kan ik niet!" " Oh neen, dàt zullen wij eens zien!" De bewaker nam ze van hem af en gooide de hete brij in zijn gelaat. Verschrikt sprong Frans recht en riep buiten zichzelf: "Ben je gek geworden?" en vloog als razend op de bewaker en gaf hem een linkse en een rechtse vuistslag. De bewaker was hierop niet voorbereid en viel met een plof op de grond. Nogmaals sprong hij op de gehate man en greep hem bij zijn keel.... De gevangenen riepen luid: "Ja, ja, vermoord die vuile SS-er!" De andere bewakers die het incident niet hadden gezien omdat ze stonden te praten, hoorden lawaai. Ze keerden zich om, om te kijken wat er gaande was. "Hé, die schweinhund is onze vriend aan het vermoorden!" Vlug liepen ze naar de plaats van het onheil. Bij hun aankomst zagen ze dat één van de gevangenen één van de bewakers aan het wurgen was. Vlug trok één van de bewakers Frans van het slachtoffer weg. Twee van hen hielden de tegenstribbelende gevangene vast, een andere bewaker gaf hem een fikse stomp in zijn maag waardoor hij ineenkromp van pijn en zijn hoofd naar beneden liet hangen.

De bewaker trok met zijn hoofdharen zijn hoofd omhoog en zei knarsetandend: "Wij zullen jouw weerstand breken, jij gaat boomhangen en nooit zul jij nog een bewaker wurgen, begrepen?" Waarna hij zich tot de andere twee wendde en riep: "Breng hem naar het Baderaum!" De installatie in deze ruimte zag er als volgt uit: tussen een rij palen die de ruime badzaal ondersteunden waren balken aangebracht, hierin waren zware ijzeren haken gemetseld langs de onderkant. Frans moest zich opstellen voor zijn haak, zodat hij kon zien wat er met hem ging gebeuren... De SS-ers en de bademeisters (badmeesters) bonden zijn op de rug gekruiste handen voorzien van oude sokken en de met hondenkettingen gebonden polsen. Via een trapje van twee treden met een klein platform moest hij het toestel bestijgen.

De bewakers hingen hem met zijn achterwaarts samen geketende polsen aan de haak... Daarna werd het toestel weggeschoven. De afstand tussen de grond en zijn voeten bedroeg vijftien centimeter, omdat het achterste automatisch omhoog kwam. Naarmate zijn gewrichten werden uitgetrokken kwam hij meer en méér verticaal te hangen. Na een uur kon Frans, die één meter zeventig groot was, met zijn tenen de grond raken... De pijnen waren ondraaglijk. Hij riep alsmaar: "Genade, haal mij hier af, ik hou het niet meer uit!" Zijn armen draaiden zich om terwijl zijn schoudergewrichten uit elkaar werden gerukt. "Au, ik hou het niet meer uit, genade!" De gevangenen hoorden tot in hun barakken hun vriend kermen. Door de ondraaglijke martelingen viel hij bewusteloos. Om hem weer bij te brengen gooiden de SS-ers een emmer water die reeds naast het slachtoffer klaarstond. Na twintig minuten had hij over zijn ganse lichaam geen gevoel meer. Zijn lichaam was als een vreemd ding. Geamuseerd draaiden de SS-ers Frans om en om... Na een uur en vijfentwintig minuten werd hij losgemaakt, met een harde plof viel hij op de grond en schreeuwde het uit: "Au, dat doet pijn, martel mij niet meer, alstublieft!", smeekte hij. De beulen raapten hem onzacht op en sleurden hem naar zijn Barak. Met bruut geweld werd hij op zijn bed gegooid. Toen de gevangenen na hun dagtaak in de Barak kwamen, hoorden ze hem kermen.

Rudy en Christian liepen zo vlug ze konden naar hem en vroegen als uit één mond: "Maar Frans, wat hebben die smeerlappen met jou gedaan?" "Die rotzakken!", antwoordde hij met een pijnlijk gelaat, “hebben mij aan de haak gehangen!" Intussen was ook Alex erbij gekomen. Hij had juist het laatste van de zin gehoord. "Oh Frans, dat hebben die smeerlappen met mij ook gedaan in het concentratiekamp Breendonk!" "Ja,?", zei hij met een van pijn vertrokken gelaat. "Ik kan nu niet luisteren, ik moet dringend gaan wateren!" "Kom, we zullen je naar de nachtemmer brengen!" Met veel zwichten en zwoegen kwam Frans uit zijn bed, elke spier in zijn lichaam deed vreselijk pijn.

Zes weken later was het nog niet mogelijk alles zelfstandig te doen. Zijn vrienden hielpen hem bij het aan-en uitkleden en naar de wc te gaan. Zo gingen de dagen voor hem moeizaam voorbij. Hij herstelde zéér traag. 's Nachts kon hij de slaap niet vatten. Zo leefde hij dag in dag uit.

Hoofdstuk 18: Het dagelijks leven

Na de marteling van Frans kon Alex niet slapen, hij had last van nachtmerries. In zijn droom zag hij zich weer hangen toen hij in Breendonk was. Hij woelde heen en weer en riep alsmaar: "Hou op, ik hou het niet meer vol, au, dat doet pijn!" "Sst Alex, wees stil, als de SS-ers je horen zal het er stuiven!", fluisterde Rudy tot hem. Alex werd plots met een ruk wakker en zei:"Oh sorry, ik was aan het dromen. Ik zag mij weer in Breendonk hangen, de pijn die ik toen doorstond is onbeschrijflijk. 't Was net of ik het nogmaals meemaakte, ik kan er niets aan doen, maar ik moet steeds aan Frans denken!" "Sst, ik hoor iets, luister!" Alex spitste zijn oren en zei: "Ja, ik hoor ook iets!" Alex en Rudy legden zich vlug neer en deden net of ze sliepen. "Schnell, schnell, nach die Lagerstrasse!", riep de bewaker. Hij verzamelde iedere Belg en Fransman. "Wat heeft dat te betekenen?, vroeg Rudy aan de bewaker verbaasd. "Zwijg, gevangenen mogen niets vragen of weet je dat nog niet?" "Ja herr Blockaltester!" Toen hij op zijn plaats stond zei Alex: "Misschien worden wij overgeplaatst, het zal er hopelijk wat beter zijn!" "Ha, ha, ha, jij zegt ‘hopelijk beter gaan als wij in een ander kamp zullen zijn’, jij spreekt wartaal!" "Wartaal, wartaal, hoop doet leven!" "Ja, ja, dat wel, maar vergeet niet dat wij nog steeds in een concentratiekamp zitten!" Zonder dat de bewakers het hadden gezien waren beiden al pratend in de Lagerstrasse aangekomen.

Toen iedereen op zijn plaats stond zei de SS-er: "Aandacht, aandacht, jullie staan hier voor het Revier, schuif aan op één rij, jullie worden onderzocht!" Terwijl hij sprak keek hij speurend rond... Plots vielen zijn ogen op een kaalhoofdige man... "Wel, doe die knopen van je hemd dicht en sta in het gelid!" "De knopen zijn er af stubealtester!" "Heb ik jou iets gevraagd?", brulde de bewaker en sleurde hem zonder pardon naar het waschraum... Aangekomen zei de bewaker bars: "Ga daar tegen de muur staan, schnell, schnell!" Hij nam een waterslang en richtte ze op de graatmagere man. "Wat ga je doen!", riep de oude man ontzet, “neen, geen waterstraal, neen!" Maar de SS-er had reeds de kraan geopend... De hogedruk sproeide zich over de oude man. "Hou op, ik houd het niet meer uit, alstublieft!", riep hij alsmaar. Maar de SS-er had er geen oren naar en martelde verder. Intussen kwamen er nog twee van het blokpersoneel binnen. Ze keken geïnteresseerd en wachtten hoelang deze Krematoriumhund het nog zou volhouden...

De bewaker die nog steeds buiten bij de andere gevangenen stond sprak zéér kalm, stilaan werd zijn stem luider en luider tot hij begon te tieren: "Schnell, schnell, ga op één rij staan, dreckhunden!" Met de nodige stampen en slagen werden de gevangenen naar een lange gang gedreven. Hier waren verscheidene deuren... Eén ervan, rechts, stond open... Eén van de gevangenen, een jonge man met een mooie haardos en donkere ogen keek gretig naar de naakte vrouwen die in het medisch kabinet onderzocht werden. Toen hij zich omdraaide om aan zijn medegevangenen het onverwachte spektakel te vertellen, brulde een SS-er: "Wat valt daar binnen te zien?" " Nie...!" "Oh niets, hier!" Een vuistslag belandde in zijn gelaat zodat de jongeman op de grond viel. "Mijn neus, ik denk dat hij gebroken is!", kermde hij. "Sta op en jammer niet, je werkt op mijn zenuwen!" De SS-er keek met een streng gelaat naar de gevangenen, tenslotte liet hij ze één voor één binnen. De magere man in het waschraum viel na een half uur neer. In een laatste poging stak hij zijn armen omhoog en smeekte: "Hou alstublieft op, ik houd het niet meer vol!" De bewakers schaterden het uit en riepen: "Hou je het niet meer uit? wel ik zal de straal wat sterker maken, ha, ha, ha!" Half bewusteloos hoorde de arme man de SS-ers smalend lachen... Hij probeerde de ijskoude waterstraal te ontwijken, maar de hogedruk sneed hem zijn adem af. Zieltogend viel hij na een uur neer, met zijn ogen wijdopen.

De menselijke paarden van de Moorexpress werden erbij geroepen. Toen Rudy en drie gevangenen er waren zei de bewaker: "Bring die Jude nach die crematorium.” Rudy en Christian keken verontwaardigd van de dode naar de Blockaltester en vroegen nijdig: "Wat hebben jullie met deze arme man gedaan?" "Dat zijn uw zaken niet en ruim dat stuk vuil op, bah...!" "Als ik de kans kreeg om jouw keel dicht te knijpen, zou ik niet aarzelen, rotzak!", dacht Alex bij zichzelf, een laatste hatelijke blik naar de bewakers werpend, terwijl ze hun vriend voorzichtig oppakten en wegdroegen. In het medisch kabinet moesten de gevangenen onder toezicht van de SS gemeten en gewogen worden. Rudy dacht: “Wat heeft dit te betekenen? Zouden wij overgeplaatst worden?" Alex vroeg fluisterend: "Zeg Rudy, waarom moeten wij gewogen en gemeten worden?" “Dàt weet ik niet, maar ik weet wel dat dit niet pluis is!" "Neen, normaal is dit niet, wat zouden die smeerlappen nu weer van zin zijn?" Terwijl hij sprak keek hij aandachtig rond, er voor zorgend dat de bewakers hen niet zagen praten... Plots zag hij dat er een SS-er hun kant uitkeek en zei tot Alex zich diep naar beneden buigend: "Opgepast, er is een bewaker naar ons aan 't kijken!" "Ja, is hij dichtbij?" "Op zo’n dertig meter!" Na een hele tijd in de rij aangeschoven te hebben was het eindelijk Rudy's beurt. "Kom hier!", riep de bewaker. "Naam?" "Rudy!" "Heb ik naar jouw voornaam geïnformeerd?" "Neen, maar ik da...!" "Laat het denken maar aan mij over, vooruit: naam?" “Verschuren!" "voornaam?" "Die heb ik reeds gezegd!" "Als ik naar jouw naam vraag dan zeg je mij die, begrepen? en maak mij niet kwaad!" "Dat ben je al!" "Zwijg, je naam?" "Rudy!" "Beroep?" "Kok!" "Verdomme, kok, kok, ik zal de aardappelen in je smoel gooien, beroep?" "Kok!" "Kunt ge niets anders dan kok, is dat je beroep?" "Ja!" De bewaker voelde dat hij niets anders als beroep zou zeggen, daarom zei hij: "'t Is goed, ga bij de anderen staan!" Rudy kon de verleiding niet weerstaan om te vragen: "Waarom worden wij gemeten en gewogen?" "Dat gaat je niets aan en hou je mond!" Maar hij liet zich niet afschrikken en vroeg: "Waarom wil je ons beroep we...?" “Als je nu niet gaat zwijgen dan zet ik je in de staancel, begrepen?" "Ja mijnheer!" Veiligheidshalve verkoos hij niets meer te vragen. Na het onderzoek moesten ze op vijf passen van de bewaker marcheren en hun tong uitsteken. Nadien werden ze onder een regen van slagen en stampen naar het Blok gedreven.

Aangekomen gingen Rudy, Alex en Christian bijeen zitten. "Ik denk dat wij zullen overgeplaatst worden!" "Ja, dat denk ik ook!" "Of we krijgen misschien zwaarder werk!" "Wat, nog zwaarder werk, ben je gek geworden?" "Ik ben niet zot, maar die SS-ers wel!", zei Alex. Een schril fluitje maakte een einde aan het gesprek. In razende vaart kwam de bewaker binnen en tierde: "'t Is tijd, iedereen naar bed!" Zo vlug ze konden kropen de gevangenen erin. "Wie praat!", riep de bewaker, "wordt gemarteld, begrepen?" ‘s Anderendaags werden de Belgen en de Fransen bijeen geroepen. "Wat is er nu weer?", dacht Rudy, "dat ziet er naar uit dat wij zullen gedeporteerd worden!" Rudy volgde zeer traag de andere gevangenen, terwijl hij de bewakers observeerde. "Hey jij, loop eens wat vlugger; schnell, schnell!" Toen ze op de appélplaats stonden riep de bewaker: "Jullie Blok is voortaan negentien!" "Waarom?", vroeg een jonge man. "Hou je mond!" "Ik vroeg toch maa...!" "Gaat ge nu zwijgen?" De afgerichte Duitse herdershond liep naar hem en beet hem dood. De SS-ers hadden plezier in het onverwachte spektakel. Het dier beet hem waar hij hem raken kon. Rudy en Christian keken medelijdend toe, ze konden niets doen. "Kijk niet en loop door!", riep één van de bewakers. "Oh!", dacht Rudy met van haat vertrokken gelaat, als ik die rot-SS-ers kon laten verscheuren door die bloedhonden dan zou ik het niet laten!" Rudy wierp nog een laatste blik naar de stervende man en volgde daarna de anderen.

Enkele dagen nadien... De gevangenen waren in het washraum, het was die dag vreselijk koud. De Kapo vroeg: "Zijn hier kappers aanwezig?" "Ich bin eine gute friseur!", zei een Rus. De SS-er bekeek de man aandachtig en vroeg: "Ben je wel zeker dat ge kunt scheren?" “Jawohl herr kameraad!", antwoordde de Rus lachend. "Ich zehr gute friseur!" "Ja, ja, dat zal wel, ik hou je in de gaten, du dreckhund!" "Ich dich erst rasieren, kamerad?" "Nein, neme du eirst dise gevange!" "Jawhil. Herr kamerad!" Hij nam eerst een puimachtige zeep en wreef hem ermee in. De andere arrestanten stonden rond hem, ze vertrouwden hem niet... Na een tijdlang bezig te zijn geweest, borstelde hij de plaats. "Shnell, Schnell, arbeiten sie schnell!" De Rus keek uitdagend rond, nam het scheermes en streek met één ruk over het gelaat van zijn slachtoffer. Het bloed stroomde rijkelijk uit de diepe wonde. "Du verdampte Rus, du bisht geine friseur!", riep de bewaker woedend. Als razend vloog hij op de Rus en greep zijn keel vast. De Rus verdedigde zich uit alle macht en stampte hem zo hard hij kon tegen zijn geslachtsdelen. Kermend viel de bewaker neer, terwijl hij naar de pijnlijke plek greep en riep: "Au, dat doet pijn, wat doe je nu, je hebt mij gestampt!" "Oh ja?, antwoordde de Rus grijnslachend, hoe voelt het om pijn te hebben? "Bij deze woorden vloog de Rus op de bewaker en greep hem nogmaals bij zijn keel... De drie bewakers die buiten stonden te praten hoorden de heisa. “Sst, ik hoor iets”, zei één van hen, “luister!" De twee bewakers spitsten hun oren. Eén van hen zei na enkele seconden: "Ja, nu hoor ik het ook, het is net of er daarbinnen gevochten word, kom we gaan eens kijken!"

Toen ze binnen kwamen zagen ze de twee vechthanen. Zo vlug ze konden liepen ze er naar toe en trokken de woeste Rus weg. De Rus riep nijdig: "Als ik de kans krijg dan nijp ik uw stroot dicht!" "Zwijg, dreckjude, ik ga je ondervragen!" De bewaker bekeek hem nijdig en vroeg hem: "Waarom heb je gevochten?" "Ik weet het niet!" "Weet je het niet, wel dan zet ik je in de staancel!" "In de staancel!", zei de Rus ontdaan. "Ja, in de staancel!" "Oh neen, dàt niet!", en bij zichzelf dacht hij: "Dan zal ik het maar eerlijk bekennen!" De bewaker bekeek hem afwachtend en vroeg woedend: "Wel?" "Ja heu, ik heu, heb heu, mij aangemeld als kapper, ik wilde tegenover die andere gevangenen stoer doen!" "Dus, als ik je goed begrijp ben je geen kapper?" "Neen!" "Waarom zei ,je dat, terwijl je wist dat dat niet zo was?" "Ik heu...!" "Hier, dat frist je geheugen op!" Een ruige sterke hand belandde in zijn gelaat. De Rus werd nijdig en spiekte in het gezicht van de bewaker. De SS-er riep buiten zichzelf: "Oh jij, jij gaat sneeuw ruimen!" Het sneeuwde die dag onophoudelijk. "Sneeuw ruimen in dit weer?", vroeg de Rus verbaasd. "Ja, sneeuwruimen!" "Heb je een schup?" "Ha, ha, hoe grappig, die doerak vraagt iets om in de sneeuw te werken, niets krijg je en maak dat je buiten bent of...!" De Rus was verplicht op de bevroren grond voort te kruipen, met zijn handen gooide hij alles opzij... Maar dit was onbegonnen werk, de gevallen sneeuw bevroor onmiddellijk. Als hij aan het andere uiteinde van de Barak kwam, kroop hij terug en ruimde weer van voor af aan. Door het raam van Stube vier stond de Blockaltester hem lachend te bekijken.... Op zeker ogenblik keek de Rus omhoog en zag hem grijnslachen... Dit was voor de Rus zeer gevaarlijk. "Ik zal maar doorwerken, of hij komt mij met zijn matrak slaan!", zei hij bij zichzelf, "ik bedenk wel iets om hem te sussen!" Hij lachte vriendelijk naar hem. Hierop ging hij op zijn knieën zitten en liet zijn handen uitglijden zodat hij languit in de sneeuw lag. De Blockaltester schaterde het uit. Toen hij dit hoorde krabde hij vol haat zijn nagels in de bevroren grond. Hij had het zéér koud en sloeg zijn handen onder zijn armen terwijl hij af en toe in zijn handen blies. De SS-er zag het en riep nijdig: "Hey, werk verder of…!"

De Rus was reeds vier uur buiten toen plots de Blockaltester in het Duits zei: "Vooruit, naar binnen, je hebt hier gedaan!" Met een zucht van verlichting kroop hij verstijfd van kou recht. Korte tijd nadien, de Rus lag op zijn bed toen de bewaker riep: "Iedereen in rijen van tien, schnell, schnell!" "Oh neen!", dacht de Rus, “niet weer naar buiten”, maar niettemin moest hij zoals de anderen mee op appel. Rudy probeerde de vijfde of de zesde in de rij te gaan staan, om het stampen en slaan te vermijden, maar dit lukte hem niet... Alles moest in ijltempo gebeuren, hierdoor kregen de gevangenen de tijd niet om de rijen van tien te vormen... De SS-ers stonden te discussiëren, toen eindelijk het gesprek ten einde was begon het urenlange tellen... "Ein, zwo, drei, vier, funf,..” de Stubealtester bekeek de gevangenen aandachtig en ging verder... "acht, nein...!" "Deze rij is niet volledig, kun je niet zorgen dat er tien gevangenen staan?", bulderde de bewaker tegen Rudy. "Wij hadden de tijd nie..!" "Heb ik jou wat gevraagd, verdampte jude!" En hij sloeg hem waar hij hem raken kon. "Hou op, alstublieft!" Maar de bewaker deed verder. Eindelijk hield het slaan op en begon hij verder te tellen... "Vooruit!", tierde de bewaker, “jullie nagels laten zien!" De Stubealtester controleerde zorgvuldig iedere bewaker.

Toen hij bij Christian kwam, zei hij kortaf: "Jij hebt zéér vuile nagels, meekomen!" Verbaasd vroeg hij: "Waarom moet dat?" “Zwijg en hou je mond!" terwijl hij hem onzacht voor zich uit duwde. In het waschraum aangekomen zei de bewaker grijnslachend: "Ga zitten, ik zal jouw vuile nagels eens proper maken...!" Christian werd met zijn handen aan de leuning van een stoel vastgebonden. De bewaker nam een pincet en trok onzacht zijn nagels eruit... "Au!", riep hij, “hou op, ik houd het niet meer uit!" "Dàt zal je leren, je moet je nagels zuiver houden, begrepen?" "Ja maar...!" "Hou je mond!" De pijnlijke kreten hitsten de SS-er op en hij martelde verder... Na deze foltering zei de bewaker nors: "Maak als de bliksem dat je naar je barak bent, schnell, schnell!" "Ja, ja!"

Het was reeds nacht toen hij zijn slaapplaats bereikte. Hij probeerde zich tussen de anderen te leggen, maar met zijn gekwetste vingers ging dit niet zo gemakkelijk. Eindelijk lag hij na veel moeite op zijn plaats. Ze lagen met hun voeten aan het hoofd van de andere en omgekeerd. De stapelbedden telden drie verdiepingen, waarin de gevangenen elk met tien sliepen. Christian kon de slaap niet vatten omdat zijn vingers vreselijk pijn deden. Plots voelde hij iets warm... "Wat is dat?" Terwijl hij speurend naar boven keek, kreeg hij een straal water over zich. "Hey, je pist op mij, vuilaard!" "Sorry hoor, maar ik durf niet uit bed komen, als ik dat toch doe, wachten mij vijfentwintig stokslagen!" "Ha, ha, en dan moet jij je behoefte maar in bed doen, proper is dat wel!" De volgende morgen was er een ongewoon appél... Toen iedereen op zijn plaats stond riep de bewaker: "Kijk elkaar aan!" De gevangenen wisten niet wat dit te betekenen had en keken elkaar verwonderd aan. De SS-er keek tevreden rond en zei: "Ja, ja, kijken jullie elkaar maar eens goed aan, dan zien jullie wat voor lelijke smoelen jullie hebben!" Nog steeds lachte hij tevreden bij het zien van dit maneuver. "Achtung, ga tegenover elkaar staan!" Rudy en Alex keken elkaar onzeker aan. "Afstand nemen en armen strekken tot jullie elkaars schouders aanraken!" De bewakers lachten reeds op wat volgen zou... Dit maakte de gevangenen zéér wantrouwig. De SS-er riep: "Laat uw armen zakken en uw voeten tien centimeter voorwaarts schuiven!" De Stubealtester lachte. "Goed, jullie staan goed en sla nu in elkaars smoel zo hard jullie kunnen!" Alex protesteerde: "Maar Herr Blockaltester, wij zijn goede vrienden!" "Mij geen zorg en voer nu mijn bevel uit!" Ze klemden hun tanden opeen en bleven stokstijf staan. "Wel komt er nog wat van?" Ze keken trots naar de bewaker en voelden zich solidair met elkaar. Niet één bezweek. "Ha, ha, jullie weigeren mijn bevelen uit te voeren, pas mal auf!" Bij deze woorden sprongen ze op de gevangenen en tierden: "Jullie moeten doen wat wij zeggen, begrepen?" En sloegen Rudy en Alex met hun hoofden tegen elkaar. Hun wenkbrauwen en hun neuzen sprongen open. "Vechten zullen jullie!", riepen de bewakers alsmaar. "Sla elkaar!" Maar de gevangenen bekeken de bewaker zonder angst. En weer gebeurde er niets Dit maakte de SS-ers razend. "Achtung!", bulderde de Blockaltester opnieuw: "Spuw elkaar in het gelaat!" Maar weer gebeurde er niets, ze stonden nog steeds stokstijf. De Stubealtester rende naar de verschillende Stubealtesters. Enige tijd later kwam hij terug met zijn companen. Ze hadden wapens bij... Buiten zichzelf riep een Blockaltester: "Spuw elkaar in het gezicht!" Hij keek aandachtig rond, maar niet één bewoog... "Gaan jullie nu eindelijk mijn bevel uitvoeren?" Doordat niemand gehoorzaamde liepen ze nijdig naar hen en spuwden uit machteloze woede de vuilste rochels in hun gelaat. Nog steeds bleven ze onbeweeglijk staan.

De vuiligheid kleefde in hun gezicht. "Likken jullie elkaars lelijke smoelen!" Weer gebeurde er niets. Opnieuw regende het stampen en slaan. “Als jullie niet direct gehoorzamen krijgt niemand in drie dagen eten!" De bewakers beseften na enkele minuten, toen ze ook hierop geen reactie kregen, dat ze machteloos stonden tegenover de gevangenen. Ze voelden dat ze over de SS-ers een overwinning behaald hadden.

Hoofdstuk 19: Naar Neuengamme

Na hun overwinning lieten de bewakers de gevangenen met rust. Toen één van hen in het blok kwam, bulderde hij: "Iedereen naar het Appél, schnell, shnell!" Rudy ontwaakte geschrokken, wreef in zijn ogen en rekte zich uit. Op dat moment kwam een bewaker, die nijdig riep: "Maak dat je uit je bed bent, luilak!" Nog wat slaperig vroeg hij: "W... wat moet ik doen?" "Wat jij moet doen is opstaan, verdomme en naar de verzamelplaats gaan!" "Oh, maar dat heb ik niet gehoord, want ik sliep nog!" Hij stond op en liep vlug naar de andere gevangenen terwijl hij zich geërgerd afvroeg: "Waarom moeten wij nu weer bijeenkomen?" Toen iedereen verzameld was riep de Stubealtester, aandachtig rondkijkend: "In het gelid en kijk naar mij!" Speurend keek hij rond om te zien of iedereen zijn bevel uitvoerde. Daarna begon hij: "Aandacht, aandacht, jullie werden opgeroepen, omdat iedereen gedeporteerd wordt!" "Naar een ander kamp?", vroeg één van de gevangenen. "Heb ik jou wat gevraagd?", vroeg de Stubealtester nijdig. Met zijn hoofd naar beneden vroeg Walter aan de gevangene die naast hem stond: "Worden wij nu wéér naar een ander kamp overgeplaatst?" De andere gevangene antwoordde in dezelfde houding:"Ja ik denk het wel, ik snak naar het einde van die rotoorlog!" "Hey, wat hebben jullie elkaar te vertellen?" "Oh niets!" "Ha, ha niets, je liegt, ik heb het gezien, vooruit, zeg op!" "Ik zei dat mijn voet pijn deed" "Ha, ha, je voet doet pijn en ik moet dat geloven?", tierde de Stubealtester woedend, “mij maken jullie niets wijs hoor.” Het schelden ging zo nog een tijdje verder. Tenslotte zei hij wat vriendelijker: "Jullie beiden hebben geluk dat jullie gedeporteerd worden!" En zonder hen nog een blik te gunnen riep hij: "Allemaal in rijen van vijf, schnell, schnell!" Door deze heisa ontstond er een rumoer van jewelste. "Stilte, kunnen jullie nu nooit eens kalm zijn?"

Eindelijk stonden de gevangenen klaar om naar het station te worden gedreven. Ter plaatse aangekomen werden ze brutaal in de beestenwagons geduwd. De reis duurde vier dagen en drie nachten, met weinig of geen eten noch drinken. Hun monden waren kurkdroog, de honger knaagde… Aangekomen in het concentratiekamp Neuengamme werden ze verwelkomd door nijdige bewakers en hun afgerichte herdershonden die voor niets of niemand terugdeinsden. Met veel ornaat gooiden ze één van de wagons open en riepen ongeduldig: "Heraus, alles mitnehemen, per funf!" Een oude man die niet meer zo goed ter been was, kon de anderen niet volgen. Eén van de bewakers zag het en sloeg met een matrak op het achterhoofd van de arme man en zei knarsetandend: "Hey luilak, kunt ge niet wat vlugger lopen?", brulde hij woest, “raus, raus!" Maar hoe de arme man zijn best deed, hij kon het niet... De honden grolden gevaarlijk... Angstig keek hij naar de razende dieren en spoedde zich zo vlug hij kon bij de andere gevangenen.

Rudy werd brutaal uit de stinkende wagon gedreven. Toen hij in de frisse lucht kwam, rekte hij zijn verstijfde ledematen, hij wilde weten waar hij aangekomen was. "Hey jij, wat sta je daar te gapen? loop verder, schnell, schnell!" Het regende stokslagen. Hij baande zich een weg tussen de anderen om de slagen te vermijden. "Im gleichenchrift march; links rechts, zwo, drei; vier!" Een andere bewaker die wat verder stond riep: "Mützen ab!" Bij hun aankomst in Neuengamme werden de gevangenen in een kelder opgesloten. "Jullie blijven hier!", zei de bewaker bars, "tot nader order!" Na nog een laatste blik op hen geworpen te hebben verliet hij het gebouw.

Toen deze goed en wel vertrokken was ging Rudy op zoek naar zijn vriend Alex. Na ongeveer tien minuten zag hij hem. "Hey Alex, eindelijk heb ik je gevonden!" "Ha Rudy; ik ben ook blij dat wij weer samen zijn!" "Nu zijn wij in Neuengamme, welk zal het volgende zijn?", zei Rudy nog. "Ja, ik kon evengoed naar een ander kamp overgeplaatst zijn!"

"Voor mij mag de oorlog ten einde lopen, ik wil naar huis!" "Ja, ik ben het zo moe als koude pap, wanneer is die rotoorlog voorbij?" Rudy en Alex waren nog aan het praten, toen de deur met een ruk open vloog. De Kapo riep: "Iedereen in groepjes van vijftig naar boven komen, schnell, schnell!" Na ongeveer een uur stonden ze in één rij aan een barak aan te schuiven. Ze werden er één voor één toegelaten. Toen de eerste gevangene binnen was bekeek de bewaker hem aandachtig en zei na een poosje: "Kleed je uit en leg alles op de grond!" "Ik bezit niets, ik kom uit het concentratiekamp Dachau!", antwoordde hij ontdaan. "Ik heb jouw commentaar niet gevraagd en zwijg!" "Maar wij...!" Eén van de afgerichte honden sprong nijdig op de gevangene en verscheurde hem..

Tijdens dit incident liep de bewaker naar buiten en riep: "Iedereen moet even naar binnen komen, jullie zijn verplicht toe te kijken en wie dat niet doet, krijgt de kogel, begrepen?" Toen ze binnen kwamen zagen ze hun medegevangene, die zich vruchteloos probeerde te verdedigen door het dier van zich af te duwen. Maar het mocht niet baten... Toen alles voorbij was, moesten ze terug buiten gaan staan. Na een lange tijd was het eindelijk Rudy's beurt. "Ga naar binnen!", tierde de bewaker. In de kamer aangekomen zag hij dat ze eigenlijk niet zo groot was. "Hey!", riep de bewaker ongeduldig, "sta daar niet te dromen en ga hierop liggen!" "Waarom?", vroeg Rudy argwanend. "Hou je mond en doe wat ik je zeg!" "Wat ga je doen?" "Doe je benen open!" De kapper die zelf een gevangene was scheerde zijn schaamharen en zijn oksels. Alles moest verwijderd worden tot het laatste haartje. Toen de laatste klaar was, werden ze naar het stortbad gedreven. In het waschraum gekomen riep de bewaker: "Allemaal in de douches!" Alex dacht: "Nu worden wij vergast, ik durf er niet in...!" Traag stapte hij er heen... Een slag op zijn achterhoofd bracht hem terug tot de werkelijkheid. “Schnel!", bulderde de bewaker, "komt er nog wat van, of moet ik je helpen?" "Ja, ja, maar...!" "Wat maar?", tierde de bewaker, "vooruit er in of ik stamp je in er in, jij zult gehoorzamen.” Bij deze woorden kreeg hij een fikse duw, zodat hij met zijn hoofd tegen de muur vloog. Toen iedereen in het stortbad stond, gaf de bewaker het sein om te beginnen...

De gevangenen keken angstig wat er uit de sproeier zou komen, werden ze vergast of..? Plots voelde Rudy een straal warm water. Verschrikt sprong hij weg. "Hey, jij daar!", riep de bewaker woedend, "blijf waar je bent, zoniet dan laat ik je boomhangen, begrepen?" Terwijl hij tierend naar hem liep en hem weer onder de hete waterstraal duwde. "Au, dat is heet, maak het alstublieft wat kouder!" Toen de anderen hun vriend hoorden roepen, riepen ze in koor: "Zet dat hete water af!" Maar de SS-ers hadden plezier in hun pesterijen en riepen grijnslachend: "Moet dat hete water afgezet worden, wel dat is geen probleem, wij zullen jullie wat afkoelen ...” Een straal ijskoud water stroomde over hun lichamen... Iedereen riep, bevend: "Hou op, ik houd deze koude straal niet meer uit!" De SS-ers martelden verder en zetten weer de hete kraan open. Het folteren duurde nog een uur... Daarna wéér ijskoud water... Hun huiden werden roodgloeiend, het verbrande vel was zwaar verschrompeld. Toen de bewakers het pesten beu werden, riepen ze: "Allemaal in rijen van twee, wij gaan naar een andere plaats!" "Naar een andere plaats?", riep Martin verbaasd. "ja, naar een andere plaats en wees niet zo nieuwsgierig, ga in de rij staan!" De gevangenen die nog steeds naakt waren, werden naar een andere barak gedreven, die enkele meters verder stond. Hier kregen ze hun zebra-kostuum.

Alex kleding was veel te klein en dat van Rudy was veel te groot. Op de vest stond een rood nummer, het kenteken van politieke gevangene. Verder kregen ze vodden die als kousen moesten doorgaan en een muts. Toen na ongeveer drie uur iedereen voorzien was, riep de bewaker: "Nach die apfelplatze!" De houten blokken die ze gekregen hadden, deden vreselijk veel pijn, ze schuurden tegen hun hielen. Hierdoor was het niet mogelijk om vlug te lopen. Zo schuifelden ze verder. Na enige tijd kleefde de sneeuw eraan. "Im gleichenschrift, march, links, rechts, zwo, drei, vier!" Met bruut geweld werden ze naar de quarantaine gedreven. Deze plaats was in het kamp zelf afgespannen met prikkeldraad. De gevangenen verbleven hier soms weken, maar dikwijls ook maanden om er gedrild te worden. Ze sliepen met twee in een éénpersoonsbed. Het geheel bestond uit een houten bak van twee op tachtig centimeter, waarop een dunne strozak en een deken lag. De bettenbau’s stonden met drie en vier boven elkaar. De bewakers waren erop uit om het de gevangenen zo onmogelijk mogelijk te maken.

"Raus, im gleichenschrift, march, links, rechts, zwo, drie, vier!" Op dit ritme marcheerden ze het kamp uit, richting Blumenthal, zo’n twintig kilometer verder. Bij hun aankomst werden ze opgewacht door een peloton soldaten van de Kriegsmarine en de Lageraltester "Karl" die de hooggeplaatste medegevangene van het kamp was. Hij was een fors persoon met een paar sterke armen. Op zijn gelaat stond een bandietencontrole, je kon aan zijn sadisme niet ontkomen. Ze werden in verschillende Blokken verdeeld. De bewakers zorgden er zorgvuldig voor om zoveel mogelijk mensen met verschillende rassen bijeen te plaatsen in de hoop twist onder hen te zaaien. Het kamp Blumental was aan de oever van de Weber gelegen en telde twaalf barakken. Het eerste blok (De bunker) stond dichtbij de ingang van het kamp... Een ander het Revier (Infirmerie). Verder was er nog de Kamer (De schoen-en kleermakerij) de keuken en de waszaal, dat tevens dienst deed als dodenhuisje. Er was ook nog een schreibstube (administratie). De overige barakken waren bestemd voor de gevangenen. Ieder blok telde drie of vier kamers met ongeveer dertig bedden, die drie boven elkaar en op maximum vijftig centimeter van elkaar stonden. De Kammer, een Duitse communist, een dokter en een Franse P.G. die verantwoordelijk waren voor het Revier. Er waren ongeveer een duizendtal gevangenen, waaronder min of meer vierhonderd Belgen. De overigen waren Russen. De Vorarbeiders en de Kapo's waren surveillanten, die met de zweep in hun handen rondliepen om hun medegevangenen op te jagen en te kastijden. Rudy, Martin, Frans en Alex werden in de schosserie tewerkgesteld. Willy en Mark moesten naar schlosserie vijf. Ze werkten van 's morgens zes uur om ijzer te veilen en dit tot zes uur 's avonds.

Op een nacht, 't was amper twee uur... Rudy was net ingeslapen toen de bewaker de deur van zijn Blok woest opensmeet en riep: "Aufstehen, schnell, schnell nach die apfelplatze!" Terwijl hij speurend, met zijn matrak zwaaiend, langs de bedden liep en de gevangenen uit hun bed knuppelde. Rudy sliep nog ... Na enkele minuten kwam de bewaker langs zijn bed... "Aufstehen, nach die apfelplatze!" Maar Rudy maakte geen aanstalten, de bewaker tierde: "Aufstehen, du dreckhund!" Hij kreeg de tijd niet om zich uit te rekken, want de bewaker stampte en sloeg hem tot hij aanstalten maakte om op te staan. Na enige tijd slenterde hij met de andere gevangenen naar de verzamelplaats. Het appel duurde die morgen tot zes uur. Nadien moesten ze direct aan het werk. Rudy begon doodmoe te werken, hij had die nacht bijna niet geslapen.

Enkele weken later, de gevangenen moesten zich in rijen van vijf voor de galg opstellen, die in het midden van de appélplaats opgericht was. 't Was die dag berekoud. Twee Poolse gevangenen werden ter dood veroordeeld, omdat ze op het werk een lederen riem hadden stukgesneden om hiervan een broeksriem te maken. Ze waren verplicht om gedurende vier uur naar de galg te kijken. Achter hen stonden Duitse soldaten. Om twaalf uur 's middags klonk het bars: "Mutzen ab!" Twee officieren kwamen in het kamp. Een van hen las het vonnis: "Jullie twee!", zei hij op autoritaire toon, "worden tot de galg veroordeeld, omdat onze wetten werden overtreden!" "Maar!", zei één van de veroordeelden: "ik heb die broeksriem gemaakt omdat mijn broek veel te groot was!" "Mijn zorg niet, nummer één kom hier!" "Maar...!" De Pool volgde hem bevend, met zijn handen op zijn rug gebonden. "Ga op deze plank staan!", zei de Lageraltester bars. De beul legde de strop om de hals van de gevangene. "Heb je nog iets te zeggen?", vroeg de beul nog. De Pool haalde even diep adem, overwon zijn angst en riep: "Vaarwel, vrouw en kinderen!" Na enkele seconden riep hij weer: "Leve Polen, leve ...!" De laatste zin kon hij niet meer voltooien, de valdeur werd onder zijn voeten weggeschoven... Hij hing reeds tien minuten aan de galg toen de Lageraltester riep: "Nummer twee, kijk goed naar de laatste stuiptrekkingen van je vriend, binnen enkele ogenblikken hang jij er ook zo, ha, ha, ha!" De veroordeelde kon wel kotsen, maar hij herpakte zch en dacht: "Ik moet moedig zijn en niet laten zien dat ik schrik heb!" Daarom hief hij fier zijn hoofd omhoog en besteeg als zijn vriend de dodenplaats. Met de strop reeds om zijn hals riep hij luid: "Leve het Poolse volk, leve het Poolse vo...!" En wéér werd de val onder zijn voeten weggeschoven... Na de voltrekking ging de Lageraltester op het verhoog staan, dat voor deze gelegenheid werd neergezet. Riep hij met een stem die geen tegenspraak duldde: "Aandacht, aandacht, kijk naar die twee gehangenen, wie niet gehoorzaamt krijgt eveneens de galg, begrepen?" Niet één van de gevangenen durfde zijn ogen af te wenden. Ze keken met afkeer naar die ene plek, de galg... Iedereen was onder de indruk. Toen ze terug in hun Barak kwamen, kregen ze die dag om vier uur in de namiddag te eten. Rudy kon niet slapen, in zijn dromen hoorde hij de Pool nog roepen: "Vaarwel vrouw en kinderen!" Na lang woelen viel hij eindelijk in een onrustige slaap.

Hoofdstuk 20: De dodenmars

De daaropvolgende zondag kort na het middageten ging plots de bel... De Stubealtester riep luid door de luidspreker: "Iedereen op appél, schnell, schnell!" Rudy kreeg de tijd niet om zijn rotte aardappel op te eten die hij zojuist gekregen had. Toen allen op de verzamelplaats stonden donderde de SS-kommadant: "Wij verlaten dit kamp, iedereen in rijen van vijf, schnell, schnell!" Dit bracht een geroezemoes van jewelste mee. Vijf gevangenen slopen uit de rangen terwijl twee kapo's aan het praten waren... Ze liepen zo vlug ze konden naar de Barak van de Lageraltester waar één van hen een stuk brood had zien liggen... Eén van de vijf raapte het fel begeerde voedsel op en liepen zo vlug ze konden terug naar de rangen. De Lageraltester die hen zag aankomen tierde: “Wel, vanwaar komen jullie?" "Wij euh...!", antwoordde één van hen met bevende stem. De Lageraltester had het laatste niet gehoord. Hij bekeek hen aandachtig. Plots vielen zijn ogen op de linkerhand van één van de gevangenen... "Wat heb je daar in je linkerhand? Kom, laat zien, schnell, schnell!" Een kleine magere man stak aarzelend zijn hand uit... "Wat betekent dit, waar heb je dat gehaald?" "I...i...ik weet het niet!" "Ha, ha, je weet het niet, ik zal je geheugen eens opfrissen!" De vijf gevangenen werden één voor één naar de nevenstaande Barak gesleurd... Bruno, de Blokàltester van Blok vier, nam een vlijmscherp mes en ging ermee naar de gevangenen... De kleine donkerharige man kwam als eerste aan de beurt. Hij greep de arme man, trok zijn hoofd achterover en sneed zijn keel over. De overige vier gevangenen ondergingen hetzelfde lot.

De Blokaltester deed alsof er niets gebeurd was. Hij ging zijn handen wassen om daarna naar de andere arrestanten te gaan om de dodenmars te beginnen. Met een norse stem riep hij: "Ein, zwo, drei, vier, links, rechts, schnell, schnel!" Maar ze waren te vermoeid om hun voeten op te heffen. De gevangenen werden aldoor door de nazi's opgehitst. Ze sloegen en stampten erop los, steeds roepend: "Schnell, schnell, du dreckhund!" Na acht kilometer gemarcheerd te hebben kwam de stoet geheel uitgeput in het Commando van Vargo aan. Een échte nazi-hel. Vargo was gebouwd boven een reusachtige ondergrondse metaalfabriek. De gevangenen werden er met honderden in één blok gedreven om er de nacht zonder eten noch drinken door te brengen. Sinds hun vertrek hadden ze niets meer gegeten en de honger en de dorst knaagden... In het Blok stonk het naar zweet en het was er benauwd. Rudy kon niet slapen, na lange tijd heen en weer gewoeld te hebben viel hij eindelijk in slaap. Plots vloog de deur open, met een hels lawaai liep de bewaker naar binnen, floot op zijn schrille fluitje en riep: "Aufstehen, schnell, schnell!" Rudy werd met een ruk wakker, nog niet goed beseffend wat er gebeurde keek hij versuft rond... In deze houding bleef hij een hele tijd zitten... Toen de bewaker hem in het oog kreeg bulderde hij: "Du Aufstehen, dreckhund!" "Ik euh, kon niet slapen, ik ben nog moe!", zei Rudy verbouwereerd. "Ik heb naar jouw commentaar niet gevraagd en kom nu eindelijk uit dat bed!" "Ik wilde alleen maar...!" "Zwijg verdampte jude!" Enkele minuten later was de bewaker verdwenen... Toen Alex ontdekte dat hij er niet meer was, ging hij naar Rudy; gaf hem een schouderklopje en zei: "Hé makker, die SS-er is goed: eerst maakt hij ons wakker en dan is hij weg!" "Waar zou hij zijn?" Rudy had er deugd van dat hij zich eens goed kon uitrekken. "Ja die is goed, weet je wat ik denk?" "Neen!" “Wel die SS-ers zijn door de oorlog zo zot geworden als een achterdeur!" Alex en Rudy praatten zo nog een lange tijd verder. Eindelijk na drie uren kregen de gevangenen soep en wat brood. Dit was het rantsoen tot de volgende middag. Na het eten ging de dodenmars verder. Iedere kilometer eiste een mensenleven. Hij die neerviel werd door de SS-ers in de gracht gerold en neergeschoten. De gevangenen slenterden langzaam verder, stampen en slaan had op hen geen vat meer. Na ongeveer drie uur kregen ze eindelijk een beetje rust. Terwijl Rudy, Alex en Martin zich in het gras neervlijdden zei Rudy: "Naar waar zouden wij in 's hemelsnaam worden heengebracht? wij krijgen geen eten noch drinken en de tocht gaat steeds maar verder!" Alex wilde juist antwoorden toen de bewaker riep: "Allemaal in rijen van vijf, schnell, schnell!"

Na uren onderweg te zijn geweest, werden ze in lege schuren van enkele boerderijen ondergebracht. Alex was zo vermoeid dat hij zich met een plof in het stro liet neervallen. De volgende morgen kregen de gevangenen eindelijk een stuk brood van ongeveer honderdvijftig gram. Na het eten moesten ze weer op stap. De tocht ging moeizaam verder tot de kolonne in een klein dorpje terechtkwam. Hier hielden ze halt. Wéér werden ze in schuren ondergebracht. Reeds vier dagen verbleven ze in het kleine gehucht toen de bewaker plots riep: "Iedereen op appél!" De bewakers begonnen te tellen... "Twee tekort!" "Hoezo twee tekort?", vroeg de andere bewaker, dat kan toch niet?" "Ja, ja, ik heb ze allemaal goed geteld!" "Misschien heb je je vergist, wij zullen opnieuw beginnen!" En de telling begon opnieuw... "Twee tekort!" " Ja, je hebt gelijk, wij zullen een klopjacht houden, wij zoeken overal in de stallingen en de schuren totdat wij ze gevonden hebben!"

Na tien minuten riep een groene kapo: "Dirk, ik heb de twee vermisten gevonden!" "Ja? Waar?" "Hier onder het stro!" " Ha, ha!", riep de bewaker nijdig, "jullie wilden vluchten, ik zal jullie leren...!" "Neen!", antwoordde één van de gevangenen, "zo is het niet, wij gingen onder het stro liggen omdat...!" "Omdat wat?" De kapo wierp hen nog een laatste vernietigende blik toe, nam uit zijn binnenzak zijn schrille fluitje en floot naar de andere bewakers. Toen deze bij de kapo waren wees hij naar Rudy en Alex en vroeg: "Wat moeten wij met deze twee doen? gaan wij ze doodschieten?" "Neen, dàt gaan wij niet doen!" Eén van de bewakers deed teken met zijn hoofd om Alex en Rudy vast te grijpen. De andere bewaker zocht een koord om hen vast te binden. "Hé Dennis!", riep één van de bewakers, “hier zijn twee haken aan de muur!" "Hoe hoog zijn ze?" "Ongeveer een meter zestig!" “Liggen ze ver van elkaar verwijderd?" "Neen, ongeveer twee meter!" "Dàt is goed, bind de twee gevangenen eraan vast!" Rudy vroeg angstig: "Wat gaan jullie met ons doen?" De bewaker keek Rudy geamuseerd aan en zei grijnslachend: "Dàt zul je gauw weten!" Terwijl hij dit zei sleurde hij Rudy naar de haak... Ze.werden met hun handen aan het ding gehangen. De bewaker die een zéér autoritaire man was en met diepliggende ogen beval: "Geef hen vijfentwintig stokslagen, zo weten ze dat vluchten onmogelijk is!" Na deze hevige marteling sleurden de bewakers hen terug in de rij, één van de bewakers snauwde: "Hier is jullie plaats en probeer niet meer te vluchten, want ditmaal schieten wij jullie omver, begrepen?" "Ja!”, klonk het met pijn vertrokken gelaat, hun hele lichaam deed vreselijk veel pijn.

's Middags kwamen de gevangenen aan in een klein stadje waar ze naar het station werden gebracht. Niemand van de gevangenen had enige interesse waar ze waren aangekomen. Twee treinen stonden reeds klaar om de vele gevangenen op te vangen. Met ongeveer zeventig werden ze in de beestenwagon gedreven. Toen ze vol waren riep één van de bewakers: "Er zijn er te weinig, wij kunnen niet alle gevangenen herbergen!" "Duw er dan nog wat bij, zodat alles volzet is!" "Maar ze zitten proppensvol!" "Gaat het écht niet meer?" "Neen, er kan niemand meer bij!" "Dan zit er niets anders op dan de open wagons aan te koppelen!" Toen ze in de aangekoppelde wagon klommen, kropen ze zéér dicht hij elkaar, want het was zéér koud... Na ongeveer drie uur gereden te hebben werd het brood uitgedeeld. Eén brood moest door acht personen gedeeld worden. 's Nachts reed de trein door Hamburg dat hevig gebombardeerd werd. Hier stopte de trein. Rudy zei tot Alex en Martin die naast hem zaten: "Ik hoop dat deze spoorweg plat gebombardeerd word!" "Daar zeg je zoal iets, wel ik hoop dat ook, want ik haat die SS-ers hartsgrondig!", zei Martin met schitterende ogen, bij alleen al dit vooruitzicht. "Ja! Dan konden wij deze hel ontvluchten!" "Hoe ga je dit doen? Onze ledematen doen nog pijn, vergeet niet dat wij kortgeleden nog een afranseling hebben moeten incasseren!" "ik zou zo goed het ging mij vlug uit de voeten maken, want het hangt hier mijn kloten uit!" "Er zal toch wel ééns een einde aan komen, hoop ik, wij mogen in ieder geval onze moed niet verliezen, dan kunnen wij aan al wie het horen wil vertellen wat die nazi's met ons gedaan hebben!" "Toch wil ik hier weg!" "Hé jongens!", zei Rudy plots, "ik denk dat wij terug vertrekken!"

De volgende morgen stopte de trein, de wagons werden ontkoppeld. Een bewaker riep nijdig: "Iedereen uitstappen, schnell, schnell!" Na aandachtig rondgekeken te hebben riep hij tenslotte: "Wij gaan te voet verder!" Het concentratiekamp lag op vijftien kilometer. Bij hun aankomst werden ze in een grote omheining gedreven dat afgespannen was met prikkeldraad. Na ongeveer vier uur kregen ze soep waarvan het dik moest gezocht worden met een loep... De bewaker riep: "Iedereen achter elkaar gaan staan, zodat alles vlot verloopt!" Elke gevangene kreeg één schep tot de twintigste aan de beurt kwam... De gevangenen begonnen te duwen en te trekken. Door deze heisa konden de bewakers met de gevangenen geen weg meer. De ene stak zijn handen uit, de andere zijn muts. Plots viel de soep omver... Intussen waren de SS-ers verdwenen. Enkele uren later... Het werd reeds avond en nog steeds was er niemand te bespeuren De gevangenen gingen dicht bij elkaar staan, want die nacht was het ijzig koud. Iedereen probeerde op de grond te trappelen om warm te krijgen, maar voor dit maneuver waren ze veel te zwak... Eindelijk kwamen er twee kapo's, één van hen riep: "Ga in rijen van vijf staan!" Er werden dertig gevangenen geteld die naar een groot kamp werden gedreven dat op hetzelfde domein lag. Daar aangekomen zei de bewaker nors: "Ga naast elkaar staan en ontkleed jullie, als u klaar zijn moeten jullie achter elkaar staan!" De dertig gevangenen werden met de nodige stampen en slagen naar de waszaal gedreven, waar ze zoals de eerste keer zorgvuldig werden geschoren. Toen ze klaar waren werd de gevangeniskleding uitgedeeld. Rudy's broek was véél te groot en de vest schuurde zijn rug open... De pijn was haast ondraaglijk. Rudy vroeg vriendelijk: "Kan ik alstublieft een andere vest krijgen?" “Ben je gek geworden?", riep de bewaker: “Hou deze maar aan!" "Ja, maar ze doet pijn aan mijn wonden!" "Ik heb jouw uitleg niet nodig en zwijg!" "Ja maar...!" “Als je je mond niet houd, kunt ge nog eens vijfentwintig stokslagen incasseren, begrepen?"

Hij vond het na enige tijd geraadzaam te zwijgen en ging bij de anderen staan. "Allemaal op één rij!" "Links, rechts, ein, zwo, drei, vier...!" Toen de laatste gevangenen aan de beurt kwamen waren er reeds veel doden gevallen. Toen ze de volgende morgen ontwaakten, konden ze hun ogen niet geloven: er stonden direct beneden aan de trap een tiental ketels gevuld met brood, koeken, kaas en worst. Ze wilden zo vlug mogelijk bij al dat lekkers komen, hierdoor liepen ze elkaar omver... Maar de kapo kwam en een riep: "Hou op met duwen en trekken en ga achter elkaar staan!" Toen alles weer normaal was begon de kapo onmiddellijk met de uitdeling. Iedereen kreeg een stuk brood, wat koekjes, wat worst en kaas. Martin vroeg verwonderd aan Rudy: "Zeg, worden die nazi's bang of zouden ze Hitler vermoord hebben?" "Ik denk dat ze angst hebben voor hetgeen hen te wachten staat en dat ze daarom de gevangenen willen vertroetelen!" "Ik kan niet meer volgen, wat bezielen die bewakers toch?"

Zo werden onder de gevangenen allerlei gissingen gedaan. Na ongeveer twee uur kwam er een kapo die hen vertelde dat het een gift van het Zweedse Kruis was. Bij het horen van dit nieuws zonk bij de gevangenen de moed in hun schoenen, ze waren overtuigd dat de oorlog bijna gedaan was. Maar deze apathie was echter niet van lange duur... Na de middag kwamen de bewakers met een karretje waarop volledige pakketten voor de gevangenen lagen. Ieder kreeg, uitgezonderd de Russen, melkpoeder, kaas, worst, margarine, koekjes, bonbons, chocolade en honderd goede sigaretten. Ze waren zo blij, het was net of ze de hemel op aarde beleefden. Toen Rudy zag dat de Russen niets kregen, riep hij met luide stem: "Kijk naar die Russen, zij hebben niets gehad, laat ons solidair zijn en geef zoals ik twee schepjes melkpoeder, een klein stukje worst, ongeveer tien gram margarine, wat koekjes, twee blokjes chocolade en ieder geeft aan hen tien sigaretten!" Hij keek naar de gevangenen en riep tenslotte: "Zijn jullie hiermee akkoord?" "Ja!", riepen een paar gevangenen waaronder Alex, Martin en Mark... De Russische gevangenen keken begerig naar al de lekkernijen, de sigarettenreuk prikkelde hun neusgaten... Plots sprongen ze als razend op de pakketten toen ze zagen dat de gevangenen bereid waren om met hen te delen...

Ze namen alles af van dié waarvan ze wisten dat deze hun deel niet wilden geven. Boven aan de kelderdeur stonden de bewakers. Rudy zag hoe ze lachten... Eén van hen zei: "Kijk die gekke Russen, ze willen ook hun deel, ha, ha!" "Oh, jullie hebben er plezier in, als ik kon dan wrong ik één voor één jullie nek om, ik vind het zielig, weet je dat?", zei hij binnensmonds, terwijl hij hen met een vernietigende blik aankeek. Enkele gevangenen waren zo toegetakeld dat hun arm gebroken was. Na een uur donderde de bewaker: "Ik wil niets meer horen, degene die nog lawaai maakt wordt neergeschoten, begrepen? en maak dat iedereen in bed ligt, schnell, schnell!" Toen allen te ruste lagen durfde niemand nog iets te zeggen, ze wisten dat deze bedreiging zou uitgevoerd worden. Zo leefden de gevangenen dag in dag uit, steeds in de grootste angst...

Hoofdstuk 21: Het vrachtschip “De Athen”

Vier dagen later... Een bewaker vescheen aan de kelderdeur en riep: "Allemaal naar boven komen, wij gaan te voet verder!" "Te voet verder?", zei Rudy tot Alex, “dit betekent dat wij weer op de trein moeten, wat gebeurt er toch de laatste tijd? het lijkt wel of die SS­ers op de vlucht zijn!" "Ja ik heb dat ook al gedacht, als ik die vijftien kilometer nog moet lopen ben ik reeds moe op voorhand en in die beestenwagon was het zo benauwd, ik heb mij doodgezweet, mens toch het was er niet om uit te houden!" "Ja dat weet...!" "Hé jullie twee, ga in de rij staan, schnell, schnell!" Nijdig liep de bewaker naar Rudy en Alex en stampte en sloeg hen tot ze op hun plaats stonden...

Bij hun aankomst stonden de treinen reeds gereed. Op de wagons stond geschreven: "Acht paarden, veertig mannen" In iedere wagon namen vijf Duitse bewakers plaats. Rudy wilde zich in de wagon neerzetten, maar de Duitse soldaten zeiden: "Dit gedeelte is voor ons.” Eén van hen wees een plaats aan dat één derde van de ruimte innam... Hierdoor was er te weinig ruimte, hun bewegingsvrijheid belemmerde, om bijvoorbeeld hun behoeften te doen... De reis duurde twee dagen en twee nachten. De vijf soldaten waren zo'n zestig jaar. Toen de trein in Leuck stopte, werden de deuren van buiten ontgrendeld, de bewakers riepen: "Raus, schnell, schnell!" De gevangenen waren veel te zwak om vlug te kunnen zijn en kropen letterlijk en figuurlijk uit de wagon. De buitenlucht deed Rudy goed, hij snoof de frisse lucht met volle teugen op. De trein stond aan de Lubecker bocht bij de Oostzee. “Hé jij!", riep de bewaker, sta daar zo niet te dromen en volg de anderen naar die boot daar!" Hij wees naar een vrachtschip en donderde: "Schnell, schnell, du dreckhund!"

De gevangenen hadden reeds zoveel stampen en slaag gekregen dat dit nu geen vat meer op hen had. Dit te beseffen maakte de bewakers razend, vloekten en tierden, stampten en sloegen, maar géén van de gevangenen deed aanstalten om wat vlugger te zijn. Op de boot gekomen werden ze naar het benedenruim gedreven. Toen alles rustig was en er geen SS-er in zicht was, zochten de gevangenen een rustig plekje om te praten. Rudy, Alex en Martin zaten bijeen. Alex zei tot Rudy: "Waar gaan wij nu weer naartoe? wij veranderen steeds van kamp, eerst zaten wij in Neuengamme en nu op dit schip, ik kan niet meer volgen!" "Ik denk dat ze gek geworden zijn!" Eén van de gevangenen had het gesprek gehoord en mengde zich tussenbeide en zei: "Ik heb gehoord dat de SS-ers ons gaan overleveren aan het Zweedse Kruis!" "Ja?", vroeg Rudy nieuwsgierig, "en waar heb je dat gehoord?" "Van de andere gevangenen, iedereen weet het al!" "Als dàt waar is...!", zei hij hoopvol, "dan is de oorlog bijna voorbij!"

Terwijl de Athen verder in zee voer, praatten de gevangenen over hun mogelijke vrijheid. Op ongeveer tweeduizend meter verder bleef het schip liggen... In de haven van Lubeck werden zevenduizend gevangenen verdeeld over vier schepen: "De Athen", de "Tielbeck", de "Deutsland" en de pakketboot "Cap Arcona" In het vrachtschip de Athen zaten tweeduizend gevangenen in de laadruimten die in vijf of zes van elkaar gescheiden waren. Hierin zaten honderd gevangenen tegen elkaar gedrumd. Ze sliepen op een ijzeren plaat en waren verplicht hun benen te kruisen omwille van de plaats. Door een spleet van twee meters lang en twintig centimeters breed lieten de SS-ers licht en lucht naar binnen stromen. De meeste van hen had diaree... In een hoekje van de laadruimte moesten ze hun behoeften doen wat spoedig zorgde voor een enorme stank... De gevangenen stierven er als vliegen en werden pas na twee dagen verwijderd. Hierdoor hing er een ondraaglijke sterke lijkengeur. De eerste vierentwintig uur kregen de gevangenen geen eten noch drinken. Rudy's mond was kurkdroog. Hij had reeds verscheidene malen zijn eigen urine gedronken. De dorst maakte hem gek, hij riep: "Geef mij alstublieft wat water!" De andere gevangenen volgden zijn voorbeeld en riepen zo hard ze konden: "Wasser, wasser!" Deze smeekbeden klonken afgrijselijk. De bewakers keken geamuseerd door het luchtgat en riepen lachend: "Moeten jullie water hebben?" "Ja, ja, geef ons wat te drinken alstublieft!" "Ha, ha, jullie hebben dorst, wel binnen een paar dagen of misschien morgen krijgen jullie drinken en zwijg nu!", tierde de bewaker nijdig. De volgende dag... De SS-ers riepen door het luchtgat: "Opgepast, ik laat een paar emmers water naar beneden!" De gevangenen wachtten vol spanning naar de fel begeerde drank. Bij het verschijnen ervan stortten de gevangenen zich met z'n allen op de emmers, ieder wilde zijn deel... Door de heisa vielen de emmers omver... "Verdomme!", riep Alex vloekend, “nu heb ik niets meer!" Zo vlug als de bliksem sprong Rudy in de plas en slurpte met volle teugen de frisse drank, gevolgd door Alex, Martin en de andere gevangenen. Twee uur nadien werd de soep in een grote ketel naar beneden gelaten. Iedereen kreeg een conservenblik. Er werden echter maar enkele van de gevangenen bediend... Toen de gevangenen dat zagen begonnen ze te duwen en te trekken. Alex en Rudy wrongen zich tussen de massa. Na enkele ogenblikken liep alles in het honderd.

De groene kapo's konden de gevangenen niet meer aan en sloegen hen met de pollepel. Eén van de gevangenen liep door de heisa tegen de pot en de felbegeerde soep vloeide rijkelijk over de vloer. Dit maakte een hels lawaai... Toen ze de volgende dag eten kregen waren ze voorzichtiger, ze hadden nu wel hun lesje geleerd. Iedereen kreeg bij de uitdeling één derde liter soep.

Vier dagen later... Francois, één van de gevangenen, keek toevallig naar een valluik: "Wat zou er daar te zien zijn?", dacht hij nieuwsgierig. Hij trok met een ruk de val open en zag tot zijn verbazing overvloedig water stromen... "Water!", zei hij blij, "eindelijk kan ik mijn dorst lessen!" “Hé mannen!", riep hij enthousiast, "ik heb water gevonden!" " Wat, is er water?" "Ja!" Iedereen wilde zo vlug mogelijk kijken. "Kijk!", zei hij, "daar!" Ze keken naar de greppel... Alex, Rudy en Martin stonden wat verder. Jacky die het dichtste erbij stond riep: "Hé, jullie, kom eens kijken.” "Is er écht water?", vroeg Rudy verbaasd." “Ja!" "Dàt wil ik zien!" Toen hij de vieze smurrie zag zei hij: "Hoeveel dorst ik ook heb, hier kom ik niet aan, Bah...!" Alex en Martin weigerden eveneens van het besmette water te drinken, alsook nog enkele gevangenen. De andere konden zich niet weerhouden, ze schoven de ijzeren plaat weg en dronken gulzig. Reeds na drie dagen stierven deze gevangenen de pijnlijkste dood. Een bewaker riep door het luchtgat: "Iedereen aan dek, schnell, schnell!" Ze moesten naar boven langs een smalle ijzeren ladder. Aan dek gekomen keek Alex rond en ontwaarde een passagiersschip. Hij wilde weten wat voor naam het schip had. Speurend zocht hij aandachtig rond. Plots las hij vooraan op de boot: "Cap Arcona". De SS-ers liepen ongeduldig rond en riepen tot de gevangenen: "Zien jullie dat schip daar?" "Ja!", klonk het in koor. "Iedereen aan boord, schnell, schnell!" Ze moesten langs een smalle loopplank naar het schip. Ditmaal werden ze per twaalf naar de kajuiten gebracht, waar slechts één eenpersoonsbed stond. De gevangenen spraken met elkaar af om om beurten in het bed te slapen, dit vonden ze niet zo erg. In vergelijking met het vrachtschip, was dit de hemel op aarde.

