Waar vandaan: Gezond leven > Gezondheid > Longkanker

Longkanker

Algemeen
In 1992 stierven in Nederland 7356 mannen en 1440 vrouwen aan longkanker Bij mannen komt dit overeen met 35% van de kankersterfte, bij vrouwen met 9% (Borstkanker staat op de eerste plaats met een aandeel van 22%). Bij de mannen staat Nederland hiermee op de 3e plaats in de wereld, alleen in Schotland en België ligt de sterfte nog hoger. Nu blijkt gelukkig dat de sterfte bij mannen sinds 1987 over de top heen is maar dat bij vrouwen de sterfte door longkanker toch nog steeds blijft stijgen.

Er bestaan meerdere soorten longkanker, een veel gebruikte indeling hiervan is die van de WHO uit 1981. Hierbij is afgesproken dat onder longkanker alleen tumoren gerekend worden die afkomstig zijn van luchtwegepitheel. Vier veel voorkomende soorten longkanker zijn het plaveiselcelcarcinoom, het kleincellige longcarcinoom, het adenocarcinoom en het grootcellige carcinoom. Bij mannen en vrouwen komen deze typen niet in gelijke mate voor. In 1989 bleek uit onderzoek dat bij de Nederlandse mannen met longkanker 45% een plaveiselcelcarcinoom had, bij vrouwen lag dat op 22.5%. In de loop van tijd bleek dat deze onderverdeling om onduidelijke redenen veranderd is. Recent liet onderzoek bij Engelse longkankerpatiënten zien dat het kleincellig longcarcinoom, dat een slechtere prognose heeft dan de andere soorten, 2 maal zo veel voorkwam bij vrouwen als bij mannen (bij 34% van de vrouwen tegen 18% van de mannen met longkanker).
De meerderheid van de longkankerpatiënten heeft dit te danken aan roken: van de patiënten rookt(e) ongeveer 90%. Een man die gedurende 20 jaar 2 pakjes per dag rookte, heeft 60-70 keer zoveel kans op longkanker als een niet-roker. Amerikaanse vrouwen hebben in totaal ongeveer 1,5 keer meer kans longkanker te krijgen door roken dan mannen. Ook blijkt dat erfelijke factoren een rol kunnen spelen. Vreemd is dat bij Nederlandse vrouwen relatief weinig longkanker voorkomt. Tussen 1985 en 1989 was de sterfte per 100.000 vrouwen in Nederland 7,8 per 100.000, in de VS 19,2 per 100.000 (waarmee daar de sterfte aan borstkanker dus bijna is geëvenaard). Opvallend was dat vanaf eind jaren '50 tot eind jaren '80 het percentage rooksters in de VS toch steeds 5-10% lager bleek dan in Nederland. Desondanks is in Nederland het aantal vrouwen met longkanker tussen 1951 en 1992 verdrievoudigd.

Symptomen
De klachten van longkanker als gevolg van de tumor zelf zijn: aanhoudend hoesten of een verandering van het hoestpatroon, bloed ophoesten, benauwdheid en obstructiepneumonieen (achter een bronchusstenose).
Als gevolg van groei en/of regionale uitzaaiingen van de tumor kunnen o.m. de volgende gebieden worden aangetast:

  • Intrathoracale zenuwen
    • De (linker) nervus recurrens die gedeeltelijk vlakbij de borstholte loopt en weer terug omhoog gaat naar o.a. spieren voor de linker stemband. Heesheid kan een gevolg zijn.
    • Ingroei in de n. phrenicus waardoor aan een kant het middenrif verlamd raakt. Een al bestaande kortademigheid zal hierdoor verergeren.
    • Als de tumor in een longtop ligt, kan hij nabij gelegen zenuwen aantasten: schouderpijn met uitstraling in het verloop van de n. ulnaris. Bij aantasting van de halssympaticus kan het syndroom van Horner ontstaan.
  • Hart en bloedvaten
    • Ingroei of compressie van de v. cava superior kan leiden tot het v. cava superior syndroom: zwelling van hoofd, hals en armen door stuwing.
    • Ingroei in het hartzakje (pericard) en verder waardoor hartproblemen kunnen ontstaan (ritmestoornissen, tamponade, decompensatie).
  • Slokdarm
    • Ingroei of compressie met slikstoornissen als gevolg.
  • Thoraxwand
    • Door het aanvreten van ribben kunnen pijn en zwelling van de thoraxwand ontstaan.
Door uitzaaiingen naar andere delen van het lichaam ontstaan ter plekke ook klachten. Bekend zijn aantasting van bot, lever, hersenen en lymfklieren. Bij longkanker kunnen ook z.g.n. para-neoplastische syndromen optreden, vooral bij het kleincellige bronchuscarcinoom. Veel voorkomend zijn trommelstokvingers, syndroom van Cushing (tumor produceert ACTH) en het inapropriate ADH-secretion syndrome. Soms presenteren patiënten zich bij de arts met de gevolgen van hormoonproductie door een longtumor die nog niet gevonden is.

