Waar vandaan: Gezond leven > Gezondheid > Hersentumor

Hersentumor

Inleiding

Dit artikel is in de eerste plaats bedoeld voor patiënten die onderzocht of behandeld worden vanwege een hersentumor. Wanneer iemand met zo'n aandoening te maken krijgt, is dat zeer ingrijpend. Patiënten zijn vaak ongerust over verschijnselen die bij een hersentumor kunnen optreden, zoals problemen met lopen of spreken. Ook leeft de vraag of de ziekte invloed zal hebben op het denkvermogen en de emoties. De meeste patiënten willen dan ook meer weten over hun ziekte.

De onderzoeken en de behandeling die een patiënt worden voorgesteld zijn afgestemd op diens persoonlijke situatie. De behandelend arts en de patiënt zullen daarover samen overleggen. De arts kan daarbij het boekje "Hersentumoren", uitgegeven door het Voorlichtingscentrum Nederlandse Kankerbestrijding, aan de patiënt meegeven.

Er zijn verschillende vormen van hersentumoren. In dit artikel wordt voornamelijk de meest voorkomende hersentumor, het glioom, beschreven. Dit artikel bevat algemene informatie over deze hersentumor, de onderzoeken die kunnen plaatsvinden en de behandelwijze.

Niet alleen voor u, ook voor anderen - bijvoorbeeld familieleden - kan het nuttig zijn dit te lezen. Dat maakt het gemakkelijker samen over de situatie te praten. Hebt u vragen over uw ziekte dan kunt u deze het beste voorleggen aan de behandelend specialist of aan de huisarts. Om bij het gesprek met de arts geen vragen te vergeten is het verstandig deze tevoren op te schrijven.

Wie meer wil weten over een hersentumor of kanker in het algemeen kan ook contact opnemen met een van de voorlichtingscentra die aan het eind van dit artikel staan vermeld.

Wat is kanker?

Een hersentumor is een bepaalde vorm van kanker. In totaal zijn er meer dan honderd verschillende vormen van kanker. De vorm wordt bepaald door de plaats in het lichaam waar de ziekte ontstaat. Elke vorm is een andere ziekte met eigen kenmerken, klachten, behandelmethoden en kansen op genezing. Echter één ding hebben deze ziektes gemeenschappelijk: er is sprake van een ongeremde celdeling.

Wat is celdeling?

Ons lichaam is opgebouwd uit zeer kleine deeltjes, de cellen. Deze cellen zijn alleen te onderscheiden wanneer lichaamsweefsel (bijvoorbeeld een stukje huid) of lichaamsvocht (bijvoorbeeld bloed) onder een microscoop wordt bekeken. Cellen verouderen en kunnen worden beschadigd. Daarom is het nodig dat er, ter vervanging, steeds nieuwe cellen worden gevormd. Deze cellen ontstaan door middel van celdeling. Bij celdeling ontstaan uit één cel twee nieuwe cellen, die zich op hun beurt ook weer delen, enzovoort.

Ongeremde celdeling

Bij kanker is er ook sprake van celdeling. Deze celdeling vindt echter niet plaats omdat daar behoefte aan is. Bij kanker gaan cellen zich zonder noodzaak delen. De cellen die ontstaan hebben bovendien een afwijkende vorm, en kunnen niet goed functioneren. Bij uitbreiding van het aantal kankercellen ontstaat een veelvoud van deze afwijkende cellen. Deze vormen een kwaadaardige tumor. De cellen van zo'n tumor woekeren onbeperkt door en dringen het omringende weefsel binnen. Daar richt de tumor vaak schade aan. Als de tumor groter wordt kan deze druk uitoefenen op het omringende weefsel. Kanker kan ook ontstaan in bepaalde bloedcellen die in het beenmerg worden aangemaakt, of in het lymfestelsel. Een voorbeeld van kanker van bloedcellen is leukemie; een voorbeeld van kanker van het lymfestelsel is de ziekte van Hodgkin. Bij deze ziekten verstoren kankercellen de werking van het bloed en/of de lymfe (weefselvocht).

Uitzaaiingen (metastasen)

Kankercellen kunnen losraken van een tumor en via het bloed en/of lymfe in het lichaam worden verspreid. Op deze wijze kunnen kankercellen op andere plaatsen in het lichaam terechtkomen en aldaar uitgroeien tot nieuwe tumoren. Men spreekt dan van uitzaaiingen. Zo kunnen er ook in de hersenen uitzaaiingen voorkomen, bijvoorbeeld afkomstig van een longtumor. Een tumor die in de hersenen is ontstaan geeft echter vrijwel nooit uitzaaiingen elders in het lichaam.

Goedaardig/kwaadaardig

Naast kwaadaardige (maligne) tumoren komen ook goedaardige (benigne) tumoren voor. Een voorbeeld van zo'n goedaardige tumor is een vetknobbel. Ook hierbij is er sprake van een overmatige deling van cellen, maar deze deling komt op een gegeven moment wel tot stilstand. Ook is er bij een goedaardige tumor geen ingroei in omringend weefsel en treden er geen uitzaaiingen op. Soms is het nodig een goedaardige tumor te verwijderen, bijvoorbeeld als deze klachten veroorzaakt. Gewoonlijk komt de tumor daarna niet meer terug. Alleen bij een kwaadaardige tumor is er sprake van kanker.

De hersenen

De hersenen zijn het centrum van waaruit het functioneren van ons lichaam wordt geregeld. Vanuit de hersenen worden bewegingen gestuurd waardoor wij onder meer kunnen lopen en schrijven. De hersenen stellen ons eveneens in staat om signalen uit onze omgeving waar te nemen zodat wij kunnen zien, horen, ruiken en warmte en koude kunnen voelen. Dankzij het feit dat wij hersenen hebben, kunnen wij denken en spreken. Ook het beleven van emoties staat in verband met het functioneren van de hersenen.

De hersenen vormen samen met het ruggemerg het centrale zenuwstelsel . Daarnaast kennen we het perifere (buiten het centrale deel gelegen) zenuwstelsel. Dit omvat de overige zenuwen in het lichaam.

De hersenen worden door een stevige schedel beschermd. Binnen de hersenen onderscheidt men de grote en kleine hersenen en de hersenstam. De verschillende hersendelen liggen in ruimten gevuld met vocht. Om goed te kunnen functioneren worden de hersenen rijkelijk van bloed voorzien.

De grote hersenen zijn in twee helften verdeeld. Die helften zijn elkaars spiegelbeeld: de rechter helft van de hersenen bestuurt de linker kant van het lichaam; de linker helft de rechter kant van het lichaam. Bij de meeste mensen is in de linker helft het gebied voor taal en spraak gelegen.
De kleine hersenen zorgen voor het sturen en het coördineren van onze bewegingen.

Zenuwcellen

Net als elk ander orgaan zijn de hersenen opgebouwd uit cellen. Globaal kunnen we in de hersenen twee soorten cellen onderscheiden: de steuncellen en de zenuwcellen. De zenuwcellen hebben lange uitlopers waardoor ze met elkaar in verbinding staan. Overal in het lichaam bevinden zich uitlopers van zenuwcellen. Deze uitlopers brengen signalen (prikkels) van en naar de hersenen en het ruggemerg over. In de hersenen vormen zenuwcellen groepen. Deze hebben een speciale taak in het functioneren van het lichaam.

Er zijn een aantal gebieden in de hersenen waar zich bepaalde groepen zenuwcellen bevinden. Zo'n gebied noemt men ook wel een centrum voor een speciale taak. De verschillende groepen zenuwcellen staan met elkaar in verbinding. Daardoor zijn ingewikkelde processen mogelijk zoals lopen, spreken en denken. Het aantal zenuwcellen bij de mens bedraagt 10 tot de macht 12 = 1.000.000.000.000. Als wij daarvan een aantal missen hoeft dit niet tot een vermindering in het dagelijks functioneren te leiden.

Hersentumoren

Binnen de schedel kunnen verschillende soorten tumoren voorkomen. Een eerste onderscheid betreft het weefsel waaruit een hersentumor is ontstaan. Er kan sprake zijn van:

- een intracerebrale tumor
- een extracerebrale tumor

Intracerebraal wil zeggen in het eigenlijke hersenweefsel. Extracerebraal betekent, ontstaan uit ander weefsel, maar wel binnen de schedel gelegen. Zo'n tumor kan wel op de hersenen drukken. Een voorbeeld van een extracerebrale tumor is het meningeoom, een tumor die ontstaat in de hersenvliezen. Intracerebrale tumoren komen in verhouding meer voor dan extracerebrale tumoren.

Intracerebrale tumoren

Bij de intracerebrale tumoren wordt ook nog onderscheid gemaakt tussen:

- een primaire tumor
- een secundaire tumor

Een primaire tumor is een tumor die in de cellen van het hersenweefsel zelf is ontstaan. Vaak ontwikkelt een dergelijke tumor zich uit de steuncellen in het hersenweefsel, de zogeheten gliacellen. Zo'n hersentumor noemt men een glioom. Dit is de meeste voorkomende hersentumor. Andere, meer zeldzame hersentumoren zijn ependymomen en medulloblastomen.

Een secundaire tumor is een uitzaaiing van een tumor elders in het lichaam. Via het bloed zijn cellen, afkomstig van bijvoorbeeld een tumor in een borst of een long, terechtgekomen in de hersenen en daar uitgegroeid tot een uitzaaiing. We spreken dan ook wel over een hersenmetastase. Dit artikel gaat over het glioom, een primaire, intracerebrale hersentumor.

Het glioom

Een hersentumor verschilt van een tumor elders in het lichaam doordat er vaak niet zo goed een scherpe verdeling is te maken in goed- en kwaadaardig. Dit geldt ook voor een glioom. De mate van kwaadaardigheid van een glioom wordt uitgedrukt in gradaties van de ziekte. Bij graad I of II spreekt men van een laaggradig glioom. Een glioom in graad III of IV wordt hooggradig genoemd.

Een laaggradig glioom groeit langzaam. Daarom wordt deze soms 'betrekkelijk goedaardig' genoemd. Maar in tegenstelling tot een goedaardige tumor is een laaggradig glioom niet scherp begrensd: de tumorcellen bevinden zich tussen de gezonde zenuwcellen in en kunnen hiervan niet goed worden afgegrensd. In de meeste gevallen is zo'n tumor niet in zijn geheel operatief te verwijderen. Bij totale verwijdering van de tumor zou dan teveel schade moeten worden toegebracht. De kans is dus aanwezig dat de tumor na verloop van tijd weer aangroeit.

Een hooggradig glioom gedraagt zich snel als een 'echte' kwaadaardige tumor: de groei is snel en ongeremd. In tegenstelling tot de meeste kwaadaardige tumoren die elders in het lichaam kunnen voorkomen, zaait een glioom vrijwel nooit uit naar andere organen. Elk jaar wordt in Nederland bij een paarduizend mensen een hersentumor vastgesteld. Het laaggradig glioom treedt wat meer op bij mensen tussen de 20 en 40 jaar. Het hooggradig glioom komt iets meer voor boven de 40 jaar.

Over de oorzaken van het ontstaan van een glioom is eigenlijk nog niets bekend, al zijn er de laatste jaren aanwijzingen dat mogelijk afwijkingen in het erfelijk materiaal een rol kunnen spelen.

Verschijnselen

De verschijnselen die optreden als gevolg van een hersentumor zijn sterk afhankelijk van het gebied in de hersenen waar de tumor is ontstaan. De diverse verschijnselen zijn in drie groepen in te delen, namelijk:

- uitvalsverschijnselen
- epilepsie
- verschijnselen als gevolg van druktoename binnen de schedel

Uitvalsverschijnselen

Als een tumor op het omringende hersenweefsel drukt, kan dit weefsel plaatselijk minder goed functioneren. Het gevolg is dat er uitvalsverschijnselen optreden: het lichamelijk of geestelijk functioneren is voor een deel verstoord. Bijvoorbeeld, bij een tumor in de buurt van zenuwcellen die de bewegingen sturen, kunnen verlammingsverschijnselen optreden. Soms zijn deze zo gering dat zij niet meteen als verlammingsverschijnselen worden ervaren. De patiënt merkt bijvoorbeeld dat hij moeite heeft om zijn vork te hanteren of knoopjes van een overhemd te sluiten. Bij mensen die rechtshandig zijn (en in de helft van de gevallen bij linkshandigen), ligt het centrum voor taal en spraak in de linker grote hersenhelft. Een tumor in deze hersenhelft kan dan als eerste verschijnsel taalproblemen geven. Iemand merkt dan hij niet op bepaalde woorden kan komen of dat hij bepaalde woorden verkeerd uitspreekt. Bij een aantal patiënten treden als gevolg van een hersentumor gedragsveranderingen op. Zij gedragen zich anders dan men altijd van hen gewend was. Sommige patiënten reageren trager, andere zijn sneller geïrriteerd. Ook komen vaker schommelingen in de stemming voor. Voor sommige patiënten wordt het moeilijker om bepaalde dingen te begrijpen.

Epilepsie

Een ander verschijnsel dat bij een hersentumor kan optreden is een 'toeval'. Toevallen worden aangeduid met de term "epilepsie". Zo'n toeval wordt veroorzaakt door irritatie van de zenuwcellen in het hersenweefsel. Het komt nogal eens voor dat zo'n epileptische toeval de eerste uiting is van een hersentumor. Er kunnen zich verschillende soorten toevallen voordoen. Soms is de toeval beperkt tot schokjes in een hand of tot een kortdurende "afwezigheid". Maar de patiënt kan ook worden getroffen door plotseling optredende bewusteloosheid die gepaard gaat met heftige schokken van armen en benen. Bij zo'n toeval is het niet ongebruikelijk dat de patiënt urine laat lopen en op de tong bijt. Omstanders die dit meemaken reageren vaak heel erg geschrokken en raken soms in paniek. Een dergelijke toeval gaat echter altijd vanzelf weer over.

Druktoename binnen de schedel

Een derde groep van verschijnselen waarmee een hersentumor zich kan manifesteren is het gevoel van druktoename binnen de schedel. We kunnen ons de schedel voorstellen als een bijna geheel gesloten doos. Daarin bevinden zich de hersenen en een bepaalde hoeveelheid hersenvocht en bloed. Wanneer de inhoud van de schedel toeneemt, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een tumor, neemt ook de druk binnen de schedel toe. Daarnaast kan zich in het hersenweefsel rondom de tumor vocht gaan ophopen. Dit vocht noemt men oedeem. Zo'n vochtophoping draagt eveneens bij tot een toename van de schedelinhoud waardoor de druk binnen de schedel oploopt. De druk binnen de schedel kan ook toenemen doordat een tumor doorstroming van het hersenvocht blokkeert. Dit veroorzaakt dan een snelle druktoename binnen de schedel.

Bij druktoename kan een aantal verschijnselen optreden. Zo kan een patiënt last krijgen van een aanhoudende hoofdpijn. Soms gaat de hoofdpijn gepaard met braken. Als de druk sterk toeneemt kan de patiënt suf worden. In uitzonderingsgevallen gaat de patiënt ook wazig zien doordat er druk op de oogzenuwen ontstaat. Bovengenoemde verschijnselen kunnen ook optreden bij andere aandoeningen dan een hersentumor.

Als iemand een of meer van bovengenoemde klachten heeft, is het goed daarmee naar de huisarts te gaan en te laten uitzoeken wat er precies aan de hand is. Daarbij moeten we bedenken dat een klacht als hoofdpijn veel voorkomt en meestal niet wordt veroorzaakt door een hersentumor.

Onderzoek

De huisarts kan op grond van de klachten van een patiënt vermoeden dat er sprake is van een aandoening van het zenuwstelsel, waarvoor verder onderzoek nodig is. De patiënt wordt dan verwezen naar een specialist op dit gebied, een neuroloog. Bij het eerste onderzoek zal deze specialist de patiënt eerst vragen naar zijn klachten. Daarna volgt een lichamelijk onderzoek, het zogeheten 'neurologisch onderzoek'.

Wanneer de arts vermoedt dat de klachten verband houden met een hersentumor wordt tegenwoordig altijd eerst een computer-tomogram (CT-scan) van de hersenen gemaakt. Naast dit onderzoek kan een MRI (Magnetic Resonance Imaging) plaatsvinden. In sommige ziekenhuizen is het gebruikelijk dat er een EEG (Electro Encefalo Gram) wordt gemaakt. Hieronder kunt u meer lezen over de genoemde onderzoeken.

Neurologisch onderzoek
Tijdens dit lichamelijk onderzoek beoordeelt de arts welke lichaamsfuncties wel of niet in orde zijn zoals de spraak, het gezichtsvermogen, het evenwicht, de kracht van de ledematen en het vermogen om gevoelsprikkels waar te nemen. Het neurologisch onderzoek kan in sommige gevallen aanwijzingen geven over de mogelijke aanwezigheid en plaats van een hersentumor.

Computer-tomografie (CT-scan)
Een computertomograaf is een apparaat waarmee men centimeter voor centimeter zeer gedetailleerde foto's van het lichaam kan maken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van röntgenstraling en een computer. Het apparaat heeft een opening waar men, liggend op een beweegbare tafel, doorheen wordt geschoven. Er wordt dan een serie foto's gemaakt terwijl de tafel telkens een stukje opschuift. Deze foto's geven een duidelijk beeld van de plaats, grootte en uitbreiding van een mogelijke tumor in de hersenen. Na een eerste serie opnamen kunnen aanvullende foto's nodig zijn. De patiënt krijgt dan, via een ader in de arm, een contrastvloeistof ingespoten. Deze inspuiting geeft vaak even een warm gevoel en soms misselijkheid. Een CT-scan is weinig belastend en duurt in totaal 20 tot 30 minuten.

MRI
Naast een CT-scan wordt bij patiënten bij wie het vermoeden van een hersentumor bestaat soms ook een MRI uitgevoerd. De apparatuur voor dit onderzoek is in een beperkt aantal ziekenhuizen aanwezig. Bij deze onderzoektechniek maakt men gebruik van magneetvelden en van straling met de sterkte van radiogolven (geen röntgenstraling). De patiënt komt in een sterk magneetveld te liggen. Vervolgens worden radiogolven op het te onderzoeken deel van het lichaam gericht. Het lichaam weerkaatst deze radiogolven. Dit noemt men resonantie. De verschillende soorten cellen waaruit het weefsel is opgebouwd weerkaatsen de radiogolven elk op een andere manier. Zo ontstaat een patroon van signalen. Deze worden door een computer verwerkt en omgezet in een afbeelding. Op die manier krijgt men foto's, zonder gebruik te maken van röntgenstraling. In sommige gevallen is bij dit onderzoek toediening van een contrastvloeistof nodig. De patiënt merkt niets bijzonders van het onderzoek. Een MRI duurt ongeveer een uur. In verband met het gebruik van magneetvelden is dit onderzoek niet geschikt voor patiënten met een pacemaker en/of inwendige gehoorprothese.

EEG
Een EEG verschaft de arts informatie over het functioneren van delen van de hersenen. Bij een gestoorde functie, vooral wanneer een patiënt last heeft van toevallen, kan het EEG afwijkend zijn. Voor dit onderzoek krijgt de patiënt een twintigtal metalen plaatjes (elektroden) op het hoofd geplakt. Deze elektroden meten kleine elektrische spanningen aan de hoofdhuid. Die spanningen zijn afkomstig van elektrische stroompjes waarmee zenuwcellen in de hersenen met elkaar in verbinding staan. Via een versterker maakt men de verschillen in elektrische spanning zichtbaar op bewegend grafiekpapier. Deze registratie neemt 20 tot 30 minuten in beslag. Het totale onderzoek vergt 45 tot 60 minuten.

Verder onderzoek

De hiervoor genoemde onderzoeken zijn in de eerste plaats bedoeld om uit te maken of er sprake is van een hersentumor of van een andere aandoening van de hersenen. Op grond van deze onderzoeken kunnen de artsen tot de conclusie komen dat de klachten van de patiënt zeer waarschijnlijk een gevolg zijn van een hersentumor. Om de diagnose definitief te kunnen stellen is onderzoek van het tumorweefsel nodig. Het verwijderen van een stukje weefsel heet een biopsie. De specialist die deze ingreep verricht is een neurochirurg, een chirurg gespecialiseerd in operaties van het zenuwstelsel. Een andere specialist, een patholoog-anatoom, bekijkt het weefsel daarna onder de microscoop. Aan de hand van afwijkingen in de cellen kan deze arts de aard van de aandoening bepalen.

Bij patiënten met een hersentumor kan men het weefsel wegnemen via een craniotomie (openen van de schedel), al of niet stereotactisch. Welke ingreep plaatsvindt is onder meer afhankelijk van de verwachting of de tumor een laag- of hooggradig glioom is. Daarnaast speelt ook de ervaring van de specialist met deze ingrepen een rol. Bij een stereotactische biopsie wordt een kleine opening in de schedel gemaakt. Bij een craniotomie is de opening wat groter. Voorafgaand aan deze ingrepen kan een speciaal röntgenonderzoek, een angiografie, plaatsvinden. Voor genoemde onderzoeken is opname in het ziekenhuis noodzakelijk. Hoe deze onderzoeken verlopen kunt u hierna lezen.

Angiografie
Voorafgaand aan een stereotactische biopsie of een craniotomie wordt soms nog een angiografie verricht. Dit is een röntgenonderzoek waarbij de bloedvaten in het hoofd worden afgebeeld. Op de röntgenfoto's ziet de arts, hoe de tumor precies ligt ten opzichte van de bloedvaten, en of er afwijkingen aan de bloedvaten zijn. Ook blijkt uit dit onderzoek soms om welke soort tumor het gaat. Aan het begin van het onderzoek brengt de radioloog in de liesslagader van de patiënt een catheter (=dun slangetje) in. Hiervoor gebruikt hij een speciale, holle naald waar de catheter doorheen wordt geschoven. Via de aorta (lichaamsslagader) komt de catheter in de halsslagader. Wanneer de punt van de catheter op de juiste plaats in de slagader ligt, krijgt de patiënt een contrastvloeistof ingespoten. Dit geeft een kortdurend, soms onaangenaam gevoel van warmte in het hoofd. Terwijl de contrastvloeistof door de bloedvaten van het hoofd stroomt, worden snel achter elkaar foto's gemaakt. Dit gaat met nogal wat lawaai van het röntgenapparaat gepaard. Het totale onderzoek duurt ongeveer 1 tot 1,5 uur.

Stereotactische biopsie
Bij een stereotactische biopsie neemt de neurochirurg niet de gehele tumor maar een stukje tumorweefsel weg voor microscopisch onderzoek. Het onderzoek gebeurt meestal onder narcose. Een stereotactische biopsie wil zeggen dat het tumorweefsel wordt verwijderd nadat met een speciaal meetinstrument precies de plaats voor deze ingreep is berekend. Bij dit onderzoek krijgt de patiënt dan ook een soort frame om het hoofd geklemd. Hierop is een centimeterverdeling aangebracht. Met dit frame om worden met een CT- of MRI-scanner foto's gemaakt. Aangezien het frame ook op de foto's is afgebeeld, kan de arts precies berekenen waar de naald voor de biopsie moet worden ingebracht. Vervolgens wordt een gaatje in de schedel gemaakt. Via dit gaatje neemt de arts met een holle naald wat tumorweefsel weg. Het onderzoek is in de regel niet erg belastend. Vaak kan de patiënt de volgende dag weer naar huis.

Craniotomie
Onder craniotomie verstaat men het openen van de schedel. De ingreep vindt plaats onder narcose. Voor deze operatie wordt het hoofd of een deel ervan kaalgeschoren. Bij een craniotomie maakt de neurochirurg een luikje in de schedel. Via deze opening verloopt de verdere operatie. De specialist neemt soms alleen een stukje tumorweefsel weg voor het microscopisch onderzoek. In de meeste gevallen echter verwijdert de neurochirurg zoveel mogelijk tumorweefsel. De ingreep is dan niet alleen bedoeld om weefsel te verwijderen voor onderzoek maar is tevens een behandeling. Na beëindiging van de operatie wordt het luikje weer in de schedel teruggeplaatst. Na de operatie verblijft de patiënt een of meer nacht op de intensive-care afdeling. Wanneer er na de operatie geen complicaties optreden kan de patiënt vaak binnen twee weken weer naar huis. Langere ziekenhuisopname kan echter nodig zijn met vervolgbehandelingen (zie verder).


Behandeling

Als uit het weefselonderzoek bekend is of er sprake is van een glioom of van een andere hersentumor bekijken de betrokken artsen of en zo ja, welke (verdere) behandeling zinvol is. Het advies van de artsen is gebaseerd op het type tumor en op de leeftijd en de gezondheidstoestand van de patiënt. Zo is bijvoorbeeld een operatie niet mogelijk als de tumor erg diep in de hersenen is gelegen of in een deel van de hersenen dat voor het functioneren van een patiënt heel belangrijk is

Bij een laaggradig glioom kunnen artsen tot de conclusie komen dat de patiënt voorlopig beter kan afwachten hoe een en ander verloopt. Een laaggradig glioom groeit vaak zeer langzaam. Dat kan betekenen dat de tumor zich soms jarenlang nauwelijks uitbreidt. Mede doordat uitzaaiingen bij een glioom vrijwel niet optreden is het voor een aantal patiënten verantwoord om af te wachten. De patiënt blijft dan natuurlijk wel onder controle. Met regelmaat is een CT-scan of MRI nodig om te bepalen of de tumor groter is geworden. Op een gegeven moment kan alsnog een behandeling nodig zijn.

Wanneer de artsen tot de conclusie komen dat een behandeling mogelijk en zinvol is, kan deze bestaan uit:

- een operatie, gevolgd door bestraling (radiotherapie)

- alleen een bestralingsbehandeling

Chemotherapie, de behandeling met medicijnen die de celdeling remmen (cytostatica), wordt tot nu toe bij patiënten met een hersentumor slechts op zeer beperkte schaal toegepast. De behandeling is zeer belastend, en tot nu toe zijn de resultaten ervan zeer teleurstellend.


Operatie

Na de eerder beschreven craniotomie verwijdert de neurochirurg zoveel mogelijk tumorweefsel. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van een operatiemicroscoop en van speciale apparatuur om de tumor zo radicaal mogelijk te verwijderen. In de praktijk blijkt echter totale verwijdering van de tumor bijna nooit mogelijk. De moeilijkheid is dat de grens tussen tumorweefsel en gezond hersenweefsel zelden precies is vast te stellen. De neurochirurg kan echter niet een grote hoeveelheid, op het oog gezond, hersenweefsel verwijderen om meer zekerheid te hebben dat al het tumorweefsel weg is. Dit zou ernstige en onaanvaardbare risico's voor het functioneren van een patiënt met zich meebrengen. Vandaar dat meestal slechts een gedeelte van de tumor kan worden verwijderd.
Na de operatie kan een bestralingskuur nodig zijn om zoveel mogelijk achtergebleven tumorcellen te verwijderen. Het is overigens voor het verdere beloop niet van essentieel belang of nu echt alles eruit is, of dat mogelijk een restje is achtergebleven.

Bestraling

Bestraling kan worden gegeven als aanvullende behandeling na een operatie of als enige behandeling. Voor de manier van bestralen maakt dit geen wezenlijk verschil. Bestraling beschadigt tumorcellen. Die herstellen zich daarna moeilijk, zodat totale of gedeeltelijke vernietiging van de tumor of van de achtergebleven tumorcellen (het tumorrestant) het gevolg is. Straling tast ook de omringende cellen aan. Deze herstellen zich meestal wel.

Bestraling kan op twee manieren worden gegeven, namelijk uitwendig en inwendig.

Uitwendige bestraling
Patiënten die worden behandeld vanwege een hersentumor krijgen meestal een uitwendige bestraling. De straling komt dan uit een toestel en dringt van buitenaf in de tumor door. Aangezien een hersentumor meestal niet scherp is begrensd en tumorcellen zich tussen gezonde zenuwcellen kunnen bevinden, wordt vaak eerst een betrekkelijk groot gebied bestraald. Na een aantal bestralingen kan men het bestralingsgebied verkleinen. Dit gebeurt om beschadiging van gezond hersenweefsel te beperken. Elke keer moet precies hetzelfde gebied worden bestraald. Daarom moet de patiënt tijdens de bestraling het hoofd goed stil houden. Omdat dit niet eenvoudig is krijgt de patiënt soms een masker. Daarvoor wordt zonodig een afdruk van het hoofd en de hals gemaakt. Als de patiënt op de bestralingstafel ligt, legt de laborant(e) het masker over diens hoofd en bevestigt het aan de tafel. Op dit masker is ook het bestralingsgebied aangetekend. De totale hoeveelheid (=dosis) straling wordt voor iedere patiënt afzonderlijk vastgesteld. Daarbij houdt de radiotherapeut (bestralingsarts) onder meer rekening met het type glioom, de leeftijd en de algemene conditie van de patiënt. De totale dosis verdeelt men meestal over een groot aantal bestralingen. Alle bestralingen te zamen vormen de bestralingskuur. De periode waarin de bestralingskuur plaatsvindt varieert meestal van 6 tot 8 weken. In die tijd gaat de patiënt 4 à 5 keer per week naar de bestralingsafdeling. De behandeling zelf neemt per keer niet veel tijd in beslag. In sommige gevallen duurt de bestralingskuur korter, namelijk enkele weken. Dan wordt de patiënt verscheidene keren op een dag bestraald of duren de afzonderlijke bestralingen langer. De bestraling kan vrijwel altijd poliklinisch plaatsvinden.

Inwendige bestraling
Een nieuwe ontwikkeling in de bestralingsbehandeling bij hersentumoren is de inwendige bestraling. De patiënt krijgt daarbij radioactief materiaal in de tumor geplaatst. Deze vorm van bestraling biedt mogelijkheden om ook een dieper gelegen glioom te behandelen. Deze behandeling wordt in Nederland op beperkte schaal in een aantal ziekenhuizen toegepast.

Bijwerkingen

In het algemeen hebben patiënten gedurende de bestralingskuur last van vermoeidheid en voelt men zich nogal eens niet lekker. Patiënten omschrijven dit als een soort grieperigheid. Minder eetlust en misselijkheid komen ook voor. Na beëindiging van de bestralingskuur verdwijnen deze verschijnselen geleidelijk. Patiënten die aan het begin van de bestralingskuur hun haar nog hebben, krijgen na twee tot drie weken, dus nog tijdens hun kuur, te maken met haaruitval. Als de patiënt aan het begin van de bestralingskuur een pruik of haarstukje bestelt kan dit klaar zijn als de haaruitval optreedt. Meestal is de haaruitval tijdelijk, soms echter blijvend. Dit heeft onder meer te maken met de dosis straling die de patiënt op het hoofd heeft gekregen. Afhankelijk van het bestralingsgebied kan een patiënt oog- of oorklachten krijgen. Meestal gaan deze klachten na de bestralingskuur weer over. Voor patiënten die meer willen weten over bestraling heeft de Nederlande Kankerbestrijding de brochure 'Radiotherapie" uitgegeven.


Chemotherapie

Chemotherapie is als behandelmethode bij hersentumoren nog in ontwikkeling. Patiënten krijgen deze behandeling dan ook voornamelijk als zij deelnemen aan een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijke waarde van de medicijnen, de zogeheten cytostatica. Deze medicijnen worden via het bloed toegediend. Een van de moeilijkheden bij deze behandeling is dat de medicijnen vanuit de bloedbaan slecht in de hersenen doordringen. Het resultaat van behandeling met cytostatica probeert men ondermeer te verbeteren door gebruik te maken van nieuwe toedieningstechnieken. Wat men als patiënt van chemotherapie mag verwachten, is afhankelijk van resultaten van mogelijk eerder uitgevoerde onderzoeken. Aangezien de situatie van patiënt tot patiënt kan verschillen, kan dit het beste in het persoonlijk contact van de patiënt met de behandelend arts worden besproken. Tot dusver zijn de resultaten tamelijk teleurstellend.


Aanvullende behandeling

Na een operatie en/of bestralingskuur kan een patiënt nog bepaalde klachten hebben waarvoor medicijnen worden gegeven. De meest voorkomende klachten worden hierna beschreven.

Oedeemvorming
In het hoofdstuk Verschijnselen hebt u kunnen lezen dat zich rond een tumor vocht kan ophopen. Men noemt dit oedeemvorming. Een operatie en ook bestraling bevorderen oedeemvorming en dientengevolge is er toename van druk binnen de schedel. Daarom krijgen vrijwel alle patiënten na de operatie en/of tijdens de bestraling medicijnen om dit verschijnsel tegen te gaan. Dit zijn zogeheten corticosteroïden of bijnierschorshormonen. Deze medicijnen geven echter ook bijwerkingen waaronder kalkverlies van de botten, verhoging van de bloeddruk en veranderingen van de suikerstofwisseling. Bij langdurig gebruik kan er ook een verandering van het uiterlijk optreden. Dit laatste houdt in de patiënten een opgeblazen gezicht kunnen krijgen. Dit noemt men een 'vollemaansgezicht'. Enige tijd na de operatie of na afloop van de bestraling kan de patiënt meestal geleidelijk minder medicijnen gaan gebruiken en uiteindelijk hiermee stoppen. Als na verloop van tijd weer klachten zouden optreden die het gevolg zijn van oedeemvorming, kan de arts opnieuw medicijnen voorschrijven.

Epilepsie
In sommige gevallen kunnen na een operatie epileptische toevallen gemakkelijker optreden. Dat hoeft niet te betekenen dat de tumor opnieuw groeit. Dikwijls blijft het hersenweefsel zogeheten 'epileptische activiteit' produceren. De neiging tot het krijgen van toevallen blijft hierdoor bestaan. Sommige artsen schrijven patiënten na een operatie uit voorzorg medicijnen tegen epilepsie voor. Andere artsen schrijven deze medicijnen voor op het moment dat een patiënt (weer) last krijgt van toevallen.

Verloop

Het is gebruikelijk dat patiënten die geopereerd en/of bestraald zijn vanwege een hersentumor, hun verdere leven onder controle blijven van de specialist.

Controle

Van tijd tot tijd wordt bij de controle ook een CT-scan en soms een EEG gemaakt. Bij patiënten die medicijnen tegen epileptische toevallen gebruiken wordt met regelmaat het bloed gecontroleerd. Dit om te beoordelen of het lichaam de medicijnen goed verdraagt en eventueel ook om de concentratie van het medicijn in het bloed te bepalen. Wanneer er opnieuw tekenen van aangroei van de tumor zijn kan de specialist opnieuw medicijnen voorschrijven voor de klachten die optreden door oedeemvorming. In sommige gevallen kan de specialist bij nieuwe klachten tot de conclusie komen dat een tweede operatie nodig is. Een tweede keer bestralen is echter niet mogelijk.

Levensverwachting

Voor patiënten met een glioom is de levensverwachting zeer uiteenlopend. Dit heeft vooral te maken met de mate van kwaadaardigheid van het glioom en de verschillen in z.g. "biologisch gedrag" van de tumor, dat bij iedereen weer anders is. Ook de mogelijkheden van behandeling zijn van invloed op de levensverwachting van de patiënt.

Patiënten met een laaggradig astrocytoom kunnen soms vele jaren leven zonder terugkeer van de ziekte. Bij tweederde van de patiënten gaat het om een hooggradig glioom. Voor hen is de levensverwachting doorgaans beperkt. Patiënten die meer willen weten over de te verwachten resultaten van hun behandeling kunnen dit het beste bespreken met een van hun behandelend artsen.

In hoeverre patiënten na de behandeling van een hersentumor hun bezigheden weer kunnen verrichten zoals voor hun ziekte, verschilt van persoon tot persoon. Ook als het goed gaat merken sommige patiënten dat zij toch net niet meer zo intens bezig kunnen zijn als voorheen. Zij zijn wat eerder aan de grens van wat zij kunnen.

Patiënten bij wie de ziekte niet (voldoende) kan worden behandeld of bij wie de tumor weer aangroeit, krijgen met verschillende problemen te maken. Afhankelijk van de plaats van de tumor treden uitvalsverschijnselen op. Een verminderde hersenfunctie veroorzaakt soms stoornissen op emotioneel gebied en/of in het denkvermogen. Hierdoor kunnen misverstanden ontstaan tussen de patiënt en de mensen in zijn omgeving die vervolgens tot extra spanningen leiden.

Om de patiënt in die periode zo goed mogelijk te kunnen bijstaan, moeten ook de partner, de kinderen en eventueel anderen die bij de zorg van de patiënt zijn betrokken, zo volledig mogelijk zijn ingelicht over het ziekteverloop. Een goed contact met de specialist en de huisarts is daarom van wezenlijk belang.

Verzorging

Wanneer de patiënt thuis wordt verzorgd kunnen verschillende instanties ondersteuning bieden. Voor de persoonlijke verzorging van de patiënt kan men bij de kruisvereniging de hulp van een wijkverpleegkundige aanvragen. Deze verpleegkundige kan tevens de partner en/of kinderen met adviezen terzijde staan.

Voor ondersteuning bij huishoudelijke werkzaamheden kan een beroep worden gedaan op de gezins- en bejaardenverzorging. Op enkele plaatsen in ons land werken kruisverenigingen en verenigingen voor gezins- en bejaardenverzorging samen om gedurende 24 uur per dag hulp te kunnen bieden. Ook wanneer de patiënt in het ziekenhuis ligt kan het noodzakelijk zijn dat er andere hulpverleners bij de zorg voor de patiënt worden betrokken. Omdat dit van patiënt tot patiënt kan verschillen is nauw overleg met de betrokken artsen noodzakelijk.

Contact met lodgenoten

Patiënten maar zeker ook hun naasten kunnen tijdens de periode van onderzoek en behandeling, maar ook daarna, behoefte hebben aan contact met mensen die eerder in een vergelijkbare situatie hebben verkeerd. Het uitwisselen van ervaringen en het delen van angst, onzekerheid en verdriet kan er toe bijdragen dat men zich minder onzeker voelt in deze nieuwe situatie. Contact met iemand die uit eigen ervaring kan weten en voelen wat een patiënt en/of zijn naasten doormaken, kan dan een belangrijke steun zijn.

Bij het Voorlichtingscentrum van de Nederlandse Kankerbestrijding en bij de Integrale Kankercentra is een aantal mogelijkheden van lotgenotencontact bekend. Zo kunnen patiënten en hun naasten onder meer terecht bij de Stichting Brein. Deze organisatie verleent steun aan patiënten die een hersenletsel hebben (gehad) en hun naasten. Speciaal voor patiënten met een hersentumor en hun naasten is in 1990 de Werkgroep Hoofdzaak opgericht.

Voeding

Gezonde voeding is voor iedereen belangrijk. Bij patiënten kan goede voeding een eventuele behandeling ondersteunen en ertoe bijdragen dat men zich prettig voelt. Een speciaal dieet is zelden nodig. Het gaat erom dat een patiënt gevarieerd eet, voldoende voedingsstoffen (eiwitten, koolhydraten, vetten, vitaminen en mineralen) binnenkrijgt en voldoende drinkt. Soms vraagt een goede voeding wel veel aandacht. Bijvoorbeeld wanneer patiënten als gevolg van hun ziekte of van hun behandeling last krijgen van verschijnselen als: smaakveranderingen, slikklachten, een pijnlijke mond, misselijkheid, of diarree dan wel verstopping. Wanneer iemand die een dieet heeft (bijvoorbeeld suikervrij of vetarm) kanker krijgt, kan het nodig zijn dit dieet aan de nieuwe situatie aan te passen. Als uw voeding speciale aandacht vereist, kan uw behandelend arts zorgen voor een verwijzing naar een diëtist. Via uw huisarts kunt u een verwijzing krijgen naar een diëtist van bijvoorbeeld de Kruisvereniging.

Er zijn patiënten die in verband met hun ziekte een bepaald dieet (bijvoorbeeld het Moermandieet) willen gaan volgen. Dit geeft hen het gevoel zelf bij te dragen aan hun herstel. Uit wetenschappelijk onderzoek zijn geen resultaten bekend over een gunstig effect van een bepaald dieet op het ziekteverloop bij kanker. Bij sommige patiënten kan een dieet er wel toe bijdragen dat zij zich "goed" voelen. Een eventueel "effect" van een dergelijk dieet zou kunnen worden toegeschreven aan het feit dat patiënten die een dergelijk dieet nemen actiever en bewuster met hun ziekte omgaan. Dit alleen is al iets waarvan bekend is dat het een gunstige invloed heeft op ziekte.

Wanneer patiënten op eigen houtje een dieet beginnen, bestaat het risico dat zij niet genoeg voedingsstoffen binnenkrijgen waardoor hun weerstand vermindert. Dit geldt zeker voor patiënten die vanwege hun ziekte al moeite hebben met eten. Wanneer u een bepaald dieet wilt gaan volgen, doet u er daarom verstandig aan dit tevoren met de behandelend arts te bespreken. Voor wie meer wil lezen over dit onderwerp is bij het Voorlichtingscentrum van de Nederlandse Kankerbestrijding de brochure "Goede voeding bij kanker" verkrijgbaar.

Bron: Ziekenhuis.nl


E-mail deze pagina | Afdrukken | In favorieten opslaan In favorieten opslaan | Share/Bookmark

Je mening is belangrijk! Was deze pagina nuttig?



Een vraag of een probleem op SeniorenNet?
Kijk dan in het Helpcentrum (klik hier). Als je het daar niet kan vinden, helpen we je via e-mail op support@seniorennet.nl.

Zoek binnen SeniorenNet:

Untitled Document

Poll

Ken je iemand persoonlijk die doof of slechthorend is?