Tegen de middag kregen ze één liter soep. De derde dag was reeds voorbij... Plots riep weer een bewaker: "Iedereen aan dek!" "Wat is er nu weer!", dacht Rudy geërgerd, "die SS-ers hebben er al honderd!" Ze gingen met tegenzin weer aan dek... Alex en Rudy keken elkaar ontdaan aan toen ze het vrachtschip naast de Cap Arcona zagen liggen. "Ik denk Rudy!", zei Alex, "dat wij terug naar dat vrachtschip moeten!" De Cap Arcona was een stoomschip van 27.560 bruto registerton, 206 meter lang en 26 meter breed, dat plaats bood aan 2000 passagiers. Maar op de boot verbleven wel 7000 personen en dit was natuurlijk teveel, dus moesten er 2000 terug naar het vrachtschip. De gevangenen protesteerden, maar hoe ze ook smeekten, niets mocht baten, ze werden gedwongen de boot te verlaten. Eén van de gevangenen wilde in geen geval van boord gaan, hij sloop voorzichtig uit de rij en verstopte zich in één van de kajuiten... Degenen die naar het vrachtschip moesten werden vooreerst geteld. En wéér begon de eindeloze telling, steeds opnieuw... "Verdomme, één tekort!" Opnieuw werd er zorgvuldig geteld... Hoe de bewakers hun best deden, het getal klopte niet... Een groene kapo ging op zoek naar de vermiste, de andere bewakers bleven zwaar bewapend bij de overige gevangenen. Na lang zoeken vond hij de gevangene. "Ha, ha, hier heb jij je verstopt!", tierde de kapo nijdig. Woedend dreef hij de arme man met zijn matrak voor zich uit tot hij weer bij de anderen stond. "Hier!", zei hij dreigend, "is je plaats en waag het niet meer om weg te lopen of ik knal je neer, begrepen?" De man durfde zich niet meer bewegen en vond het geraadzaam te blijven staan.

Door een luidspreker riep een SS-er nors: "Op dit schip zitten teveel gevangenen, daarom moeten jullie terug op de Athen, schnell, schnell!" En zoals steeds moest wéér alles in ijltempo gebeuren. Toen Rudy weer in de laadruimte kwam werd hij duizelig van de verpestende lijkengeur. Martin die naast Rudy was komen staan zei moedeloos: "Wij komen hier nooit levend uit!" "Zolang er leven is, is er hoop, je mag de moed nooit verliezen!" "Jij hebt goed praten, maar intussen zitten wij hier in die rotgeur opgesloten!" "Och Martin, hou toch de moed erin, wij moeten deze hel overleven, zodat wij later alles kunnen vertellen wat die nazi's met ons gedaan hebben!" Twee dagen zaten de gevangenen reeds in het schip...

Die dag, het was 3 mei 1945. Eindelijk was er een keerpunt... "Kijk!", riep opeens de kapitein angstig, "hijs de witte vlag, anders denken die Engelsen dat wij de vijand zijn!" Eén van de Engelsen zag vanuit zijn vliegtuig de vlag wapperen en riep: "Kijk!", terwijl hij naar de vliegtuigen wees, “hijs vlug de witte vlag, vlug, vlug” Eén van de Engelsen zag de vlag wapperen en riep: "Geen bommen gooien op dit vrachtschip, zij hebben de witte vlag gehesen!" Hierdoor bleef de Athen gespaard. In het laadruim van de boot hoorden de gevangenen het geronk van vliegtuigen en hevig geschut... “Het is net of ik kanonnen en mitrailletten hoor, luister!", zei Rudy! Iedereen zweeg, ze concentreerden zich op het geluid. Eén van de gevangenen zei na enkele seconden: "Ja, nu hoor ik het ook, ik hoor ook schieten!" Weer luisterde iedereen, ze hoorden wachtposten over en weer lopen... Eindelijk hield het schieten even op. Een Belgische Kapo liep vlug naar beneden en zei: "Hey mannen, het is nog maar een kwestie van uren, hou vol, de ellende is bijna voorbij, wees zéér stil, ik zal nog vlug de namen van de Belgische overlevenden opschrijven!"

Rudy, Alex en Martin gaven zich als eerste aan, daarna volgden de andere gevangenen. Ondertussen waren de scheepsmotoren stilgevallen, geen van de gevangenen had iets gemerkt. Pierre Pauprez riep door de opening van de laadruimte: "De Engelsen zijn aan land, de oorlog is voorbij, kom allemaal naar boven!" Maar de meeste gevangenen hadden slechts de laatste zin gehoord... "Er is brand!", riepen ze angstig, "wij moeten vlug naar boven!" Een andere gevangene riep: "Het schip is aan het zinken!" Hierdoor ontstond er paniek, ze trokken en sleurden aan elkaars kleren om als eerste het dek te bereiken. Toen allen eindelijk boven waren keken ze verbaasd naar de kade... De Athen lag aan wal.

Toen Alex aan dek was zag hij in de verte de Engelse tanks en troepen in kakikostuums. Nog steeds niet bewust van de toestand zei hij tot Rudy die naast hem was komen staan: "Droom ik, of is het werkelijkheid? Zijn wij nu werkelijk verlost van de jarenlange terreur van die rot-SS-ers?" Rudy keek toch even wantrouwend rond of er nog in de buurt waren. Maar de bemanning had hen overmeesterd. De andere drie schepen "Cap Arcona", de "Tielbeck" en de "Deutsland" waren met brandbommen bestookt, de Engelsen waren in de mening dat het troepenschepen waren. Toen Rudy, Alex en Martin aan wal waren, vonden ze een ton eetwaren... Alex probeerde ze open te breken, maar dat lukte niet. "Kom!", zei Martin, “misschien krijg ik ze wel open.” Met al de kracht die nog in hem zat, zette hij al zijn macht erop en jawel, het lukte. Uitgehongerd keken ze naar de inhoud. Rudy nam een beetje en proefde ervan... "Bah amaai, dat is zout, die kolen zijn niet te eten!" Met spijt keken ze naar de ton en vervolgens met pijn in hun hart naar het passagiersschip "Cap Arcona” dat op zowat vijftienhonderd meter aan het zinken was. Een dikke rookwolk omgaf het brandend wrak. Aan boord waren nog zowat vierduizend gevangenen. Negenentachtig waren er overgebleven. Enkele honderden werden uit het water gered. Ook de “Deutsland” stond in lichterlaaie. De “Tielbeck” was reeds met man en macht gezonken. De kapitein had zich een kogel door zijn hoofd geschoten op de Commandobrug.

Het drietal konden hun tranen niet bedwingen toen ze naar de duizenden doden keken die aan wal aanspoelden. 14.000 politieke gevangenen waren omgekomen, neergeschoten door de SS-ers, verbrand of verdronken. Nergens in Duitsland vond de oorlog zo een gruwelijk en bloedig einde dan in Neustader Bocht. De meeste nazi's waren in het passagierschip “Cap Arcona” gebleven. "Kom!", zei Rudy, "het heeft geen zin om hier te staan treuren, zullen wij in de richting van het stadscentrum gaan?" "Ja dat is een goed idee!", antwoordden Alex en Martin tegelijk. Zwijgend gingen ze op weg, ze dachten aan hun omgekomen vrienden. Achter het drietal liepen de Russen, Polen, Fransen, Grieken enz... Iedereen begon in zijn eigen taal het liedje te zingen: "Its a long way a tiperary, its a long way to go...!" Toen het liedje uit was riepen ze overmoedig: "Wij zijn vrij, vrij!" Gearmd liepen Rudy, Alex en Martin verder. Ze voelden geen vermoeidheid meer, hun gevangeniskleding fladderde om hun uitgemergelde lichamen. Weldra zouden ze bij hun familie zijn...

Ronita Yory (Antwerpen) , ingegeven op 08 april 2008, 13:07

In totaal 5021 maal gelezen | 1 waarderingen

Kan u deze droom waarmaken? Klik hier!

Wil je deze levensdroom delen met een vriend? Klik dan hier!


Heb jij ook een levensdroom? Vertel het ons!

Waardeer deze droom

levensdroom levensdroomlevensdroom levensdroomlevensdroomlevensdroom levensdroomlevensdroomlevensdroomlevensdroom levensdroomlevensdroomlevensdroomlevensdroomlevensdroom

Ik heb ook deze droom (0)

Geen inzendingen



Reacties (0)

Geen inzendingen



Voor de auteur:

Droom tegen de regels? Reactie tegen de regels? Meld het ons op: levensdroomabuse@SeniorenNet.be

E-mail deze pagina | Afdrukken | In favorieten opslaan In favorieten opslaan | Share/Bookmark

Je mening is belangrijk! Was deze pagina nuttig?



Een vraag of een probleem op SeniorenNet?
Kijk dan in het Helpcentrum (klik hier). Als je het daar niet kan vinden, helpen we je via e-mail op support@seniorennet.nl.

Zoek binnen SeniorenNet:

Untitled Document

Poll

Ken je iemand persoonlijk die doof of slechthorend is?