Voor het stellen van de diagnose is onderzoek van tumorweefsel/cellen nodig. Onderzoeken die ook gebruikt kunnen worden voor de stadiering zijn de CT-scan of andere soorten scans, mediastinoscopie, bronchoscopie etc. Het laatst genoemde onderzoek is heel geschikt om tumorweefsel mee te verkrijgen.

Behandeling
Voor de behandeling wordt onderscheid gemaakt tussen het kleincellige en niet-kleincellige carcinoom. Voor de stadiering van de longkanker wordt het TNM systeem gebruikt: Tumor, Node, Metastasis = tumor, lymfklier, uitzaaiingen. Bijvoorbeeld: T2 staat hier voor een tumor groter dan 3 cm, N1 betekent dat er uitzaaiingen zijn in de lymfklieren die vlakbij liggen (bijv. in de hilus aan de kant van de tumor), M1 betekent dat er uitzaaiingen op afstand zijn. In het kort T2N1M1. Hiernaast zijn nog zgn. stadia in gebruik, bv. T1 of T2 en N0M0 staat voor stadium 1, T1 of T2 en N1M0 is stadium 2 enz. Bij de kleincellige longcarcinomen wordt voor de keuze van de behandeling ook wel onderscheid gemaakt tussen 'limited stage disease en 'extensive stage disease', afhankelijk van de mate van uitbreiding van de tumor.
Bij 1 op de 3 patiënten heeft de niet-kleincellige tumor zich nog niet verspreid en kan deze door de chirurg worden verwijderd. Hierbij wordt de gehele long weggenomen. Bij andere stadia kan chemotherapie en/of radiotherapie voor of juist na een operatie worden gegeven. De keus wordt gemaakt aan de hand van de stadiering. De stadiering blijkt van groot belang te zijn.

Het kleincellige carcinoom is gevoeliger voor chemotherapie dan de andere vormen. Chirurgische behandeling komt weinig voor. Ook bij het kleincellige longcarcinoom kan radiotherapie worden gegeven.

Prognose
Patiënten met een niet-kleincellig carcinoom in stadium 1 hebben een 5-jaars overleving van 30-60% indien de tumor goed te verwijderen is. Bij de 70% van de patiënten waarbij dit niet mogelijk is, wordt de prognose slechter. Bij het kleincellige carcinoom is de prognose nog slechter: ondanks een goede initiële reactie op behandeling blijkt uiteindelijk dat 5 jaar later rond 90% van de patiënten al overleden zijn, meestal al snel na het stellen van de diagnose: onbehandeld overleeft de patiënt gemiddeld 6-17 weken, na behandeling met chemotherapie wordt dit 40-70 weken. In de jaren '60 was de 5 jaarsoverleving van alle longkankerpatiënten ca. 8%, tegenwoordig ligt die rond 14%. Ondanks de vooruitgang blijft het dus een ziekte met meestal een slechte prognose.

Preventie
NIET ROKEN! Omdat stoppen met roken moeilijk is, is het van groot belang dat je er niet aan begint. Ook tijdens de behandeling is het van belang om niet te roken. Tot nu toe is er geen effectieve screeningsmethode gevonden voor bevolkingsonderzoek. Ook sputumonderzoek bij zware rokers bleek geen gunstig effect op de sterfte door longkanker te hebben. Misschien dat regelmatige controle dmv foto's bij een aantal risicogroepen wel zinvol is. Dit is nog in onderzoek.

Bron: Stichting Care Net


E-mail deze pagina | Afdrukken | In favorieten opslaan In favorieten opslaan | Share/Bookmark

Je mening is belangrijk! Was deze pagina nuttig?



Een vraag of een probleem op SeniorenNet?
Kijk dan in het Helpcentrum (klik hier). Als je het daar niet kan vinden, helpen we je via e-mail op support@seniorennet.nl.

Zoek binnen SeniorenNet:

Untitled Document

Poll

U heeft voor internet het liefste: